De Synchronische Rangschikking van het Grote Verhaal

De Opstanding van Jezus en daarmee verband houdende gebeurtenissen

door J.J.Jackson, Zimbabwe

Dit geschrift is voor hen die geloven in de inspiratie van de Bijbel en erkennen dat zelfs het kleinste stukje tekst van de puzzel zijn bedoelde plaats heeft in de harmonie van het geheel. Jammer genoeg beschouwen enkele geleerde critici de Bijbel als een boek vol tegenstrijdigheden. Voor hen bieden de verschillende evangelieverhalen van Jezus’ opstanding een uitstekend voorbeeld.

Mijn doelstelling is te laten zien dat er geen disharmonie bestaat. Ik ben niet in de Griekse taal geschoold en mijn weinige gereedschappen zijn verschillende bijbelvertalingen, speciaal die zijn voorzien van kanttekeningen. Daarbij is ‘Strong’s Exhaustive Concordance’ een onmisbare sleutel geweest. Dus doe ik mij niet voor als een deskundige, maar probeer de bijeenvergaarde losse einden bewijs uit de verschillende hoeken van de wetenschap in te passen. Ik ben me er terdege van bewust dat alle vertalers werden geconfronteerd met een geweldige taak. Eén van de grootste nadelen was de post-apostolische traditie, die was uitgegroeid tot een fundamentele, onveranderlijke gewoonte voor bijna twee millennia. Bovendien is er een groot verschil tussen Engels en Grieks. Enkele Engelse woorden zijn vertaald uit een reeks Griekse woorden en andersom. Dit wordt pijnlijk duidelijk als Strong’s concordantie wordt gebruikt.

Twee Sabbatten

Pascha is de 14e dag van de eerste maand van de heilige kalender. Numeri 28:16-17

De volgende dag, de 15e, is een jaarlijke Sabbat of Grote Dag. Johannes 19:31

Het is de eerste en heiligste dag van het zevendagenfeest van de ongezuurde broden. In de wandeling werd het ‘Pascha’ genoemd, terwijl de bewuste dag werd genoemd de ‘dag van voorbereiding’. De hele Paasweek echter werd ook ‘Pascha’ genoemd, maar de 15e was altijd de belangrijkste dag.

Eén blik op de Joodse kalender laat zien dat dit ‘Pascha’ feest valt op verschillende dagen van de week in verschillende jaren. Bijvoorbeeld in het jaar 2006 viel het op Donderdag 13 April van onze kalender. Was dat ook niet zo in het jaar toen Jezus werd gekruisigd? Daar zijn aanwijzingen voor. In alle jaren waarin het niet valt op Zaterdag zijn er daarom twee Sabbatten in de Paasweek. De ene Sabbat is het ‘Feest van de ongezuurde broden’, jaarlijkse Sabbat, terwijl de andere is het vierde gebod, zeven dagen rust, de wekelijkse Sabbat.

Toen Mattheüs het opstandingsverhaal inleidde, begon hij met de woorden: Mattheüs 28:1

"Laat na de Sabbat...". De kanttekeningen in mijn Scofield Bijbel zeggen dat het Grieks het meervoud gebruikt en dat in deze tekst ‘Sabbatten’ gelezen moet worden. Dat is ook de vertaling van de Ferrar Fenton Bijbel.

De vrouwen bereidden de specerijen, lezen wij in Lucas 23:56, en zij rustten op de Sabbat ‘volgens het gebod’. Zijn deze laatste drie woorden niet met opzet daar geschreven om aan te duiden dat dit de Sabbat was van het vierde gebod? Dus deze vrouwen moeten de specerijen hebben gekocht (Marcus 16:1) en bereid (Lucas 23:56) vóór de Sabbat. Maar we lezen in de evangeliën dat deze vrouwen aanwezig waren bij de graflegging van Jezus’ lichaam, een race tegen de klok, omdat het gedaan moest zijn voor zonsondergang, omdat zonsondergang het begin van de Sabbat inluidde. Zij konden daarom onmogelijk die dingen hebben gedaan voor die bewuste Sabbat. Er was gewoonweg niet genoeg tijd. Maar natuurlijk, we hebben hier te maken met twee Sabbatten. Als de kalender van dat jaar dezelfde was als die van 2006, dan moet de Sabbat van het feest op Donderdag gevallen zijn en de wekelijkse rustdag op Zaterdag. De Vrijdag tussen de twee Sabbatten verschafte de gelegenheid om te kopen en te werken.

In een fragment van het apocriefe Evangelie van Petrus (1:7) lezen we over de wanhoop van de apostel toen Jezus was gekruisigd en de auteur zegt: "...en ik en mijn metgezellen waren bedroefd; en omdat wij gewond waren in de geest verborgen wij ons.....en wij vastten, treurend en wenend tot de Sabbat". Het is duidelijk dat hij niet verwees naar de feest-Sabbat, omdat die begon bij zonsondergang, dezelfde dag dat Jezus werd gekruisigd!

Drie dagen en drie nachten

Zekere Schrijvers en Farizeeën vroegen Jezus om een teken als bewijs dat Hij de Messias was. Jezus antwoordde: "Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet. Want gelijk Jona drie dagen drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten". Jezus refereerde aan Jona 1:17 waar staat: "... en Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten". Jona noemde ook de buik van de vis ‘sheol’, wat vertaald wordt met ‘de schoot van het dodenrijk’.

Dat was het enige teken dat werd gegeven aan die Joden als bewijs van het Messiasschap van Jezus. Welk belang zou u eraan hechten? Denkt u niet dat de duivel in de verleiding gekomen zou zijn om te knoeien met het bewijs om dat teken te kunnen ontkennen?

Een oeroud apocrief geschrift genoemd ‘Het boek van Adam en Eva’ vermeldt, dat God Adam vertelde dat Hij in het vlees zou komen om zijn nageslacht te redden en dat Hij gedood zou worden..."en zij zullen Mij in een grot leggen, die met een grote steen zal worden gesloten en Ik zal in die grot blijven drie dagen en drie nachten. Maar op de derde dag zal Ik weer opstaan en het zal redding betekenen voor u, o Adam". God vervolgt deze verklaring met de woorden: "En dit teken, o Adam, zal Mij overkomen bij mijn komst op aarde". Adam en Eva 49:8-9

Hoe veelzeggend is het gebruik van het woord ‘teken’!

In drie dagen

Johannes vertelt dat bij een andere gelegenheid de Joden aan Jezus vroegen: "Welk teken toont gij ons? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen..... Maar Hij sprak van de tempel van zijn lichaam". Johannes 2:18-19

De evangeliën geven vier getuigenissen van de beschuldigingen op Jezus afgevuurd naar aanleiding van de woorden die Hij sprak. Het enige consistente in hun beschuldigingen was het ‘in drie dagen’ aspect. Op verschillende manieren brachten ze het allen in verband met het gebouw.

Mattheüs 26:61; 27:40, Marcus 14:58; 15:29

Het is duidelijk dat deze ‘in drie dagen’ synoniem moet zijn met ‘de drie dagen en drie nachten’ van Mattheüs 12. Beide zijn hetzelfde ‘teken’.

Na drie dagen

Tweemaal is vastgelegd dat Jezus tegen zijn discipelen zei "dat Hij gedood zou worden en na drie dagen opstaan". Marcus 8:31

Het is ook duidelijk dat de ‘drie dagen en drie nachten’ in overeenstemming moeten zijn met ‘na drie dagen’. Maar waarom drie dagen? Het commentaar in mijn Companion Bible zegt dat, in het geval van Lazarus, Jezus willens en wetens zijn komst uitstelde totdat zijn vriend een volle drie dagen dood was. De rabbi’s leerden dat de geest drie dagen toelating zoekt tot het lichaam alvorens het voorgoed te verlaten. Dus drie dagen moesten voorbijgaan zodat de dood duidelijk was vastgesteld. Daarom werd de opstanding na drie dagen tot een wonder gerekend. Het was ook niet toegestaan een lichaam te balsemen voor de drie dagen voorbij waren. Ik vraag me af of hetzelfde ook niet gold voor de zalving die de vrouwen van plan waren te verrichten na Jezus’ dood.

De derde dag

Bij verschillende gelegenheden zei Jezus duidelijk tegen zijn discipelen dat Hij weer zou opstaan op ‘de derde dag’. Mattheüs 16:21; 17:23; 20:19; Marcus 9:31; 10:34; Lucas 9:22; 18:33; 24:7,46

Dan lezen we in I Corinthiërs 15:4 dat Hij ‘naar de Schriften ten derden dage werd opgewekt’. En we lezen dat twee van de discipelen op weg naar Emmaüs in de morgen, volgend op Jezus’ opstanding zeiden: ‘Met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds deze dingen geschied zijn’. In dat geval echter, zullen ‘deze dingen’ het verzegelen van de tombe hebben ingesloten. Het schijnt dat ‘de derde dag’ in de Bijbel een ruimere betekenis heeft dan ons ‘overmorgen’. In Genesis 1:13 staat, nadat het werk van de dag was voltooid: "Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag". Dat betekent: drie avonden en drie morgens maakten de derde dag volledig.

In de Bijbelse wetten zijn vele ‘derde dag’regels waarvan enkele betrekking hebben op deze kwestie. Een ander bewijs van de synonymie van ‘na drie dagen’ met ‘de derde dag’ kan worden gevonden in het verzoek aan Pilatus door de Hogepriester en Farizeeën, die beweerden dat Jezus had gezegd dat Hij zou opstaan ‘na drie dagen’ en daarom het graf te verzekeren ‘tot de derde dag’. In het boek van Adam en Eva, hierboven genoemd, hebben we kunnen opmerken dat deze twee termen ook synoniem worden gebruikt.

Een ogenblik

Er is een ogenblik in de tijd dat ‘op de derde dag’ en ‘na drie dagen’ dezelfde betekenis hebben en dat is wanneer de klok 72 uren aangeeft. Is het ook niet zo dat er een precies ogenblik in de eeuwigheid moet zijn geweest dat de Mensenzoon uit het graf moest opstaan? Is dat misschien waarom deze verschillende spreekwijzen werden gebruikt, elk op zichzelf bij benadering, maar samengevoegd één ogenblik synchroon zijn? Het moment waarop Jezus werd begraven moet hetzelfde moment geweest zijn waarop Hij uit het graf opstond, 72 uren later.

Laten we nu elk evangelieverhaal eens afzonderlijk bekijken.

Mattheüs 28

Vers 1: Dit vers begint met de woorden: "Laat na de Sabbat"(NBG); "Aan het eind van de Sabbat"(KJV); "Na de Sabbatten"(FF); "In de avond van de Sabbat"(Rest.Schript) - de woorden die volgen zullen meer duidelijkheid verschaffen:

"...tegen het aanbreken van de eerste dag der week".

De eerste dag van de week begint bij zonsondergang op de Sabbat. "....tegen het aanbreken" moet daarom hebben betekend het naderen van de zonsondergang. Ons woord ‘aanbreken’ betekent niet altijd dat de zon begint op te komen. Dus de tijd hier aangeduid was nog steeds op de Sabbat. (Het woord hier vertaald met ‘dawn’ is in Strong’s Greek nr 2020). Er is slechts één andere gebeurtenis waar het woord ‘aanbreken’ wordt gebruikt in het Nieuwe Testament en dat is in II Petrus 1:19: ".....totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat...". Duidelijk het aanbreken van de morgen en een ander Grieks woord (Str.Gr.1806) is hier gebruikt .

De veronderstelling dat Mattheüs verwees naar het moment vóór zonsondergang is een sleutel om de gelijktijdigheid van de gebeurtenissen te vinden. Laten wij voor een afdoend antwoord eens kijken wat voor woord wordt gebruikt voor dezelfde tijd op de dag toen Jezus werd begraven. In Lucas 23:54-55 staat te lezen: "En het was de dag der voorbereiding en de Sabbat brak aan. En de vrouwen die met Hem uit Galilea waren gekomen, volgden en zij bezagen het graf en hoe zijn lichaam gelegd werd". Die twee woorden ‘brak aan’ zijn een vertaling van precies hetzelfde Griekse woord uit Str.Gr.2020. Dus, wat het tijdstip van de dag betreft werd Jezus begraven, volgens Str.Gr.2020, op de dag van voorbereiding en Hij stond op uit de dood, volgens Str.Gr.2020, op de wekelijkse Sabbat, in beide gevallen bij het naderen van zonsondergang.

Dit is natuurlijk tegengesteld aan de diep verankerde traditie dat Jezus opstond op de eerste dag van de week. We zullen alle relevante Schriftgedeelten die erop betrekking hebben nader bekijken als we verdergaan.

"...ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien". Het woord ‘zien’ komt viermaal voor in dit hoofdstuk. In dit geval is het Str.Gr.2334. De andere gevallen zijn twee verschillende Griekse woorden. Dit ‘zien’ betekent meer ‘staren’ (Bullinger). Wij merken op dat bij deze gelegenheid zij geen specerijen hadden meegenomen, ze vroegen ook niet of iemand de steen wilde wegrollen. Hun doel was niet Jezus’ lichaam te zalven, maar slechts om het graf te bezien. Hoe sterk moet hun verlangen geweest zijn! En hoe logisch om dat te doen op de Sabbat namiddagwandeling. De mannen hadden zich verstopt, maar de vrouwen konden zich vrij bewegen. Ze zullen verschillende keren naar het graf gegaan zijn, het was nauwelijks een kilometer van het huis van Johannes en Marcus in de stad. Die afstand lopen op de Sabbat was binnen de toegestane grenzen.

Het zou in hun gedachten niet opgekomen zijn het lichaam van Jezus te zalven na zonsondergang, vanwege de naderende duisternis, maar ze hadden zonder twijfel hun plannen klaar voor de volgende morgen.

Verzen 2 - 4: "En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop".

Dat was waarschijnlijk het moment van de opstanding. De aarde beefde toen Jezus stierf en hij beefde opnieuw toen Hij uit de dood opstond. Gebeurde dit niet direct voorafgaand aan de komst van de vrouwen? Het woord ‘zie’ in zijn verschillend gebruik en vertaald uit verschillende Griekse woorden, betekent niet dat de vrouwen de gebeurtenis ook daadwerkelijk zagen. Het hoeft niet noodzakelijk een verslag te zijn van een ooggetuigenis. Het woord ‘zie’ lijkt veeleer gericht tot de lezer, alsof het wil zeggen ‘dit is wat er gebeurde’, zoiets als het scheppingsverhaal in Genesis, dat ook geen menselijke ooggetuigen had. De bewakers vertelden natuurlijk een ander verhaal, maar het is duidelijk dat de vrouwen, misschien na de gebeurtenis, de engel zagen toen hij tot hen sprak en hen het lege graf toonde.

De bewakers stonden doodsangsten uit, niet alleen door de aardbeving, maar ook door de verschijning van de engel die ook nog eens de steen wegrolde. Enkelen van hen rapporteerden het gebeuren aan de overpriesters, die voor overleg naar de oudsten gingen. Ze besloten het valse gerucht te verspreiden dat de discipelen van Jezus ‘s nachts zijn lichaam hadden gestolen. Hun ontmoeting kan dezelfde avond geweest zijn, of de volgende morgen.

Verzen 5 - 7: "Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is niet hier, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft. En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd".

De plaats Galilea is belangrijk. Als aanvulling op deze verwijzing lezen wij dat tegen de discipelen uitdrukkelijk was gezegd naar Galilea te gaan. Deze instructie werd gegeven door de engel in Marcus 16:7 en door Jezus zelf in Mattheüs 28:10. Jezus had hen al gezegd dat Hij na zijn opstanding naar Galilea zou gaan. Dit staat vermeldt in Marcus 14:28. In Marcus 16:7 herinnerde de engel hen daaraan. Het bevel om naar Galilea te gaan was daarom dringend en Mattheüs legt later verslag over Jezus’ ontmoeting met hen op de aangeduide plaats. Die ontmoeting heeft grote betekenis. Daar komen wij aan toe als we verdergaan.

Verzen 8 - 10: "En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten. En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem". Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien".

Oppervlakkige lezing maakt de indruk dat, terwijl de vrouwen zich voorthaastten, Jezus hen ergens onderweg tegemoet kwam. Maar de woorden ‘liepen haastig voort’ hebben een ietwat andere betekenis. Het woord ‘liepen’ is vertaald uit Str.Gr.4198, wat vertrekken betekent. Deze vertaling komt meermalen voor in het N.T. Een voorbeeld is te vinden in Mattheüs 11:7 waar staat: "Terwijl dezen heengingen, (Str.Gr.4198) begon Jezus tot de scharen te zeggen...". Er zijn verscheidene andere Griekse woorden ook vertaald met ‘liepen’. Het woord ‘tegemoetkomen’ kan ook een verkeerde indruk wekken. Zes verschillende Griekse woorden zijn vertaald met ‘tegemoetkomen’ in de Bijbel. Deze is Str.Gr.528 en betekent ‘staan tegenover’ (Bullinger). Dus moeten wij het als volgt zien: toen de twee Maria’s vertrokken, in antwoord op de instructie van de engel, stond Jezus daar en groette hen -nog steeds in de tuin- en nadat Hij met hen had gesproken, haastten zij zich om het goede nieuws te gaan vertellen.

Dit is een belangrijk gegeven met betrekking tot de gelijktijdigheid, wanneer wij het evangelie van Johannes gaan lezen.

Mattheüs maakt geen melding van de andere verschijningen op de eerste dag, hij heeft het evenmin over de ervaringen van de vrouwen de volgende ochtend. Hij praat ook niet over de hemelvaart. Hij is dus duidelijk gefocust op de ontmoeting in Galilea, waar hij over spreekt in de verzen 16 - 20. De betekenis van die ontmoeting wordt later behandeld.

Marcus 16

Vers 1: "En toen de Sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven".

Naar welke Sabbat wordt hier verwezen? Het moet de feest-Sabbat zijn, die van de Donderdag, omdat Lucas ons vertelt dat zij rustten op de wekelijkse Sabbat (Zaterdag) na de specerijen en mirre te hebben bereid. Ander bewijs is dat Ferrar Fenton, die blijft bij het meervoud van het woord Sabbat, waar het wordt gebruikt in verband met de opstanding van Jezus, deze in enkelvoud vertaalt. We hebben opgemerkt dat Strong in veel woorden geen onderscheid maakt tussen enkel- en meervoud.

De tekst betekent eenvoudig dat de vrouwen de specerijen kochten en bereidden na de feest-Sabbat en dat zij rustten op de Zaterdag-Sabbat.

Vers 2: "En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging". Terwijl de originele Griekse tekst het woord ‘dag’ niet heeft, de bijzin "toen de zon opging" laat zien dat de vertalers in dit geval voor de duidelijkheid het nodig vonden het woord ‘dag’ toe te voegen. Het woord ‘zij’ echter vereist enig nadenken. Wordt hier niet de hele groep vrouwen bedoeld, meegeteld degenen die hierboven zijn genoemd? Er wordt gezegd dat deze drie twee dagen eerder de specerijen hadden gekocht.

Lucas noemt er drie bij name, terwijl hij eraan toevoegt ‘en vele andere vrouwen met hen’. Wij weten niet hoeveel het er waren, maar we weten wel dat Maria Magdalena de leidende figuur was en dat drie van de vier evangelieverhalen bevestigen dat Jezus het eerst aan haar verscheen. Die verschijning, weten we nu, vond plaats de avond tevoren. Ze was duidelijk niet in staat daarna, gedurende de nacht, enkele vrouwen te informeren over haar ervaring, laat staan allen. We weten ook niet waar ze allemaal verbleven. Ze kunnen uit verschillende richtingen gekomen zijn en op verschillende tijden. Het is echter zeer waarschijnlijk dat ze elkaar hebben ontmoet bij het graf, zoals was afgesproken, vroeg in de morgen, ongeacht wat zij hadden gezien of gehoord de avond tevoren. Het is ook mogelijk dat Maria Magdalena wat later dan de anderen op het toneel verscheen. Hoe dan ook, het woord ‘zij’ is zeker gerechtvaardigd.

Verzen 3 - 8: "En zij zeiden tot elkander: wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf? En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot. En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar. Hij zeide tot haar: Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie, de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Maar gaat heen, zegt zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft. En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd".

Hier zien we weer de opdracht naar Galilea te gaan. De vrouwen worden eenvoudig aangesproken met ‘zij’, en aan Maria Magdalena is hier niet de gebruikelijke aandacht besteed. Zij had natuurlijk de Heer al gezien. En ook merken we op dat hier niet wordt gesproken over een verschijning in de morgen van Jezus aan de vrouwen. Tot zover gaat het verhaal over de ervaringen van de vrouwen op die morgen en het is niet strijdig met het evangelie van Mattheüs. Marcus gaat dan verder met een korte samenvatting:

Verzen 9 - 11: "Toen Hij des morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had. Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem geweest waren, die treurden en weenden. En toen zij hoorden dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet".

Die zin: "Toen Hij des morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was", lijkt het meest solide bewijs voor een opstanding op Zondag. ‘Opgestaan was’ is echter in de verleden tijd geplaatst. De FF Bible vertaalt met ‘is verrezen’. De RS Bible geeft een vertaling in de marge als volgt: ‘is verrezen aan het eind van de Sabbat’. Laten we dit vers eens nader bekijken:

- Het woord ‘dag’ staat niet in het origineel. De KJV drukt het woord cursief om te laten zien dat het niet in het origineel voorkomt. En Strong bevestigt dat.

- Het woord ‘week’ is ‘Sabaton’ in het Grieks. In het N.T. is het vijftig keer vertaald met ‘Sabbat’(dag) en slechts negen keer met ‘week’. Sommige van de negen gevallen kunnen op beide manieren worden gelezen. In het O.T. zijn ‘sabbat’ en ‘week’ twee verschillende woorden. Uit de RS Bible kan men opmaken dat de vertaling van ‘ton Sabaton’ zoals in dit vers in meervoud is.

- Het woord ‘eerste’ is ‘protos’ in het Grieks. In de KJV zijn acht gevallen in het N.T. waar de woorden ‘eerste dag’ verschijnen. Het woord ‘eerste’ is in zeven van hen ‘mia’, maar in dit geval is het ‘protos’. Waarom? Wat betekent ‘protos’? Het betekent ‘voorste’ (in tijd, plaats, orde of belangrijkheid) en is twaalf keer vertaald met ‘hoofd’ of ‘voornaamste’.

Wij zouden daarom het vers als volgt kunnen vertalen: "...was opgestaan op de belangrijkste van de Sabbatten" en dat is precies wat het geweest zou zijn in de chronologie van de eeuwigheid.

We zitten nu nog met één problematisch woord ‘vroeg’. Het Griekse woord ‘proi’ wordt soms vertaald met ‘vroeg’ en soms met ‘morgen’, zoals met zes andere Griekse woorden. ‘Vroeg’ kan echter betekenen het begin van een zekere tijd en de opstanding van Jezus Christus was het begin van een eeuwige dispensatie, met als middelpunt de onsterfelijke Mensenzoon. Dus, ver van problematisch, is het woord ‘vroeg’ heel toepasselijk en daarvoor bestemd. Ik vind het veelbetekenend dat, in de lijn van deze voorgestelde gelijktijdigheid, het woord ‘morgen’ niet voorkomt in Mattheüs 28:1, Marcus 16:9 of Johannes 20:1, terwijl Marcus 16:2 en Lucas 24:1 correct zeggen: "En zeer vroeg....toen de zon opging....vroeg in de morgenstond". Het is interessant dat in zijn korte overzicht Marcus te kennen geeft dat Jezus als eerste aan Maria Magdalena verscheen, toch spreekt hij hier niet over in zijn verhaal over de ervaringen van de vrouwen op Zondagmorgen. Dat is natuurlijk logisch omdat het geen deel uitmaakt van dat verhaal, zij had Hem de vorige avond gezien.

We lezen in vers 11 dat degenen aan wie Maria vertelde dat zij Jezus had gezien haar eenvoudig niet geloofden. Daarom bestrafte Jezus hen zo streng. Dit ongeloof maakt ook deel uit van de verklaring over de vergeefse zalvingsexpeditie en achter Maria Magdalena aanlopen op de Zondagmorgen, omdat niemand haar geloofde.

Verzen 12 - 13: "Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen op de weg, terwijl zij zich naar het land begaven. En ook die gingen heen om het aan de anderen te berichten. En ook die geloofden zij niet".

Marcus bevestigt hier het Emmaüs-verhaal wat zo mooi gedetailleerd wordt opgeschreven door Lucas. De woorden ‘de anderen’ suggereren dat zij een groot aantal mensen tegenkwamen die zij van het wonder vertelden, zoals ze in hun opwinding zeker zullen hebben gedaan, maar ook hier ontmoetten ze ongeloof. Maar, zegt Lucas, bij de elven werden zij goed ontvangen, die hun meteen antwoordden met het nieuws dat Jezus aan Petrus was verschenen. Het lijkt erop dat zij eerder geneigd waren Petrus te geloven, of was het zo dat zij nu twee onafhankelijke getuigen hadden. Een ingeworteld principe in Israël.

Vers 14: "Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was".

Deze verschijning van Jezus aan de bijeengekomen apostelen vond plaats voor de zonsondergang op Zondag, omdat Johannes zegt: "Toen het dan avond was op die eerste dag der week..." Johannes 20:19

Dat beëindigde de verschijningen van Jezus op de eerste dag. Zijn volgende verschijning was acht dagen later. Deze leemte is heel betekenisvol. Daar komen we later op terug.

Marcus vertelt van Jezus’ boodschap, die een opdracht inhield voor de apostelen. Het was waarschijnlijk een samenvatting van alle dingen die Hij hun opdroeg voor de daarop volgende veertig dagen.

Verzen 19 - 20: "De Here Jezus dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft zich gezet aan de rechterhand Gods. Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden".

We zullen later meer zeggen over de hemelvaart van Jezus. Hier lijkt het alsof Hij direct nadat hij tot zijn discipelen had gesproken, naar de hemel ging. Echter, het zitten aan de rechterhand van God en de prediking die erop volgde, behoren tot zijn hemelvaart vanaf de Olijfberg, veertig dagen later.

Marcus verdichtte klaarblijkelijk de geschiedenis en had het niet over de gebeurtenissen in Galilea. Zijn aandacht was anders gericht.

Lucas 24

Verzen 1 - 3: "En op de Sabbat rustten zij naar het gebod, maar op de eerste dag der week gingen zij reeds vroeg in de morgenstond met de specerijen, die zij gereed gemaakt hadden naar het graf. Zij vonden de steen van het graf afgewenteld, en toen zij er ingegaan waren, vonden zij het lichaam van de Here Jezus niet".

Ook al voorziet het originele Grieks niet in het woord ‘dag’, dit is wel wat de tekst aanduidt en dus hetzelfde is als in het verhaal van Marcus.

Het woord ‘zij’ is ook hier belangrijk. Lucas 23:55 begint met hen als "...de vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren". Vers 56 zegt: "...en toen zij teruggekeerd waren (van Jezus’ begrafenis) maakten zij specerijen en mirre gereed". Nu is het ‘zij’ die naar het graf kwamen, vroeg op de Zondagmorgen. Lucas 24:10 verschaft enkele details over hun identiteit. "Dit waren dan Maria van Magdala, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus. En de anderen, die met haar waren,..". Het zegt niets over de ontmoeting van Maria Magdalena met Jezus van de vorige avond. Ondanks het feit dat er niets wordt gezegd over deze groep vrouwen die de Heer op die Zondagmorgen zagen, net zo goed als er geen verslag van hen is dat zij Hem hadden gezien in het verhaal van Marcus, hechten we geloof aan Mattheüs en, zoals we zullen zien, aan Johannes, die ook laat zien dat die gebeurtenis op de Zaterdagavond plaatsvond. Wisten de vrouwen niets van Maria’s ervaring, of kwam zij later in beeld, of hield ze haar mond erover omdat niemand haar geloofde? Ook al wordt haar naam het eerst genoemd, noch Marcus, noch Lucas geven haar een bijzondere voorrang in de aktiviteiten op de Zondagmorgen. Hiermee staat in scherp contrast dat zij het aandachtspunt was in Mattheüs’ en Johannes’ verklaring van de Zaterdagavond.

Verzen 4 - 11: "En het geschiedde, terwijl zij daarover in verlegenheid waren, dat, zie, twee mannen in een blinkend gewaad bij haar stonden. En toen zij zeer verschrikt werden en haar aangezicht ter aarde neigden, zeiden dezen tot haar: Wat zoekt gij de levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Herinnert u, hoe Hij, toen Hij nog in Galilea was, tot u gesproken heeft, zeggend, dat de Zoon des mensen moest overgeleverd worden in de handen van zondige mensen en gekruisigd worden en ten derden dage opstaan. En zij herinnerden zich zijn woorden, en teruggekeerd van het graf, boodschapten zij dit alles aan de elven en aan al de anderen. Dit waren dan Maria van Magdala, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus. En de anderen, die met haar waren, zeiden dit aan de apostelen. En de woorden schenen hun zotteklap en zij geloofden haar niet".

We constateren dat deze vrouwen de engel, die aan de rechterkant zat, niet zagen, zoals dat wel het geval is in Marcus. Zij zagen slechts het lege graf en toen stonden er plotseling twee engelen. Engelen verschijnen en verdwijnen. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de vrouwen die het eerst aankwamen de zittende engel zagen en degenen die volgden niet. Terwijl de vrouwen daar ‘onthutst’ stonden en zonder twijfel ernstig in gesprek met elkaar, verschenen ineens de engelen voor hen. Marcus die over één engel spreekt, spreekt niet over de twee. En Lucas die de twee op het oog heeft, zegt niets over de ene engel die in het graf werd gezien. Het is mogelijk dat slechts één engel het woord deed. Zonder meer details is het niet mogelijk tegenstrijdigheid te bewijzen.

Hier zien we weer ondersteuning van het feit dat het getuigenis van deze vrouwen niet werd aanvaard. In Marcus 16:8 lezen wij dat de vrouwen tegen niemand iets zeiden ‘omdat zij bang waren’, ondanks het bevel van de engel met de boodschap naar de discipelen te gaan. Het zwijgen van de vrouwen kan een eerste reactie zijn geweest, waarna zij zich herstelden en de boodschap doorgaven. Echter, dezelfde Marcus zegt in vers 10 dat Maria Magdalena naar de discipelen ging en hun vertelde dat zij de Heer had gezien en dat zij het niet geloofden, maar dat betrof haar ervaring van de avond tevoren.

Vers 12: "Doch Petrus stond op en liep snel naar het graf. En toen hij zich bukte, zag hij alleen de windsels. En hij ging weg, bij zichzelf verbaasd over wat er mocht gebeurd zijn".

Is dit hetzelfde verhaal, opgeschreven door Johannes, toen hij en Petrus naar het graf renden? Ik denk het niet. Dat rennen was alleen in reactie op Maria Magdalena’s bericht dat zij het graf leeg had gevonden en dacht dat iemand het lichaam had gestolen. En het waren twee apostelen die hier renden en dat gebeurde laat in de avond, ongeveer twaalf uur vroeger. Dit rennen deed Petrus alleen, in reactie op het bericht van de vrouwen die de engelen ontmoetten en hun boodschap betreffende Jezus’ opstanding; de kroon op deze mededeling was dat Maria Magdalena Hem feitelijk had gezien. Geen wonder dat Petrus zich haastte. Het graf was maar een kilometer ver als hij zich bij Marcus of Johannes bevond. Later zullen we lezen dat de apostelen diezelfde dag verklaarden, dat Jezus aan Petrus was verschenen. Dit wordt bevestigd door Paulus. Corinthiërs 15:5

We mogen wel veronderstellen dat Jezus aan hem verscheen toen hij alleen op pad was. De Schrift zwijgt hierover.

Verzen 13 - 49: Lucas vertelt ons het prachtige verhaal van de twee Emmaüsgangers op de Zondagmorgen. De ene heette Cleopas, de naam van de ander wordt niet genoemd. John Wenham in zijn uitstekende boek ‘Easter Enigma’ veronderstelt dat de andere man Lucas zelf was. De reden om dit te denken is, dat Emmaüs Lucas’ woonplaats was en dat kan ook de reden zijn dat Lucas het verhaal zo gedetailleerd vertelt. Toen deze twee mannen zich realiseerden dat het Jezus was die bij hun was geweest, gingen zij in aller ijl terug naar Jeruzalem om het de apostelen te vertellen. Ze moeten hen kort voor zonsondergang bereikt hebben, omdat Johannes zegt dat Jezus verscheen aan de verzamelde apostelen ‘op dezelfde dag, de eerste dag van de week’. Een afdoend antwoord op het feit dat het was voor zonsondergang.

De twee mannen van Emmaüs arriveerden bij een groep opgewonden apostelen, die hun meteen vertelden dat Jezus aan Petrus was verschenen, waarop de twee van Emmaüs hun relaas deden. En terwijl zij aan het praten waren, stond Jezus in hun midden. Ze schrokken zich wezenloos en dachten dat Hij een geest was. Jezus toonde hun daarop zijn handen en voeten en zei: "...betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb". Omdat het nog steeds niet tot hun wilde doordringen, vroeg hij hun Hem iets te eten te geven. Dit is een zeer belangrijk feit met betrekking tot onze opstanding, wanneer wij dezelfde lichamen krijgen als Jezus’ eigen glansrijke en stralende lichaam en burgers zijn van zijn Koninkrijk op deze aarde.

Lucas vat dan zijn verhaal samen door een opsomming te geven van de leringen en opdrachten die Jezus aan zijn discipelen gaf.

Verzen 50 - 53: "En Hij leidde hen naar buiten tot bij Bethanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen. En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde. En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God".

Lucas vertelt ons niets over de andere verschijningen van Jezus, maar als auteur van ‘De Handelingen der Apostelen’ gaat hij verder met te zeggen: "...aan wie Hij zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft". Dus de hemelvaart die hij in Handelingen beschrijft is dezelfde die hij beschrijft in zijn evangelie. Veertig dagen lang na Jezus’ opstanding; maar de hemelvaart in Handelingen vond plaats vanaf de Olijfberg, terwijl die hierboven beschreven bij Bethanië plaatsvond. De frase "naar buiten tot bij Bethanië" moet gelezen worden ‘in de richting van Bethanië’, volgens Scofield, of ‘tegenover Bethanië’, volgens Bullinger. Bethanië lag ten oosten van Jeruzalem, aan de andere kant van de Olijfberg. Als zij over de top gingen, tegenover Bethanië, zou het goed te zien zijn geweest, want het lag heel dichtbij. Dus lezen we in Handelingen dat nadat Jezus was opgevaren, zij van de Olijfberg terugkeerden naar Jeruzalem.

Het is opmerkelijk dat, plotseling en onmiddellijk volgend op de hemelvaart, er twee engelen verschenen die tot hen spraken, net als de twee engelen bij het graf.

Johannes 20

Vers 1: "En op de eerste dag der week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen".

Ook hier weer komt het woord ‘dag’ in het origineel niet voor. Er staat ‘Mia ton Sabbaton", hetgeen betekent ‘Een van de Sabbatten’, volgens de RS-Bible, die eraan toevoegt: ‘rond zonsondergang’. Dat zou kloppen met Mattheüs’ verhaal. Maar wat wordt er bedoeld met die twee woorden ‘nog donker’? Dat doet meteen denken aan de duisternis voor zonsopgang. Dat woord ‘donker’ is Str.Gr.4653. Er is slechts één woord in Str.Gr.4653 vertaald met ‘donker’ en dat is in Johannes 6:17 toen de discipelen in een boot waren en de zon onderging. Dat betekende het ‘donker’ vlak voor zonsondergang, wat in enkele Bijbels wordt vertaald met ‘schemerdonker’ of ‘schemering’. Het Griekse woord betekent ‘schemerig’. Op andere plaatsen in de Bijbel wordt ‘donker’ vertaald vanuit andere Griekse woorden. En hoe zit het met het woordje ‘nog’? in Str.Gr.2089. Er zijn verscheidene andere Griekse woorden vertaald met ‘nog’, maar we kunnen zien dat dit woord zelf verschillende betekenissen heeft, met inbegrip van ‘nadat’ en ‘van nu af, voortaan’ en men kan dus zeggen dat het donker werd toen Maria daar was. De FF-Bible gebruikt het woord ‘schemerdonker’.

Op dit ogenblik zag Maria alleen dat de steen was verwijderd, waardoor zij onmiddellijk concludeerde dat het lichaam van Jezus was weggehaald. Johannes vertelt niet dat zij toen een engel zag. Is dat in tegenspraak met Mattheüs? Johannes vertelt ons wel dat Maria, bij haar terugkeer naar het graf, twee engelen zag. Dat zou de ontmoeting met de engelen kunnen zijn waarover wordt gesproken in Mattheüs, niet noodzakelijk het moment dat de engel op de steen zat, maar het kon zijn geweest het moment dat de engel de vrouwen liet zien waar het lichaam van Jezus had gelegen. Eén engel of twee engelen vormt niet noodzakelijk een discrepantie. Al zouden er twee geweest zijn, het is te verwachten dat één het woord voerde. Wat de engel zei is door Mattheüs duidelijk uitgebreider gerapporteerd. Johannes focuste op iets heel belangrijks wat Jezus had gezegd.

Vers 2: "IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij de andere discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd".

Maria kwam niet met een boodschap van de engel, zij sprak alleen over het lege graf. Het gebruik van het woord ‘wij’ suggereert dat zij niet alleen was. Mattheüs vertelt ons dat zij in gezelschap was van ‘de andere Maria’. De andere Maria moet op de achtergrond gebleven zijn, maar was besloten in de ‘zij’ in Mattheüs’ versie.

Johannes schreef dit evangelie en we merken op hoe bescheiden hij verwijst naar zichzelf in de derde persoon als ‘de andere discipel die Jezus liefhad’. Hoevelen van ons mogen ook discipelen zijn die Jezus liefheeft?

Verzen 3 - 8: "Petrus dan ging op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf; en die twee liepen samen snel voort; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst aan het graf, en zich voorover buigende, zag hij de linnen windsels liggen; hij ging echter niet naar binnen. Simon Petrus dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels liggen, maar de zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats". Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf gekomen was, naar binnen; en hij zag het en geloofde"...

Als deze discipelen in het huis van of Johannes of Marcus waren, was de afstand die zij liepen een kilometer. Dit helder en gedetailleerd verhaal door Johanes zelf opgetekend, hield ook zijn eigen persoonlijke ervaring in en hij zegt dat hij geloofde op het moment dat hij de windsels en hoofddoek zag liggen. Het was het bewijs van een bovennatuurlijke opstanding. Als het lichaam gestolen was dan zou het met kleren en al gedaan zijn. Misschien is dat de reden waarom de Schrift zoveel aandacht vestigt op die details.

Verzen 9 - 10: "...want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. De discipelen gingen dan weder naar huis".

Jezus had het hun duidelijk gezegd, maar dat was niet ‘de Schrift’ waarnaar hier wordt verwezen. Maar, volgend op zijn opstanding, legde Hij hun uit. Zoals Lucas schreef: "Toen opende Hij hun verstand, dat zij de Schriften begrepen". Lucas 24:45

Verzen 11 - 15: "En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here hebben weggenomen en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende dat het de hovenier was, en zij zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neegelegd en ik zal Hem wegnemen".

In dit gesprek van Maria gebruikt zij, met betrekking tot zichzelf, het woordje ‘ik’. Dat betekent dat haar metgezel, die wij kennen als ‘de andere Maria’, op de achtergrond gebleven moet zijn. Maria weende hier en de Schrift richt zich op dit feit. Is het niet betekenisvol dat deze vrouw, uit wie Jezus ‘zeven duivels uitgeworpen’ had en die klaarblijkelijk zeer liefhad, in een staat verkeerde van onuitsprekelijk verdriet op het moment toen die droefheid veranderd werd in onuitsprekelijke vreugde? Daar, vóór haar, stond de verrezen Christus! En ze was zó bevoorrecht dat zij de eerste was die Hem zag. Dit verhaal is zo mooi en het kwam op Johannes neer om de aandacht erop te vestigen. Geen wonder dat hij de andere details van het gesprek met de engelen niet vermeldt, die eer viel Mattheüs te beurt. Dit treffen tussen Jezus en Maria is gelijk aan Str.Gr.528, gebruikt in Mattheüs 28:9 en vertaald met ‘tegemoet komen’.

Verzen 16 - 17: "Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester! Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God".

Dit is met zekerheid de aankondiging van een aanstaande hemelvaart! Denkt u dat Jezus zo’n opdracht met betrekking tot zijn hemelvaart veertig dagen later zou hebben gegeven? Tussen nu en toen waren er, volgens de Schrift, nog verschillende gelegenheden dat Jezus zijn discipelen zou ontmoeten, hen leren, met hen spreken over ‘de dingen aangaande het Koninkrijk van God’. Er was nu geen noodzaak voor Maria naar de discipelen te rennen en ze te vertellen over die hemelvaart. Nee, er was een zeer belangrijke opdracht die een ophanden zijnde hemelvaart noodzakelijk maakte, waarover we straks zullen spreken. Johannes de apostel wiens evangelie zich richtte op het portretteren van de Godheid van Jezus, was degene die uitgekozen was dat cruciale feit te beschrijven.

Vers 18: "Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen dat zij de Here had gezien en dat Hij haar dit gezegd had".

Die terugkeer van Maria moet in de schemering geweest zijn, of iets later. Ze kon mogelijk die avond ook niet velen gesproken hebben. En ze moet de volgende morgen vroeg opgestaan zijn om de rest van de groep vrouwen te ontmoeten, die haar voorgegaan waren naar het graf met de specerijen.

Verzen 19 - 23: "Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u! En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here zagen. Jezus dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend".

Het gebruik van het woord ‘dag’ in vers 19 is vertaald in het origineel als Str.Gr.2250 en dus was deze ontmoeting op de eerste dag van de week, voor zonsondergang. Vers 23 lijkt de afsluiting te markeren van de communicatie van Christus met zijn discipelen. Is dat misschien niet toen Hij in het geheim opvoer? Het was nog steeds de eerste dag van de week en zoals we zullen zien, is die veronderstelling heel betekenisvol. Vers 26 opent met de woorden: "En na acht dagen...". Was Jezus de hele week afwezig na die verschijning aan zijn discipelen op de eerste dag? Ook hier ligt een grote betekenis aan ten grondslag.

Johannes gaat verder met nog twee andere verschijningen van Jezus te beschrijven, maar hij zegt in vers 30/31: "Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam".

Uit deze woorden kunnen wij afleiden dat door de elke evangelieschrijver, om vanuit zijn hoek het geheel te belichten, slechts uitgekozen delen van de geschiedenis werden opgeschreven. De kwestie van uitsluiting vormt geen tegenspraak. Johannes schreef zelfs dat, wanneer alles wat Jezus gedaan heeft zou zijn opgeschreven, de wereld zelf de boeken niet zou kunnen bevatten. Johannes 21:25

Er is nog een ander rapport over een verschijning van Jezus op de eerste dag en dat was aan Jozef van Arimathea. Het is te vinden in buitenbijbelse literatuur, namelijk in het evangelie van Nicodemus. De Bijbel verwijst dikwijls naar buitenbijbelse literatuur en suggereert hiermee dat het belangrijk is daar kennis van te nemen. Deze verschijning aan Jozef van Arimathea is het noemen waard.

Jozef van Arimathea

De Bijbel vertelt ons dat Jozef van Arimathea, een rijke man, discipel van Jezus was en dat hij wachtte op het Koninkrijk van God. Een goede en rechtvaardige raadgever in het Sanhedrin, die niet toestemde in de veroordeling van Jezus. Mattheüs 27:57, Marcus 15:43, Lucas 23:51, Johannes 19:38

Paulus, in zijn brief aan de Romeinen, beschrijft hem als een eerbiedwaardige en rijke scheepsmagnaat die de zeeën bevoer en handel dreef in mineralen. De apocriefen zeggen dat hij de oom was van Maria en dus oudoom van Jezus. Hij had de verantwoording voor zijn familie op zich genomen en was een fel verdediger van Jezus’zaak tijdens het proces. Uit de Bijbel weten wij dat hij vrijpostig het lichaam van Jezus van Pilatus opeiste, het in linnen wikkelde en in zijn eigen rotsgraf legde.

Nicodemus vertelt ons in zijn evangelie, dat de Joodse leiders woedend waren op Jozef en plannen smeedden hem te doden. Omdat het Sabbat was konden zij dat niet meteen doen, dus arresteerden zij hem, gooiden hem in de gevangenis, verzegelden het slot en plaatsten twee bewakers voor de deur. Na Jezus’ opstanding, toen ze Jozef wilden ophalen, vonden ze de gevangenis leeg, maar het zegel nog intact. Eerst na de hemelvaart van Jezus ontdekten zij dat Jozef in zijn woonplaats Arimathea was. Na zo’n tijd waren de humeuren een beetje bekoeld en de priesters verlangden achter de waarheid te komen. Jozef vertelde hun toen dat midden in de nacht Jezus, die hij niet meteen herkende, hem wakker maakte, zijn gezicht verfriste en hem kuste. Jezus leidde hem daarop uit de gevangenis en nam hem mee naar het graf, waar Hij hem de opgevouwen doeken liet zien. Hoe hoffelijk en vriendelijk handelde Jezus met de oude man, die uit medelijden en respect het mishandelde lichaam in zijn eigen graf had gelegd! Op dat moment had Jozef zekerheid dat het Jezus zelf was. Jezus bracht hem naar zijn huis in Arimathea en zei hem de volgende veertig dagen binnen te blijven en dat Hijzelf terug moest naar de andere discipelen. Dit prachtige verhaal is in harmonie met de bijbelvertellingen. Het bevestigt ook dat Maria Magdalena, die als eerste Jezus ontmoette, Hem zag vóór zijn middernachtelijke verschijning aan Jozef en niet de volgende morgen. De vroege kerkgeschiedenis vertelt ons over de belangrijke rol die Jozef van Arimathea nadien speelde in het planten van het christelijk geloof, ver van de kusten van het Heilige Land.

Nu we de overeenstemming in tijd in de evangelieverhalen hebben gezien, laten we ons dan nu wenden tot enkele zaken elders in de Bijbel die erop van toepassing zijn.

Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt

Deze woorden zijn te vinden in Psalm 2:7, Handeling 13:33, Hebreeën 1:5 en 5:5. Behalve in deze verwijzingen wordt Jezus zeven keer genoemd ‘de enige verwekte Zoon’.

De eerste vermelding van die woorden wordt voorafgegaan door het plechtige: "Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt". Wanneer was dit ‘heden’?

In Handelingen 13:32,33 zegt Paulus: "...dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij, Ik heb u heden verwekt". Klaarblijkelijk was dit ‘heden’ de dag van Jezus’ opstanding. Dat is de dag dat Hij uit God geboren werd. Maar wanneer en waar nam God dit besluit? Wanneer gebeurde het dat "God sprak tot Mij"? We komen op dit punt nog terug.

Natuurlijk weten wij dat de Zoon van God bestond in eeuwigheid, want alle dingen waren door Hem gemaakt. Johannes 1:1-3

Maar op de dag dat Hij het menselijk vlees aannam en in Bethlehem werd geboren, werd Hij de Mensenzoon. Door zijn eigen woorden is het duidelijk dat Hij die titel voor altijd zou dragen. Echter op de dag van zijn opstanding kreeg Hij onsterfelijkheid en werd de onsterfelijke, eeuwige, Mensenzoon cum Zoon van God. Daarom behoort het besluit, genoemd in Psalm 2, tot die dag.

Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek

Deze woorden zijn te vinden in Psalm 110:4, Hebreeën 5:6,10; 6:20; 7:1,10,11,15,17,21.

Psalm 110 begint met de woorden: "Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Here", en dan staat er in vers 4: "De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek". In dit geval wordt ‘heden’ niet vermeld. "Gij zijt" wordt herhaaldelijk gebruikt, dus moeten wij het priesterschap van Jezus nader bestuderen.

Johannes de Doper was de voorbode van Jezus. Hij introduceerde deze compleet nieuwe dispensatie, met de doop van de berouwhebbende. Hij stuurde ze niet terug naar de tempel om de toepasselijke Mozaïsche offeranden te doen. Nee, deze doop omarmde alles in één enkele nieuwe handeling. Het bekende woord ‘offer’ in de Wet, verwees naar het ene volmaakte offer, het lam van god. En nu was Hij gekomen. Wat zoveel eeuwen van tevoren was aangekondigd, was hier. Dít lam moest de offerdood sterven, begraven worden en weer opstaan. Dat is precies wat de doop betekent en degenen die zich laten dopen identificeren zich met deze eens en voor al volmaakte handeling. Zoals Paulus schreef naar de christenen in Rome: "Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen". Romeinen 6:3-4

Colossenzen 2:12 geeft te lezen: "...daar gij met Hem begraven zijt in de doop, in Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt".

Dus als Johannes doopte, voerde hij de nieuwe regeling uit van het ambt van de hogepriester van Israël. Hij had volledig recht op die post omdat hij de zoon was van Zacharias, een Aäronitische priester, ‘die behoorde tot de afdeling van Abia’, zijn moeder was ‘uit de dochters van Aäron’. Lucas 1:4

In contrast daarmee waren Annas en Caiafas van twijfelachtige familiebetrekkingen en waren tot het ambt geroepen met twijfelachtige middelen. Johannes de Doper echter was door God geroepen en zijn geboorte was aangekondigd door de aartsengel Gabriël, net als de geboorte van Jezus. En eveneens was zijn bediening voorzegd door de profeten. Aan Johannes viel de grote eer te beurt de Messias aan te kondigen: Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". Johannes 1:29

Johannes doopte Jezus en Jezus werd gezalfd toen de Heilige Geest op Hem neerdaalde en de stem uit de hemel bekendmaakte: "Gij zijt mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen". Lucas 3:22

Vanaf dat ogenblik werd Johannes’ bediening overgenomen door Jezus en er staat geschreven "dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes". Johannes 4:1

Als Johannes een priester was, betekent dat dan niet dat Jezus ook een priester was? Natuurlijk was Hij dat. Hij voerde een priesterlijke taak uit, waarmee Hij begon op dertigjarige leeftijd, net als alle priesters, maar bovendien Hij was gezalfd. Er is echter een belangrijk punt van verschil, Jezus was uit de stam van Juda, biologisch en rechtsgeldig. Hier komt de orde van Melchizedek in zicht. Melchizedek was Koning en Priester tegelijk. Hij was ‘de Koning van Salem’ en ‘Priester van god, de allerhoogste’ (Genesis 14:18). De profeet Zacharias voorzegde dit detail betreffende "de man, wiens naam is Spruit (Christus). Hij zei dat: "Hij als heerser zal zitten op zijn troon, en Hij zal priester zijn op zijn troon" (Zacharia 6:12,13). Dat is het verschil. De Aäronitische priesters waren alleen priester. Het deel van hun roeping als uitvoerder van al die offerwetten was nu vervuld en Johannes kondigde een nieuw tijdperk aan. Het is de doop om ons te vereenzelvigen met Christus’ dood en opstanding, en de gemeenschap van brood en wijn om ons te herinneren aan zijn lichaam wat voor ons verbroken is en zijn bloed dat gestort is voor de kwijtschelding van onze zonden. Dat doet ons weer denken aan Melchizedek die aan Abraham brood en wijn bracht.

Maar, vragen we ons af, hoe staat het dan met Gods eeuwige beloften aan Aäron en zijn nakomelingen? Zijn die niet meer geldig na dit keerpunt in de gebeurtenissen? Het is alleen het ambt van de hogepriester dat veranderde in de Priester-Koning status. Onder Hem is Israël nog altijd voorbeschikt een ‘koninkrijk te zijn van priesters en een heilige natie’ (Exodus 19:6) en de nakomelingen van Aäron zullen er zeker een belangrijk deel van uitmaken. In de apocriefe literatuur, namelijk het Testament van de Patriarchen, wordt benadrukt dat de Messias zou komen uit de stammen van Juda en Levi en dat in Hem het ambt van Priester en Koning te zamen zal worden gebracht. Is dat in tegenspraak met het evangelie? De Bijbel geeft ons een interessant detail. Elisabeth, de moeder van Johannes de Doper en ‘dochter van Aäron’ was een nicht van Maria, de moeder van Jezus (Lucas 1:36). Dat betekent dat zij dezelfde grootouders hadden en dat betekent ook dat Maria deels Aäronitisch en deels Davidisch bloed had. Jezus’ biologische erfenis was uitsluitend van Maria, dus voor de helft van Aäron en voor de helft van David, zelfs al was Jezus wettelijk een Zoon van David. Op deze manier heeft God zijn belofte aan Aäron gehouden.

Toen Jezus zichzelf ten offer gaf, deed Hij dit als de Hogepriester van Israël.

Een interessant feit is neergelegd in Mattheüs 26:65, namelijk dat de hogepriester, toen hij Jezus beschuldigde van godslastering ‘zijn klederen scheurde’ (volgens Bullinger zijn ‘ambtsgewaad’). Dat was verboden (Leviticus 10:6) volgens een messiaans-Joodse predikant. Hij zei dat de doodstraf erop stond, want het betekende diskwalificatie van het priesterschap. Het halsboord, zei hij, was speciaal versterkt om beschadiging te voorkomen. Exodus 28:32, 39:23

Dit gebaar van de hogepriester bij het proces van Jezus betekende, dat hij vanaf dat moment niet meer bevoegd was zijn dienst uit te voeren tijdens de offerandes van het Pascha de volgende dag. Jezus, het echte Paaslam, offerde echter zichzelf en zo eindigde de functie van het priesterschap van Caiafas. Op het moment dat Jezus stierf en de aarde beefde, scheurde het voorhangsel in de tempel doormidden, van boven tot beneden. Een heel belangrijke en veelzeggende gebeurtenis. Het was tot tweemaal toe voorzegd in ‘Het Testament van de Patriarchen’. De oude orde werd opgeheven en Jezus opende de weg naar de tegenwoordigheid van God. De tegenwoordigheid van God is het werkelijke Heilige der Heiligen. Dit deed Jezus in de functie van Hogepriester.

Nu rest nog de vraag, waar en wanneer zweerde God deze plechtige eed betreffende het eeuwige priesterschap van Jezus. Het ‘voor eeuwig’ aspect, lijkt het, begon op de dag van zijn opstanding. Wij komen hier nog op terug.

Zet u aan mijn rechterhand

In Psalm 110 lezen we: "Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten".

Dit Schriftgedeelte is aangehaald in Lucas 20:42, Handelingen 2:34,35 en Hebreeën 1:13. Tijdens zijn proces antwoordde Jezus zelf de hogepriester: "...en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht, en komende met de wolken des hemels". Marcus 14:62

Dit voorval is ook te vinden in Lucas 22:69. Toen hij werd gestenigd, zag Stefanus daadwerkelijk ‘de glorie van God en Jezus staande aan Gods rechterhand’. "En hij zeide: "Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods". Handelingen 7:55,56

Betreffende Jezus’ hemelvaart zegt Marcus: "De Here Jezus dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft zich gezet aan de rechterhand Gods". Dit wordt bevestigd in de brief aan de Hebreeën 1:3, 8:1, 10:12, 12:2 en in I Petrus 3:22.

Net als mij, zal het u misschien zijn opgevallen dat, terwijl Stefanus werd gestenigd, hij Jezus zag staan, terwijl alle andere verwijzingen melding maken van Jezus die zit... Ik ben geroerd door het feit dat Jezus stond. "Kostbaar is in de ogen des Heren de dood van zijn gunstgenoten". Psalm 116:15

In zijn brief aan de gemeente in Rome schreef Paulus (Romeinen 8:34) over Christus, aan de rechthand van God, die voorspraak voor ons doet. In Efeziërs 1:20 spreekt hij over Christus, aan de rechterhand van God, aan Wie alle heerschappij is gegeven. In Colossenzen 3:1 schrijft Paulus ook over Christus aan de rechterhand van God. In Hebreeën 8:1 zien wij Jezus "gezeten ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens".

Een punt dat opvalt in de verschillende verwijzingen is het woord ‘totdat’. Terwijl er eeuwigheids-aspecten aan zijn autoriteit in de hemel zijn, de grote profetie van Lucas: "Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen", ligt nog in de toekomst. Luas 1:32,33

Het is de grote gebeurtenis die nog wacht op het ‘totdat’.

Wat het ‘zitten aan de rechterhand van God’ betreft komen we tot de vraag ‘wanneer’? De Schrift zegt duidelijk dat het gebeurde toen Hij ten hemel voer. Wij weten dat Jezus ten hemel voer veertig dagen na zijn opstanding, maar er zijn ook sterke aanwijzingen dat Hij ook opvoer op de eerste dag die volgde op zijn opstanding. Er waren belangrijke zaken af te wikkelen toen aan de rechterhand van God. Hier komen we nog op terug.

Het is belangrijk het feit te noemen dat de Bijbel dikwijls verwijst naar de rechterhand van God, speciaal in de Psalmen. Met zijn rechterhand redt, bevrijdt, leidt, handhaaft Hij, vernietigt de vijand en spant de hemelen uit, en nog heel wat andere handelingen en attributen worden toegeschreven aan de rechterhand van God. Valt het u niet op dat dit spreekt van de tijd vóór de vleeswording van de Zoon van God? Hij kwam van de rechterhand van God om in de menselijke familie geboren te worden. Na zijn overwinning op de dood keerde Hij terug naar de rechterhand van God, maar nu als de Mensenzoon.

Hij voerde krijgsgevangenen mee

KJV: He led captivity captive - Hij nam de gevangenis gevangen

Friese Vert.: ...hat er de finzenis finzen nommen - ...heeft Hij de gevangenis gevangen genomen

In Efeziërs 4:8-10 lezen wij: "Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere aardse gewesten? Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen". Vers 11 somt op wat Hij gaf.

Hier is een Schriftgedeelte dat diepzinnige betekenis heeft, maar op een of andere manier wordt dit in de Bijbel niet verder uitgewerkt. Die betekenis wordt nog vergroot door het feit dat het een aanhaling is uit een O.T.-profetie. Psalm 68:19 zegt: "Gij zijt opgevaren naar den hoge; Gij hebt gevangenen meegevoerd; Gij hebt gaven in ontvangst genomen onder (KJV: for) de mensen".

Wat wil het zeggen, ‘voerde krijgsgevangenen mee’ of ‘nam de gevangenis gevangen’? Misschien was het wel Gods bedoeling dat wij een beetje onderzoek zouden doen: ‘zoekt en gij zult vinden’.

Psalm 7:8 zegt: "Dan moge de vergadering der natiën U omringen, keer weder boven haar naar den hoge". Misschien kunnen wij aanwijzingen vinden in buitenbijbelse geschriften. De Bijbel verwijst dikwijls naar zulke literatuur.

De apostel Paulus citeerde, volgens zijn critici, zo dikwijls uit het ‘Testament van de Patriarchen’, dat het erop leek dat hij een kopie bij zich droeg. In deze oude literatuur vinden we veel Messiaanse profetieën. Onder de laatste woorden van Benjamin de volgende: "En Hij (de Messias) zal opvaren uit Hades en zal voorbijgaan vanaf de aarde de hemel in" (9:11).

Dan zegt: "En uit de gevangenis zal Hij van Belial (Satan) wegnemen de zielen der heiligen" (2:11).

Het ‘Evangelie van Nicodemus’ verwijst naar die zielen in Hades als gevangenen: "Wie zijt Gij (Messias) dat Gij de gevangenen bevrijdt?" (17:7).

Terugkerend naar onze Schrift in Psalm 68:19 merken wij op dat het voorgaande vers zegt: "Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, duizenden bij duizenden, De Here is van de Sinaï het heiligdom binnnengegaan".

(KJV: "The chariots of God are twenty thousand, even thousands of angels: the lord is among them, as in Sinai, in the holy place").

(Friese Vert: Gods weinen binne tsjientûzenen, tûzenkear tûzenen. De Heare is fen Sinaï kommen yn it hillichdom". Gods wagens zijn tienduizenden, duizendmaal duizenden, De Here is van Sinaï gekomen in het heiligdom").

De Companion Bible geeft de getallen als letterlijk: "Tweemaal tienduizend duizenden (wagens)" en "duizenden op duizenden (engelen)". Het woord vertaald met ‘engelen’ is Str.Hebr.8136. Het is het enige geval in de Bijbel waar ‘engelen’ is afgeleid van dat woord. Dat maakt het woord ‘engelen’ twijfelachtig. Sommige vertalingen zeggen eenvoudig ‘zij’. De Griekse Septuagint geeft aan: ‘de verheugden’.

Het is duidelijk dat dit de zielen zijn van de heiligen en Hij is te midden van hen, zoals Hij was bij de Sinaï. En lijken de ‘wagens’ niet op de ‘wagen’ die Elia vervoerde naar de hemel? Jezus begeleidde deze zielen en voer met hen naar de hemel, en wat een vreugde moet dat schouwspel hebben vergezeld!

Volgens de kanttekeningen in de Companion Bible leren de rabbi’s dat er drie verblijfplaatsen zijn waar de rechtvaardige doden naar toegaan. De eerste is ‘Abrahams schoot’, de tweede is ‘onder de troon der glorie’ en de derde is ‘de tuin van Eden’. In de gelijkenis van de rijke man en Lazarus, komen we aan de weet dat ‘sheol’, de woonplaats van de doden, twee afdelingen heeft die gescheiden zijn door een kloof. De afdeling waar de rechtvaardige doden naar toe gaan wordt Abrahams schoot genoemd en de andere is bestemd voor de goddelozen.

De grote waarheid van de tekst ‘voerde gevangenen mee’ vertelt ons dat Jezus afdaalde in Hades naar Abrahams schoot om de zielen van de rechtvaardige doden daaruit te leiden en hen met zich mee te nemen naar de hemel om daar met Hem te zijn en zijn glorie te aanschouwen, net zoals Hij dat aan de Vader had gevraagd voor Hij zich naar Getsemane begaf. Johannes 17:24

Dit betekent dat Abrahams schoot nu leeg is. Dat de rechtvaardige doden, Abraham en alle anderen uit Oud en Nieuw Testamentische tijden nu in de hemel zijn, de tweede plaats -volgens de lering van de rabbi’s- ‘onder de troon der glorie’. Zij wachten daar op de dag dat zij zullen herleven, hun opstandingsdag, wanneer zij weer compleet zullen zijn, naar lichaam, ziel en geest, volledig uitgeruste burgers van het Koninkrijk van de Messias op deze vernieuwde aarde, de tuin van Eden, de derde en laatste verblijfplaats.

Deze historische gebeurtenis, het uitleiden van de gevangen zielen van Hades naar de hemel, moet inderdaad een geweldige gebeurtenis geweest zijn. Het was echter niet zichtbaar voor vleselijke ogen. Het verhaal wordt ontroerend weergegeven in het ‘Evangelie van Nicodemus’. Twee onafhankelijke getuigen, godvrezende mannen, die uit hun graf waren opgestaan op het moment van Jezus’ opstanding, vertelden het. Waarom werden zij op dit moment opgewekt? En waarom vertelt de Bijbel ons van deze opwekkingen en dat die opgestane heiligen aan zoveel mensen in Jeruzalem verschenen?

Mattheüs 27:51-53

Het verhaal van de twee mannen is als volgt: "In de duisternis van Hades verscheen plotseling een gouden kleur als van de zon en een doordringend purperrood gekleurd licht dat de plaats verlichtte. Daarop zei Adam, de vader van de mensheid, die zich verheugde met alle patriarchen en profeten: Dat licht is de schepper van het eeuwigdurend licht, die beloofd heeft ook ons te veranderen in eeuwigdurend licht". Nicodemus 13:4-5

Hierna volgen vijf hoofdstukken van zeer interessante discussies tussen de heiligen, van redetwisten tussen de prins van Hades en Satan, en van de angst die over de vijand kwam toen de ‘Gloriekoning’ Jezus Christus zijn entree maakte. Psalm na psalm wordt aangehaald en profetie na profetie. Die woorden "Open de poorten opdat de Koning der Glorie kan binnengaan" en vele andere vinden hun perspectief in deze binnenkomst in Hades. Een complete studie zou kunnen worden gemaakt van alle relevante Schriftgedeelten, aangehaald in die bladzijden en dan zal men ontdekken dat het bezoek van Jezus aan de onderwereld, Bijbels gezien, een zeer prominente gebeurtenis was. Zelfs Petrus schreef: "Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach...". I Petrus 3:18-20

Nicodemus lezend, is het wel duidelijk dat er veel bekeringen plaatsvonden. Waarom zou Jezus anders gepreekt hebben?

Toen maakte Jezus zich hoffelijk aan zijn heiligen bekend. Hij ‘strekte zijn hand uit en zei: Komt tot Mij, al mijn heiligen, die werden geschapen naar mijn beeld..’ (Nicodemus 19:1) en een heel hoofdstuk aanbidding en verering volgt. Daarna leidde de Heer, terwijl Hij Adam bij de hand nam, hen uit en droeg hen over aan Michaël, de aartsengel, om hen verder te begeleiden.

Op dit moment moet Jezus teruggekeerd zijn in zijn lichaam om opgewekt te worden. Hij moet de uitverkoren kandidaten, die eveneens zouden worden opgewekt met zich meegenomen hebben als getuigen van de grote gebeurtenissen in Hades en het vertrek van de heiligen naar de hemel. Jezus moest spoedig volgen om al die zielen aan de Vader te tonen, vandaar zijn indringende woorden aan Maria Magdalena, die de eerste was die Hem na zijn opstanding zag.

Pilatus vertelt in zijn brief aan Caesar over verbazingwekkende gebeurtenissen die voorvielen in de nacht die volgde op Jezus’ opstanding. Hij had rapporten ontvangen over visioenen in de lucht van engelen en mensen, allemaal schitterend van licht. Van een ontelbare menigte die uitriep dat Jezus, die gekruisigd was, weer is opgestaan. Sommige Joden zeiden dat zij Abraham, Isaac en Jakob zagen en de twaalf patriarchen en Mozes en Job. Zij moeten toen in de zorg van Michaël zijn geweest, terwijl Jezus zich bezighield met belangrijke zaken op de eerste dag. Er was iets heel bijzonders aan die dag, al aangekondigd in de Wet. In Leviticus 23:10,11,12,15 lezen wij dat het volgende Pascha ‘op de dag na de Sabbat’ de hogepriester de eerste schoof van de oogst voor de heer moest bewegen. Het was een ‘beweegoffer’ van de eerstelingen. Daarna moesten ze zeven weken bijtellen wat hen zou brengen op de vijftigste dag volgend op de opstandings Sabbat en die vijftigste dag was Pinksteren. Tijd en voorschriften waren belangrijk en nauwkeurig. Daarom leest met zulke woorden als in Handelingen 2:1 "En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen te zamen bijeen...". Deze dingen waren aangekondigd in de feesten van Israël en ook in het ontwerp van de tabernakel.

De eerste dag van de week, die volgde op Jezus’ opstanding was precies de dag van het ‘beweegoffer’. Wat betekende dat beweegoffer? Wat kondigde het aan? De zielen die Jezus uit de Hades meenam waren de eerstelingen van de zielen die Hem toebehoren. Dus moest Jezus, de werkelijke Hogepriester, hen bewegen voor de heer in de werkelijke tempel, de hemel. Dit moest gedaan worden op die bijzondere dag. De ophanden zijnde hemelvaart, waar Jezus Maria over inlichtte, was heel wezenlijk. Hij voer op naar de hemel die eerste dag van de week, waarschijnlijk onmiddellijk na zijn verschijning aan de elven. Dat was zijn laatste verschijning op die dag.

De rechtbank in de hemel

Wij lezen in de Bijbel over een rechtbank of een gerechtshof in de hemel, over ‘de beschuldiger van de broeders’ en over onze ‘Pleiter bij de Vader’, over oordelen en vonnissen. Natuurlijk zijn er zittingen van het hof in de hemel. Gezamenlijke beslissingen worden er ook genomen. "Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis" is misschien zo’n besluit.

De meest doorslaggevende zitting van het hof in de hemel moet geweest zijn tijdens het lijden van Christus. Dat was zeker het belangrijkste moment in de chronologie van de eeuwigheid. Om de wereld te redden werd de Zoon van God onderworpen aan de meest beschamende klucht van het recht. Is dat meest ontzagwekkende gerechtshof in de hemel, zo duidelijk beschreven door Daniël, niet het echte?

"Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizend maal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden vóór hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend". Daniël 7:9-10

"Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is". Daniël 7:13-14

Denk nu eens na over de tijd van deze zitting. Het was natuurlijk niet in Daniëls dagen. De Zoon van God werd de Mensenzoon toen Jezus werd geboren. De Mensenzoon arriveerde in de hemel bij zijn hemelvaart. Dat moet geweest zijn op het moment dat het hof nog in zitting was. Het kon niet een hof zijn dat gehouden zou worden aan het eind van deze dispensatie, omdat Christus nu al is gezeten aan de rechterhand van God in zijn hemelse troon, er dus al is aangekomen. Het einde van deze dispensatie zal de tijd zijn wanneer Hij klaar is om weer terug te keren met de wolken des hemels om zijn aardse troon in bezit te nemen. Nee, deze aankomst in de hemel was kennelijk in de tijd van zijn hemelvaart. Maar welke hemelvaart? Was het op de eerste of de veertigste dag? Alles wijst erop dat het de eerste dag was, de dag die ophanden was, zoals Hij aan Maria Magdalena vertelde. Het was de dag die zij moest aankondigen bij zijn broeders. We merken hierbij op dat Hij, nadat Hij op die eerste dag aan de elven was verschenen, een week lang niet meer werd gezien. In Mattheüs lezen wij:

"En de elf discipelen vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had".We herinneren ons dat Jezus zijn discipelen had gezegd naar Galilea te gaan om Hem daar te ontmoeten.

"En toen zij Hem zagen, aanbaden zij, maar sommigen twijfelden. En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde". Mattheüs 28:16-18

Die woorden reflecteren beslist de bekendmaking door het hemelse hof ten behoeve van Jezus en suggereren dat Hij daar zojuist vandaan kwam om zijn discipelen te ontmoeten op de afgesproken plaats. Johannes vertelt ons dat Jezus’ tweede ontmoeting met zijn discipelen acht dagen later was.

Nu kunnen wij de antwoorden vinden op enkele van onze andere vragen.

Was het niet tijdens de zitting van dit hof dat de Vader tegen Jezus zei: "Gij zijt een Hogepriester voor eeuwig, naar de orde van Melchizedek" en dit met een eed bevestigde? De woorden werden gericht tot Jezus zelf en op de juiste tijd.

Was het niet tijdens de zitting van dit hof dat de Vader het decreet uitsprak: "Gij zijt mijn Zoon, deze dag heb Ik u verwekt"? Opnieuw werden deze woorden tot Jezus persoonlijk gesproken, zoals voorzegd door de profeten. Let op de betekenisvolle woorden aan Maria Magdalena: "Ik ga naar mijn Vader".

Ook hier is de tijd zo passend.

Was het niet voor dit hof dat Jezus de Hogepriesterlijke taak uitvoerde van het beweegoffer van de eerstelingen voor de heer, toen Hij al die zielen uit de Hades bij Hem bracht? Het was op de juiste dag, namelijk de dag die volgde op de Sabbat, na het Pascha.

Volgens de kanttekeningen in de Scofield Bible met betrekking tot de woorden die Jezus tot Maria Magdalena sprak, is één van de gezichtspunten dat Hij op weg was, als Hogepriester, om de verzoeningsdag te vervullen met het aanbieden in de hemel van het heilige bloed na het volbrachte offer. Dat gezichtspunt zou in harmonie zijn met het type in Leviticus 16.

Natuurlijk stemt dat overeen met de hemelvaart op de eerste dag, die gevolgd moet zijn door een terugkeer, vóór de hemelvaart op de veertigste dag.

Conclusie

De Bijbel is een getuigenis van gebeurtenissen; verleden, heden en voorzegde toekomst. Ze waren allemaal belangrijk genoeg om hun plaats te vinden in het Goede Boek. Veel ervan illustreren geestelijke principes. Maar door de opkomst van de gnosis, die het christelijk geloof teisterde zo gauw de apostelen er niet meer waren, keerde de aandacht zich af van de historische gebeurtenissen naar uitsluitend beginselen. Veel van die gebeurtenissen zijn sindsdien in twijfel getrokken en zelfs afgewezen. Echter, als de gebeurtenissen geen feiten zijn, dan zijn ook de beginselen tot mislukken gedoemd.

Zie Handelingen 20:29, II Tessalonicenzen 2:7, I Johannes 2:18 en Judas:3-4

Betreffende Bijbelse gebeurtenissen zijn de chronologische volgorde en tijd zeer belangrijk. Eén blik op de voorschriften die de feesten van Israël reguleren, illustreren dat. Zij waren de voorboden van grote feiten en hun timing moest precies zijn.

Wij hebben een enigszins gedetailleerde studie gemaakt van Het Grote Verhaal en daarbij enkele prachtige aspecten van gelijktijdigheid ontdekt. Misschien zijn we er niet in geslaagd elk detail glad te strijken, maar we hebben genoeg gezien om vast te stellen dat, ver van in tegenspraak te zijn, de originele tekst een glansrijk, harmonieus beeld laat zien, dat grote eer geeft aan onze Redder en Heiland.

¤¤¤¤¤¤¤¤

'The Ensign Message' 2008

Vert. Tj.Wijsman-Everaarts

(Het grote verhaal.TEM)

 

     
     
  Site Map