DE VROEGE KERK

door Gladys Taylor

De trek naar het westen

Toen onze Heer Jezus Christus zijn discipelen aanstelde, zond Hij ze uit met deze duidelijke opdracht: "Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verlo­ren schapen van het huis Israëls" (Matt.10:5-6).

Wanneer wij deze opdracht goed in gedachten houden en zijn laatste bevel aan hen overdenken, wordt het ons duidelijk dat

1e Jezus gedurende de veertig dagen na zijn opstanding, toen Hij in zijn opstandingslichaam rondging, hen onderwees aang­aande ‘de din­gen die betrekking hebben op het Koninkrijk Gods’;

2e Hij ze zond naar ‘de einden der aarde’.

Dan wordt het ons ook duidelijk welke bedoelingen Hij had met de uit­voering van zijn plan, dat door de discipelen tot op de letter werd nage­komen. Dat zij de opdracht werkelijk uitvoerden, tenminste als we er achter kunnen komen waar de ‘verloren schapen van Israël’ te vinden zijn. Het is niet de bedoeling in deze artikelenreeks in details te treden omtrent de eeuwenlang durende migraties van de verschillende stam­men van het Hebreeuwse ras. Het is voldoende dat we ze kunnen volgen bij hun migraties over land en zee naar West-Europa; op dezelfde wijze waarop we in de geschiedenis de Keltisch-Saksische stammen hebben kunnen traceren tot in hun oude land van herkomst in het Midden-Oos­ten, waar volgens filologen hun gemeenschappelijke moedertaal moet zijn ontstaan. Beginnend met het bovenstaande volgen we de vrienden van Jezus op een reis die hen door alle landen van Israëls migratie voer­de. Ze bezochten Griekenland waar de Danaoi woon­den, die volgens de overlevering vanuit Egypte waren overgestoken. Ze trokken door de Donauvalleien, waar rijke Keltische vondsten zijn gedaan; ze trokken door naar Frank­rijk – in die tijd bekend als Gaul (Gallië) – dat in de eerste drie eeuwen van de christelijke jaartelling puur Keltisch was. Ze kwa­men in Spanje, de bakermat van de Keltiberiërs en gingen door naar Brittannië, waar oude kerken over deze eilanden verspreid, talloze herin­neringen aan de vroegste heiligen bewaren.

Brittannië wordt het laatst genoemd, omdat dit het eindpunt was van de lange trek naar het westen. Toch tonen historische documenten uit vele bronnen aan dat Brittannië het christelijk geloof eerder aanvaardde dan menig meer oostelijk gelegen land. Tijdens de eerste drie eeuwen onder­namen zendelingen uit Brittannië de reis in oostelijke richting om het christelijke geloof uit te dragen naar de bewoners van plaatsen in Frank­rijk, Duitsland, Zwitserland, Italië en de Balkan. Onze broeders in Scan­dinavië kwamen langzamerhand tot geloof; hun voorgangers reisden naar Glastonbury en Iona om te studeren en stichtten daarna de kerken van de ‘papae’ of ‘vaderen’ in de noordelijke eilanden en nog verder in IJsland en Groenland; ze bezochten zelfs Amerika, naar wij mogen aan­nemen.

Hoe meer we te weten komen uit de oude kronieken, hoe meer we ervan overtuigd raken dat de Britse Eilanden als een zeer belangrijk reisdoel beschouwd werden; een feit dat alleen maar zo kan worden uitgelegd als dit inderdaad het nieuwe thuis­land voor Israël was, de plaats door God aangewezen volgens zijn beloften lang geleden (Jes.49:1; 51:4-5).

Het heilige eiland Avalon

Zowel plaatselijke legendes als geschreven kronieken te zamen geven ons de feiten over Avalon (Glastonbury) en over de komst van Jozef van Arimathea aldaar. Gildas de Wijze, een historicus, wiens werken nog steeds voorhanden zijn, werd geboren in het jaar van de slag van Badon, tijdens de regering van koning Arthur. Toen Gildas probeerde uit te leg­gen waarom God de Saksen toestond deze Keltische gebieden binnen te trekken zonder dat zij beseften dat ze broeders waren, noemde hij als reden ‘dat God in dit land de liefde van deze Israëlieten, die het christen­dom hadden aangenomen en die van Hem waren, op zijn eigen manier op de proef wilde stellen’. Het leek erop, dat Gildas kennis had van onze identiteit. Hij geeft het tijdstip van de komst van de christelijke leer in Brittannië als volgt weer: ‘Aan het einde, zoals wij weten, van de rege­ring van Caesar Tiberius’. Hij voegt eraan toe dat ‘het geloof zonder belemmering werd verbreid en dat de dood dreigde voor degenen die zich zouden vergrijpen aan de belijders’. De uitdrukking ‘zoals wij we­ten’ suggereert dat het algemeen bekend was dat het christelijk geloof tijdens de regering van Tiberius naar Brittannië werd gebracht. De woor­den ‘tempo summo’, hier vertaald met ‘aan het einde’, kunnen beter vertaald wor­den met ‘op het hoogtepunt van de regering van keizer Tibe­rius’. Wij weten dat Tiberius in 37 nC stierf, zodat de komst van de eer­ste zendelingen tussen 34 en 37 moet hebben plaatsgevonden, al heel vroeg dus!

Kardinaal Baronius – de kerkhistoricus die tevens als bibliothecaris van het Vaticaan werd aangesteld in 1596 – schreef in zijn ‘Annales Ecclesi­astici’ over de vondst in de Vaticaanbibliotheek van een zeer oud manu­script, waarin de reis werd beschreven van een groep vrienden van Jezus. Ze bevonden zich in een oude boot, zonder riemen of zeilen en waren door de eigenaar verlaten. Na grote ontberingen strandden zij op de kust bij Marseille. Vandaar uit ver­spreidde de groep zich over het zuiden van Frankrijk, waar vele kerken hen vermelden als hun stichters. In deze groep bevond zich Jozef van Arimathea, die echter niet wordt genoemd als stichter van een van deze kerken, hetgeen een aanwijzing kan zijn dat hij zou zijn doorgereisd en niet lang in Zuid-Frankrijk is gebleven. Baro­nius dateert de aankomst van de boot in het jaar 35. Jozef van Arimathea kan dus in Brittannië aangekomen zijn in de periode die door Gildas wordt vermeld, zodat op dit punt de twee oude documenten overeenk­omen. Baronius’ beschrijving vindt bevestiging in Franse kerkannalen. Wat wij verder weten van deze kardinaal-bibliothecaris geeft ons overi­gens veel vertrouwen in zijn geschriften. Van tijd tot tijd bracht zijn eerlijkheid hem in conflict met andere kerkdignitarissen. Niettemin raad­de één van zijn tegenstanders iemand aan die kritiek had ‘Baronius nooit van kwade trouw te verdenken, omdat iedereen die hem kende wel wist dat hij nooit de waarheid geweld aan zou doen­’. Andere kerkhistorici met een Roomse geloofsovertuiging hebben ons waardevolle bewijzen geleverd met betrekking tot de oudheid van de Britse kerk. Wij moe­ten erbij vermelden dat hun eerlijkheid, evenals als die van Baronius, hen in conflict bracht met de pauselijke autoriteiten. De monnik Hugo Paulinus de Cressy, die in de zeventiende eeuw zijn ‘Kerkgeschiedenis van Bretag­ne’ schreef, spreekt over de kerk van Brittannië in de eerste eeuw. De Cressy schreef nog een ander boek over kerkgeschiedenis, dat nooit werd uitgegeven omdat het verslagen bevatte over twistpunten tussen Engelse koningen en het pausdom. Hij verschafte ons de datum en het jaar van de dood van Jozef van Arimathea, t.w. 27 Juli in het jaar 85 en sprak over zijn komst met de volgende woorden: ‘De uitnemendste nu van de oor­spronkelijke discipelen die het meeste bijdroeg aan dit hemelse bouw­werk was Jozef van Arimathea, met elf van zijn metgezellen waaronder zijn zoon die dezelfde naam droeg’. Hij vertelt ons dat ‘Brittannië de stralen van de Zonne der Gerechtigheid ontving vóór veel andere landen, die dichter bij het land lagen waar deze Zon voor het eerst opkwam’. De Cressy bracht lange tijd door in Frankrijk, waar hij studeerde en schreef. Mogelijk bevatten de oude Franse kerkdocumenten enkele van de mede­delingen die hij deed, aangezien de uitgangspunten van de zeer vroege kerken in beide landen hecht met elkaar waren verbonden. Hij verklaart dat hij originele documenten heeft overgeschreven. Uit het werk van de Jezuïet Michael Alford, die zijn ‘Annales Ecclesiae Brittannicae’ iets eerder schreef, heeft De Cressy aanhalingen gedaan. Deze Alford stelt de vroege stichting van de Engelse kerk vast en dat deed ook Robert Par­sons, een andere Jezuïet en evenals De Cressy een Oxford-geleerde. Zijn verhandeling over ‘De drie bekeringen van Engeland’ werd vlak voor de geboorte van De Cressy gepubliceerd en er staat in te lezen: ‘De Christe­lijke Gods­dienst ontstond in Engeland binnen vijftig jaar na Christus’ Hemelvaart’. In deze periode schenen protestanten en rooms-katholieken beide bezield te zijn geweest met de vaste wil Engeland te verdedigen tegen degenen die hen belasterden en belaagden, zodat sommigen (Hen­drik VIII) – hoewel ze trouw beloofden aan de roomse kerk – zich toch te weer stelden tegen de kerkelijke autoriteiten ter wille van Engelands vrijheid en eer. De vrijheid die men bang was te zullen verliezen door kerkelijke druk. Men zou kunnen zeggen dat onder de Oxford-geleerden van die tijd de kennis van onze vroege geschiedenis zich meer en meer verbreidde.

Bewijzen uit niet-Engelse bronnen

Hoewel de geschriften van vroege Britse historici, die onze geschiedenis bestudeerden, kunnen worden beschouwd als authentiek, die van de vroe­ge christelijke kerkvaders die leefden in het Middellandse Zeege­bied, zijn ook van groot belang. Wanneer zij in hun gebied dat zo ver verwijderd lag van Brittannië schreven over de vroege Britse kerk, moe­ten hun gegevens wel als algemeen bekend worden beschouwd.

Irenaeus – geboren in 120 nC in Klein-Azië – leren wij beter kennen dan wie ook van zijn tijdgenoten. Hij was een leerling van Polycarpus, bis­schop van Smyrna, die zelf een leerling was van de apostel Johannes. Hij reisde naar Frankrijk, waar hij het ambt overnam van Pothinus, de bis­schop van Lyon, die de marteldood was gestorven. Dr.Leighton Pullan vertelt ons dat ‘Irenaeus zelf het beste bewijs was dat het christelijk ge­loof in Zuid-Gallië wortel had geschoten. Het geloof was vanuit Klein-Azië gekomen en had zich verspreid onder de Grieks sprekende mensen. Grieks was de voertaal in Marseille tot de vijfde eeuw en zelfs nu nog kan men sporen ervan vinden in de dialecten van Zuid-Frankrijk. Irenae­us was echter omringd door Keltische bekeerlingen. Hij bestudeerde ijverig de Keltische taal om van meer nut voor deze bekeerlingen te zijn. Hij sprak met gezag over ‘de apostelen die kerken (gemeenten) stichtten onder de Kelten’.

Het was Freculphus – bisschop van Lisieux in Normandië in de negende eeuw – die ons vanuit een Frans gezichtspunt feiten gaf over Jozef van Arimathea. William van Malmesbury haalt zijn woorden aan en ver­meldt zelfs bijzonderheden: ‘het vierde hoofd­stuk van zijn tweede boek’. Deze bisschop van Lisieux zegt dan: "De apostel Filippus ging naar Frankrijk om te prediken. Hij zond twaalf mannen vanuit Frankrijk naar Brittannië om dit land te bekeren, waarvan zijn beste vriend, Jozef van Arimathea, de leider was". Dit brengt een andere apostel, Filippus, voor het voet­licht. Er was de apostelen kennelijk veel aan gelegen om het evangelie aan hun Keltische broeders te brengen. Tertullianus, een kerkvader die opmerkelijk veel te boek stelde, werd rond 60 nC geboren in Carthago als zoon van een Romeinse centurio. Reeds als jongeman werd hij chris­ten. Hij publiceerde voornamelijk christelijke verweerschriften en lessen in christelijke zedenleer en levensstijl. Hij vermeldde in zijn ‘Adversus Judaeos’ dat er al een wijdvertakte christelijke evan-gelieprediking be­stond. Hij zegt: "De uiteinden van Spanje, de verschillende delen van Gallië, de gebieden van Brittannië ontoegankelijk voor de Romeinen, hebben zich aan Christus onderworpen". Dit toont aan dat de christelijke kerk niet alleen bestond in Glastonbury, maar ook in andere delen van de Britse eilanden.

Origenes – geboren in Alexandrië in 185 nC – bekend als een geleerde, niet alleen in de theologie, maar ook in de klassieke wetenschappen, is ook een van degenen die Brittannië rechtstreeks vermeldt in zijn grote werk ‘Contra Celsum’, waarin hij de wijdvertakte invloed van de christe­lijke leer behandelt. Hij is blijkbaar niet erg in ons geïnteresseerd, maar wel zegt hij: "Het land Brittannië heeft de christelijke godsdienst ont­vangen". Dit kan niet later geschreven zijn dan 250 nC.

Een andere vroege kerkvader, die kort na de dood van Origenes werd geboren, was Eusebius (260), bisschop van Caesarea in Palestina. Hij werd in Egypte gevangen genomen, maar overleefde de bittere vervol­ging door keizer Diocletianus. Eusebius trad in dienst bij Constantijn de Grote. In 325 nC woonde hij het concilie van Nicaea bij waar de ge­loofs­belijdenis werd opgesteld. Het was op dit concilie, dat aan de Britse bisschoppen de ereplaats werd gegeven als vertegenwoordigers van de kerk die door Jozef van Arimathea was gesticht. Zijn omgang met Con­stantijn, de prins die in Brittannië werd geboren uit een Britse moeder, moet Eusebius zeker wel iets geleerd hebben over zijn geschiedenis, want hij zegt: "De apostelen voeren over zee naar de eilanden, genaamd de Britse eilanden". Omdat iedere vermelding van de veraf gelegen Brit­se eilanden door deze leiders van de oosterse kerken als opmerkelijk beschouwd kan worden, is hun vroege verwijzing naar de Britse kerk van grote betekenis.

De apostelen en hun vrienden

Alles wat we zo te weten zijn gekomen wijst op de volharding en het geduld van die zendelingen van de vroegste kerk die aan Gods bevel gehoor gaven om het goede nieuws van behoud – het evangelie – aan Israëlieten en heidenen te brengen ‘tot aan de einden der aarde’ wat West-Europa geacht werd te zijn. Wij weten dat Nebukadnezar, na de periode dat hij krankzinnig was, heeft begrepen wat was voorzegd, namelijk dat ‘de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen’ (Daniël 4:17). Tenzij wij de loop van de geschiedenis beschouwen met Gods plan voor ogen, lopen we de kans de Goddelijke almacht te vergeten, omdat onze gedachten zo worden beheerst door de sluwe werken van de tegenpartij, dat wij het grote werk van God niet kunnen zien. In onze studie over de wereldlijke geschiedenis is het duidelijk geworden dat in deze regio slechts mensen van ons eigen ras en oorsprong zijn binnengedrongen. Ze kwamen en vestigden zich. Het waren broedervolken. Er is echter een belangrijke uitzondering: de bezetting van Engeland door de Romeinen. Had dit een Goddelijke bedoeling? Het is een merkwaardig feit dat de eerste drie eeuwen van de christelijke jaartelling de langste periode van vrede zijn geweest die Europa en het Midden-Oosten hebben gekend: de Pax Romana. Hoewel de regering van Rome drukkender en benauwder was dan die van menig rijk daarvoor – profetisch gesymboliseerd als ‘hard als ijzer’ – hield deze macht die de heerschappij had verworven de vrede in stand, legde wegen aan, hield de havens open, stelde perk en paal aan het piratendom. Dit is de enige periode in de oude geschiedenis van Europa geworden waarin men ongehinderd van Palestina naar Brittannië kon reizen. Hoewel er vele talen in het Romeinse rijk werden gesproken, was Grieks – later door Latijn vervangen – de wereldtaal. Daardoor was het mogelijk zonder moeilijkheden omgang met elkaar te hebben, want Grieks was voor het Romeinse rijk wat Engels is voor het Britse Gemenebest. Dat de zendingsactiviteit van de vroegste kerk gedurende deze tijd kon plaatsvinden, was meer dan een samenloop van omstandigheden. De apostelen en hun vrienden hadden genoeg strijd te voeren tegen het kwaad van het heidendom, maar de weg naar het westen lag al voor hen open. De christenvervolgingen had als resultaat dat ze in eerste instantie uit hun woonplaatsen in Palestina werden verdreven, waarna ze steeds verder naar rustiger landen in het uiterste westen trekken.

Paulus’ "Groeten aan de heiligen"

Eén aspect van de zendbrieven dat dikwijls bij het lezen wordt genegeerd als iets waar we niet veel mee te maken hebben, is juist de betekenis van de boodschappen door Paulus aan zijn vrienden gezonden. In het laatste hoofdstuk van de brief ‘aan de Romeinen’ worden vele zaken genoemd die belangrijk zijn voor de kerkgeschiedenis. Dat Paulus Rome kende voordat hij er als gevangene naar toe werd gevoerd, komt aan het licht door zijn duidelijke familierelaties daar en het feit dat hij klaarblijkelijk zo gewend was de Middellandse Zee te bevaren, dat hij de weersomstandigheden beter kende dan de kapitein van het schip, genoemd in Handelingen 27. Paulus was een bereisd en zeer ontwikkeld man, het type van wie wij kunnen verwachten dat hij door God gekozen zou worden om het grote zendingswerk te leiden. Voordat hij de lange lijst van groeten aan de christenen in Rome geeft, vertelt Paulus hen tweemaal dat hij van plan is hen te bezoeken: "Zodra ik naar Spanje reis – ik hoop u namelijk op mijn doorreis met mijn eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb" (Romeinen 15:24). Daarna lezen wij dat hij een financiële zaak moet afhandelen in Jeruzalem en "Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen" (15:28). De identiteit van de werkelijke stichter van de gemeente in Rome is altijd een twistpunt geweest en blijft onzeker. Dat Paulus deze gemeente meer gestalte gaf gedurende zijn verblijf daar van twee jaar, wordt ons duidelijk aangetoond aan het slot van het boek Handelingen der Apostelen, maar het is mogelijk dat sommigen van hen die worden genoemd in Romeinen 16 tot de oorspronkelijke stichters hebben behoord. Dr. Sanday zegt in zijn commentaar op deze brief; ‘Het moet als een eigenaardig feit beschouwd worden dat van alle brieven van Paulus, die aan de Romeinen en de Colossenzen het grootste aantal persoonlijke groeten bevat, terwijl hier nu juist twee gemeenten waren die hij nog nooit had bezocht voordat hij deze brieven schreef’.

Als we de Bijbel lezen, lopen we het gevaar de gebeurtenissen te dicht op elkaar te zien en het lange tijdsverloop ertussen te vergeten. Volgens Dr. Plumptres chronologie werd Paulus bekeerd in het jaar 37 (toen Tiberius stierf en Jozef van Arimathea zich al in Brittannië bevond)! Zijn Brief aan de Romeinen werd te Corinthe geschreven in het jaar 57, twintig jaar later. Moeten wij nu aannemen dat Paulus gedurende deze tijd geen andere reizen maakte dan die in de Bijbel worden beschreven? Wij weten dat hij lange reizen maakte naar veraf gelegen plaatsen als Damascus, Corinthe en Cyprus; soms heen en weer reizend als dit in het belang van de gemeenten was. Het is waarschijnlijk dat hij plaatsen bezocht die verder westwaarts lagen, ondanks het feit dat ze niet in de Bijbel zijn geregistreerd. Lang voordat de Brief aan de Romeinen werd geschreven, bevond de Britse vorst Caractacus zich met zijn familie in Rome, waar hij was opgenomen in de huishouding van keizer Claudius – ‘onder vrije bewaking levend’.

De gemeenten in Zuid-Frankrijk bloeiden onder leiding van Lazarus en zijn vrienden. Maria, de moeder van Jacobus de Jongere en echtgenote van Kléopas, bevond zich in Civita-Tensum (Ciudad Rodrigo) in Spanje, waar zij het lichaam van de door marteldood omgekomen Jacobus had gebracht en waar zij later werd begraven. Deze stad lag in Lusitania, een streek die in grote trekken overeenkwam met het huidige Portugal en waar de Grieken duizend jaar daarvoor een beschaving hadden opgebouwd. Het is niet verwonderlijk dat Paulus dat gebied graag wilde bezoeken. Paulus’ voortdurende activiteiten werden geëvenaard door die van de andere apostelen en hun vrienden, zoals we kunnen weten uit de geschiedenis van de vroege kerk. Het is tegen deze achtergrond dat wij ‘de groeten’ die we in Romeinen 16 vinden, zullen bestuderen.

De eerste persoonlijke groeten zijn gericht aan Priscilla en Aquila. In Handelingen 18 zien we dat Paulus ze te Corinthe ontmoet. We maken hieruit op dat ze van Galatië naar Rome waren gereisd, waarschijnlijk als zendelingen, maar door het besluit van keizer Claudius de Joden uit Rome te verbannen, waren gedwongen weer uit deze stad te vertrekken. Paulus ontmoette hen te Corinthe, maar blijkbaar waren ze vijf jaar later, toen keizer Nero de troon had bestegen, weer terug in Rome, waar ze in Paulus’ brief worden gegroet toen hij vanuit Corinthe schreef. Wij lezen: "En omdat hij hetzelfde handwerk uitoefende, bleef hij bij hen, en zij werkten samen, want zij waren tentenmakers van hun handwerk" (Handelingen 18:3). Omdat Paulus gedurende anderhalf jaar in Corinthe woonde, kunnen wij ons voorstellen dat er een hechte vriendschap tussen hen ontstond en het zou interessant zijn te weten welke dienst zij hem hebben bewezen als hij over hen spreekt in Romeinen 16:1-4 in de volgende bewoordingen: "...mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben". In Handelingen 18:18 lezen wij dat Priscilla en Aquila samen met Paulus naar Efeze reizen. Dit is drie jaar vóór Paulus hen in Rome de groeten zendt; (in het jaar 54), maar ze zijn weer terug in Efeze als Paulus ongeveer zeven jaar later aan Timotheüs (II Timotheüs. 4:19), die wordt aangesteld als bisschop-opziener te Efeze, schrijft. Waartoe diende deze activiteit? Het leek er wel op dat door Gods genade in de behoeften van de gemeente kon worden voorzien door de opbrengst van het ambacht dat zij uitoefenden. Tentenmakers maakten namelijk ook zeilen voor schepen; de havens langs de Middellandse Zee bezorgden hun veel werk. Op deze manier was het mogelijk voor Paulus en Aquila in hun eigen levensonderhoud te voorzien en waarschijnlijk ook nog in dat van anderen. Hun ambacht uitoefenen terwijl ze voor God aan het werk waren. Dit verklaart Paulus’ woorden: "Gij weet immers zelf hoe ons voorbeeld behoort gevolgd te worden, daar wij bij u niet van de regel afgeweken zijn, noch gegeven brood bij iemand hebben gegeten; maar met moeite en inspanning werkten wij dag en nacht, om niemand van u lastig te vallen" (II Thess .3:7-8). Priscilla vooral was blijkbaar een grote steun voor de christelijke gemeente in Rome. De catacombe uit de eerste eeuw, waar de christenen zich verscholen gedurende de bitterste vervolging, werd naar haar genoemd: de Catacombe van Santa Priscilla. Inderdaad was deze Priscilla, de vrouw van Aquila, een zeer vooraanstaande figuur. Deze heldhaftige heiligen hielden de bijeenkomsten om God te dienen aan huis, voordat het nodig werd zich onder de grond te verschuilen. Romeinen 16:5; "Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis".

Paulus’ bloedverwanten

In de brief aan de Romeinen (16:7-14) doet Paulus de groeten aan Andronicus en Junias als stamgenoten (Gr.sungeneis), hetgeen bloedverwantschap (genes) inhoudt. Het is onwaarschijnlijk dat hier gedoeld wordt op een aangenomen of geestelijke verwantschap, ofschoon ook anderen in de verzen 11 en 12 op dezelfde wijze worden aangesproken. Het is dan ook een raadsel waarom men beweert dat Paulus geen familieleden in Rome zou hebben en er niet geweest kon zijn vóór hij deze brief aan de Romeinen schreef. De groeten aan "Rufus, de uitverkorene in den Here met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is" (de Griekse grondtekst zegt: "de moeder van hem en mij") doet vragen rijzen omtrent deze verwantschap. Verschillende theorieën zijn naar voren gebracht; dat Paulus’ moeder een tweede huwelijk zou zijn aangegaan met de vader van Rufus, of dat Paulus’ moeder samenwoonde met de moeder van Rufus – zelfs dat deze beide vrouwen zusters konden zijn geweest – of de gebruikelijke gedachte dat hier sprake is van adoptie.

Er zijn niet genoeg gegevens om één van deze theorieën te kunnen bewijzen. Tot nu toe is het een onopgeloste vraag, maar één feit is zeker, dat Paulus, de Jood van Tarsus, die wonderlijk genoeg het Romeinse burgerrecht bezat, beter in die stad bekend was dan velen hebben verondersteld. En wat weten wij van Rufus? Het was geen ongewone naam. Rufus betekent ‘rood’ en iemand met rood haar zou kunnen worden aangeduid als ‘rooie’, wat in onze tijd ook nog het geval is. Een vriendelijk bedoelde bijnaam voor een roodharige, die officieel een andere naam droeg. Deze Rufus, die algemeen bekend was in de christengemeenschap, was Rufus Pudens, de echtgenoot van Claudia, de Britse prinses. Zij werd door de puntdichter Martialis ook wel aangeduid als Rufina, omdat zij de vrouw was van Rufus óf, zoals men eerder zou denken, omdat ook zij roodharig zou zijn. Wij hebben hier een aanwijzing dat Aulus Rufus Pudens, de man van Claudia, niet iemand kon zijn van het donkere Latijnse type. Of hij moest afstammen van de Kimbriërs in Italië óf, wat waarschijnlijker lijkt gezien de rijkdom van zijn adellijke familie, was hij iemand uit een tak van de keizerlijke familie. Omdat de keizers zich beriepen op afstamming van dezelfde koninklijke lijn als Caractacus, het Trojaanse koninklijke huis, zou Pudens dus van hetzelfde ras zijn als Claudia: hetzij van Kimbrische dan wel van keizerlijke afstamming. De banden van het bloed zouden deels de grote genegenheid kunnen verklaren tussen deze twee nobele christenen, zo ongekunsteld beschreven door Martialis, die hen beiden klaarblijkelijk zeer bewonderde. Wie de Rufus uit Romeinen 16 ook mag zijn; er bestaat geen twijfel over dat Pudens de echtgenoot van Claudia wordt vermeld in de Bijbel, want beiden worden daar te zamen met Linus, de broer van Claudia, in één adem genoemd in de brief van Paulus aan Timotheüs (II Timotheüs.4:21­): "Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle broeders laten u groeten". Heel waarschijnlijk heeft dit groepje van drie personen behoord tot de in gevangenschap levende familie van Caractacus (Caradoc).

De Keltische achtergrond

In de geschiedenis van de mensheid is er geen groter contrast denkbaar dan tussen de christenen van de eerste eeuw, die zuiver van hart en oprecht van geest waren en de Romeinse samenleving in de dagen van de keizers, waarin wreedheid en liederlijke uitspattingen hoogtij vierden en ongebreidelde eerzucht en honger naar macht de boventoon voerden. Wij kunnen de gunstige opinie over de Kerk echter niet oprekken tot die van een eeuw of wat later, want ook daar begon zich eerzucht te doen gelden. Alarmerende feiten kwamen aan het licht die aanleiding gaven tot ‘ketterij’ en onenigheid veroorzaakten tussen de verschillende afdelingen. Maar gedurende de eerste eeuw was er nog een oorspronkelijke zuiverheid van geloof en iedere leerstellige discussie was gebaseerd op een ernstige poging te ontdekken wat Jezus en zijn apostelen wilden dat zij zouden geloven.

Wanneer we erover nadenken, zullen we begrijpen hoe wijs God ons leidt. Hij bemoeit zich niet met de menselijke vrijheid van handelen, behalve in die gevallen waarin het bestaan en de groei van zijn koninkrijk in gevaar worden gebracht. Jezus maakte duidelijk aan zijn discipelen, dat het leven van zijn volgelingen voortdurend in gevaar zou zijn. Nadat Hij zijn eigen lijden, dood en opstanding had voorzegd, waarschuwde Hij hen: "Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij" (Luc.9:23). Aansluitend kunnen wij een van zijn vele wonderlijke uitspraken lezen: "Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden". Dit gecombineerd met een ander vreemd gezegde: "Doch geen haar van uw hoofd zal teloor gaan" (v.18), eveneens in de context van lijden en dood (v.12-19), doet vermoeden dat hij hun laat weten dat Hij hun bereidheid om voor zijn naam te lijden aanvaardt. Zijn handelen zou er niet op gericht zijn hen te redden van de dood, maar om ze te doen volhouden met zo’n bemoediging van de heilige Geest, dat mensen zich steeds weer hebben verbaasd over hun moed en de vreugde die de Kerk van de eerste eeuw vervulde, zelfs gedurende de bitterste tijden van vervolging.

De gemeente van Rome toentertijd was belangrijk voor de beginperiode, toen door het hele keizerrijk het evangelie werd verkondigd. Te zamen met Romeinen van alle rangen en standen, waren er bannelingen uit oost en west, waarvan enkelen Jezus nog hadden gekend. Het was deze belangrijke positie die de bisschoppen van Rome in latere eeuwen hoogmoedig en eerzuchtig maakte. Een voorgevoel van deze tendens wordt gedemonstreerd in de brief aan de Romeinen, waarin Paulus de christenen in Rome waarschuwt ‘zich niet te beroemen tegen de natuurlijke takken’ of om ‘hoogmoedig’ te zijn. Hij gebruikte daarbij het symbool van de olijfboom om de gemeente in Israël te beschrijven (Romeinen 11:18-20). De neiging tot hoogmoed was aanwezig, zelfs al in die tijd, want er waren meer christenen van hoge geboorte in Rome dan theologen willen toegeven. Er bestaat een misplaatste geesteshouding als zou hoge geboorte een reden zijn voor schaamte. Dit komt tot uiting in de beweerde eenvoud en armoede van de heilige familie, waarin aan Jozef en Maria de waardigheid en de erkenning van hun koninklijke afkomst wordt ontzegd. Deze houding strekte zich ook uit tot leden van de vroeg christelijke kerk, van wie men aannam dat zij van lage geboorte waren of slaven. Toch verwijzen de meestal verwaarloosde gedeelten in Paulus’ brieven, waarin groeten worden gedaan aan of van vrienden in Rome, naar personen van aanzienlijke betekenis. Niet de minsten daarvan waren de leden van de in ballingschap levende Britse koninklijke familie. Elke poging deze mensen te identificeren wordt spottend als volkomen onbelangrijk van de hand gewezen, zodat maar weinigen zich realiseren hoeveel aanwijzingen er zijn voor hun identiteit. Redelijkerwijs kunnen wij niet verwachten veel verwijzingen naar hen te vinden in de seculiere geschiedenis, toch zouden wij meer kunnen ontdekken dan we denken. Het was geen toeval dat, toen het Romeinse leger in 43 AD Brittannië binnenviel met een zekere mate van succes, Claudius keizer was. Ofschoon alle caesars tirannen waren, heidenen die geloofden in hun eigen goddelijkheid, leek Claudius iets gematigder te zijn geweest dan zijn voorgangers. Veel ziekte tijdens zijn jeugd kan zijn karakter wat milder hebben gemaakt. Zijn eerbied voor de wet en achting voor de senaat maakten dat de Romeinen, die nogal hadden geleden onder de regering van de waanzinnige Caligula, hem met open armen ontvingen. Ondanks zijn gestotter en andere lichamelijke gebreken, die reden waren voor spot – alsof hij onnozel was -, had hij een behoorlijk verstand en grote kennis van Latijn zowel als Grieks. Suetonius had een indrukwekkende lijst gemaakt van zijn geschriften, die jammer genoeg verloren zijn gegaan. Claudius, die op vijftigjarige leeftijd keizer werd, hield ervan om met zijn wetenschap indruk te maken. Hij vond het prachtig bij speciale gelegenheden genade te tonen, wat heel ongebruikelijk was in het leven van de caesars. Wij weten niet of Caractacus iets van de geaardheid van Claudius afwist, maar hij trof in ieder geval de juiste snaar in zijn toespraak tot de keizer door een beroep te doen op diens verlangen om voor een wijs en edelmoedig man aangezien te worden. De keizers van het Romeinse rijk deden niet voor elkaar onder in donquichotachtig gedrag, zowel van wreedheid als welwillendheid, maar bij deze gelegenheid – door Gods genade – hield Caractacus een toespraak die Claudius voor hem innam en waardoor het leven van de Britse koning en zijn familie werd gesnaard. Een zeer zeldzame gebeurtenis in de Romeinse geschiedenis. Omdat dit de enige keer is geweest dat een Britse koning gevangen werd genomen door een uitheemse vijand, neigt men ertoe het verzinsel aan te nemen dat de Britten barbaren waren en dat de Romeinse invasie een zegen was die beschaving bracht in het land. In feite is het omgekeerde waar, want het ontwrichtte een unieke Keltische beschaving. De Romeinse invasie was in zoverre goed, dat de wil van God erdoor werd gediend, want ­de weg werd vrijgemaakt voor een ongehinderde komst van zendelingen uit het Midden-Oosten. Bovendien had het tot gevolg dat de familie van Caractacus naar de plaats werd gebracht waar zij Paulus zouden ontmoeten en waar de nog niet bekeerden tot geloof zouden komen. De Britse koninklijke familie heeft dan ook zeer veel gedaan voor de uitbreiding van het jonge christendom. De komst van de legers van Claudius in ZO-Engeland vond plaats in het jaar 43, zes jaar na de komst van Jozef van Arimathea in Glastonbury. Zeven jaren verzetten de Britten zich tegen de Romeinen, totdat Caractacus door verraad in vijandelijke handen viel. Er was een luid gejubel in Rome waar Claudius een triomftocht werd aangeboden, die door Suetonius wordt beschreven. Hij vertelt ons ook dat Claudius, die eerder een kleinere ­zegetocht had geweigerd, besloot dat Brittannië het land was waar een grootse triomftocht heel gemakkelijk kon worden verdiend. Er werd feest gevierd omdat de invasie van Brittannië met enig succes was verlopen, niet omdat de Romeinen er een bijzonder grote overwinning hadden behaald. Niet alleen in de Britse, maar ook in de Romeinse geschiedschrijving wordt de nadruk gelegd op de kleine omvang van deze overwinning.

Tacitus beschrijft het laaghartige verraad van Caractacus door Cartismandua, koningin van een andere Britse stam, wier familie al tweemaal had geprobeerd Brittannië aan de Romeinen te ‘verkopen’ om bij de invallers in de gunst te komen. Suetonius bagatelliseert de overwinning door ons te vertellen dat ‘Claudius, na Gallië doorgemarcheerd te zijn, het Kanaal zonder moeite overstak en zes maanden later weer in Rome terug was. Hij had geen strijd geleverd en geen manschappen verloren, maar had een groot gedeelte van het eiland onderworpen’. Het was voor Claudius voldoende dat een Britse koning zijn gevangene was, alhoewel Caractacus, volgens eigen zeggen, was ‘verraden en niet overwonnen’. Dat Brittannië niet in zijn geheel was veroverd wordt duidelijk uit documenten van Wales zowel als Rome. Tacitus vertelt ons: ‘Na de gevangenneming van Caractacus werden de Romeinen herhaaldelijk verslagen en op de vlucht gejaagd door de Siluriërs alleen al’. Het verzet ging door onder leiding van Arviragus en tien jaar na het verraad van Caractacus voerde Boadicea, koningin van de Iceni in Oost-Engeland, de legers aan tegen de Romeinen. In de Triaden van de Cymri (Cimmeriërs) wordt herhaaldelijk verwezen naar Caradoc (Caractacus). Hij wordt vermeld als een van de drie heldenkoningen. De anderen zijn Cymbeline (Cynvelin) en Arthur; ‘anders dan door verraad konden zij niet worden overwonnen’. Er bestaat geen twijfel over zijn kwaliteiten als leider. Eén triade spreekt over hem als ‘Caradoc, de zoon van Bran; elke Brit, van koning tot boer, volgde hem als hij zijn speer opnam’. De Britse koninklijke families waren aan elkaar verwant. Soms is er onduidelijkheid over hun verwantschap die alleen kan worden opgehelderd door de genealogieën van Wales te onderzoeken. In moderne encyclopedieën wordt Caractacus vermeld als de zoon van Cymbeline, maar Caractacus was een van de Siluriërs in Wales en Cymbeline was koning van het oostelijk koninkrijk rond Colchester. De reden voor deze verwarring is waarschijnlijk gelegen in het feit dat Caractacus Cymbeline opvolgde in de functie van Pendragon (opperbevelhebber) wiens taak het was de legers van de gezamenlijke koninkrijken aan te voeren bij een invasie, dezelfde functie die later werd uitgeoefend door Uther, koning van Cornwall, en vader van Arthur. De genealogie van Caractacus, zoals vermeld in het Pantliwydd-manuscript, voert hem terug tot zo’n dertig generaties, beginnend bij Caradoc, zoon van Bran Vendigeit (de gezegende), zoon van Llyr Lledieth (Lear). Hieruit kunnen wij opmaken dat hij de kleinzoon is van Lear, koning van de Siluriërs. De Mabinogi van Branwen verwijst naar Caradoc als leider van de zeven ‘Hoofd­officieren’ die het land bestuurden tijdens de afwezigheid van zijn vader Bran die zich in Ierland bevond. Dit was tijdens zijn jeugdjaren. In Triade 13 van Trioedd Ynys Prydein wordt hij ver­meld als de eerste van de ‘Drie Hoofd­officieren van het Eiland Brittannië’ en wordt daar aangeduid als ‘Caradoc, zoon van Bran’. Zijn relatie met Cymbeline – nog afgezien van een huwelijksrelatie tussen de twee koninklijke families – moet geweest zijn als erfgenaam van de titel van Pendragon gedurende de meest onverzoenlijke oorlog waarin Brittannië tot dan toe verwikkeld was geweest.

Wij moeten ons realiseren dat de huidige zienswijze op de Britse geschiedenis – naast vele goed te boek gestelde feiten – het aandeel dat Bran en Caractacus hadden in de stichting van het christendom in Brittannië zal ontkennen, ofschoon dit thema duidelijk naar voren komt in de vroege literatuur van Wales. Men ging zo ver dat de veertiende eeuwse bard Iolo ervan werd beschuldigd dat hij de ‘legende’ dat het christendom in Brittannië was geïntroduceerd door Caradoc ap Bran zou hebben verzonnen. Maar een passage in het Harleian-manuscript laat ons zien dat er andere vroege verwijzingen zijn naar dit onderwerp. Iolo stond niet alleen in zijn overtuiging.

Ondanks de fragmentarische aard van de vroege geschriften, is de eensluidendheid in deze stukken opvallend. De genealogische gegevens betreffende de afstamming van koninklijke personen zoals Arthur en Howell de Goede en Jozef van Arimathea, worden ondersteund door de oude triade over ‘Drie Heilige Geslachten van het Eiland Brittannië, te beginnen bij het Huis van Jozef van Arimathea’. In zijn afstamming vinden wij de koninklijke huizen van Wales en Engeland, koning Arthur van moeders zijde en Helena, moeder van de latere Constantijn de Grote. Hoewel minder bekend zijn er nog andere interessante geslachtslijnen te vinden in de triaden. De banden tussen de verschillende geledingen van de Keltische kerk waren sterk en zij kunnen niet los van elkaar worden gezien. Het evangelische werk ging gestadig door en kon niet tot stilstand worden gebracht, noch door Romeinse vervolging, noch door Saksische invasies.

(deel 3-wordt vervolgd)

 

     
     
  Site Map