EEN NIEUW GELUID

2009-3

 

In dit nummer:

 

Genade en Recht

 

De Twee Huizen van Israël

 

De Oranje-Orde van Ulster

 

Terwijl de mensen sliepen

 

Maar een kleine minderheid

 

De Antichrist

 

 

GENADE EN RECHT

“Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven.” (Ezechiël 18:21)

De NBG vertalers hebben boven hoofdstuk 18 van de Ezechiël profetieën gezet: “Ieder mens persoonlijk verantwoordelijk”. Vele christenen leven in de waan dat zij hun hele leven zondaar blijven en waarschijnlijk blijven zij dan ook zondigen. De Here Jezus zei tegen de man die op wonderbare wijze genezen was: “Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome.” (Johannes 5:14).

Als Hij de opdracht geeft niet meer te zondigen, betekent dit dat Hij ook de mogelijkheid daartoe schept. Dat is niet iets nieuws in het Nieuwe Testament, maar gewoon de voortzetting van Gods wetten zoals die in het Oude Testament gegeven zijn. De apostel Johannes schrijft daar ook over in zijn brieven, die heel diep gaan en heel sterk de waarheid verkondigen.“Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar (1Johannes 5:3).

Als wij heel ons leven te horen krijgen dat wij arme zondaars zijn en Gods geboden niet kunnen volbrengen, hebben wij naar een leugen zitten luisteren. Als een leugen maar vaak genoeg verteld wordt, gaan wij de leugen als waarheid aanvaarden. Daarop berustte de propa­ganda van Hitler Duitsland en ook heel wat propaganda die via de media over ons uitgestort wordt. Jammer dat het met de christelijke dogma’s in sommige gevallen – waarbij de dogma’s niet overeenstemmen met Gods Woord – ook het geval is.

Jezus eerste komst was om zijn volk te redden van hun zonden. Door zijn dood is de scheidbrief tussen Hem en zijn volk vernietigd en door zijn opstanding is het herstel van het huwelijk (het nieuwe verbond) mogelijk geworden. De aankondiging van Jezus’ geboorte aan Jozef laat dit zien, Jezus zelf zegt dat Hij slechts gekomen is voor de kinderen van de verloren stammen van het huis van Israël en Paulus bevestigt het in Romeinen 7.

Ezechiël laat zien dat bekering nodig is – stoppen met de verkeerde daden – en een leven leiden volgens de goddelijke voorschriften. Het evangelie staat duidelijk in het Oude Testament. Het Nieuwe Testament bevestigt het Oude Testament en toont ons het geweldige evangelie van de verlossing en het herstel van het gehele twaalf­stammige volk van Israël, wat volgens de wet onmogelijk leek, in Hosea 2 is aangekondigd en door Jezus’ leven, sterven en opstanding mogelijk is geworden.

Israël kende de jaarlijkse verzoendag. Dan werd er geofferd voor de in onwetendheid begane zonden. Bewuste zonden moet een mens zelf in orde maken.

JHWH heeft ons als zijn volk geschapen als een voorbeeldvolk voor de wereld. Hij geeft daarvoor ook de mogelijkheden. Israël is nooit bedoeld als een multiculturele en multireligieuze samenleving, maar als een volk dat leeft naar de wil van God, daardoor rijk gezegend wordt en de zegen mag doorgeven aan de andere volken.

Dat is het evangelie van het Koninkrijk, dat in de hele (Israël) wereld verteld moet worden. Daaraan wordt door velen gewerkt over de hele Israëlwereld Helaas is daarin nog geen eenheid te vinden. We schijnen allemaal onze specialiteiten te hebben, die voorop gezet worden en waarmee anderen verketterd worden. Het werkt beter als we naar de ander luisteren om te kijken waar wij zelf nog tekort schieten. We kennen allemaal ten dele, want het evangelie is veel rijker dan wij kunnen beseffen.

Spreken we er over? Vertellen we het aan anderen? Geven we het door? Er is voldoende lectuur om het door te geven.

Het is een genot met het evangelie bezig te zijn, we kunnen er elke dag van leren, het is elke keer weer nieuw, want het is een levend evangelie, we hebben een levende Heer en Koning, die ons Zijn Woord heeft gegeven, dat ons verder verdiept in het Leven.

Wie gelooft heeft (niet krijgt) eeuwig leven. Het is heerlijk dit te beseffen. Heeft u het? Dan wordt het ook zichtbaar in uw leven!

 G. van der Laan

 

 

 

                            DE TWEE HUIZEN VAN ISRAËL

Een Introductie tot Bijbelprofetie

door

J.S.Brooks

Een belangrijke sleutel om profetie met betrekking tot Israël te begrijpen is, dat na de tijd van Salomo, het volk van God werd gescheiden in twee rijken B het huis van Israël (tien stammen) en het huis van Juda (twee stam­men)(I Kon.12).

Deze deling zette zich voort, want God spreekt van >twee families= die Hij heeft gekozen B Israël en Juda: AZo zegt de HERE: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het geslacht van Abraham, Isaäk en Jakob, want Ik zal een keer breng­en in hun lot en Mij over hen ontfermen@ (Jer.33:25-26).

Deze twee families worden ook wel genoemd:

     twee vrouwen...................Jeremia 3:6-14

    twee zusters.......................Ezechiël 23:2

    twee naties...................   Ezechiël 37:22

    twee koninkrijken.........Ezechiël 37:22

    twee zonen.................Mattheüs 21:28-32; Lucas 15:11-32

Dit zijn de >twee zonen= uit de gelijkenissen van Jezus, die wijzen op de in zijn dagen nog steeds voortdurende scheiding. De eerste aanduiding over Joden staat in II Koningen 16:6, waar ze in oorlog zijn met Israël. In 1918 en 1959 hebben desgevraagd de hoofdrabbijnen van het Britse rijk brieven geschreven, die verklaren >dat de tweedeling nog steeds bestaat en dat het Joodse volk alleen van het Huis van Juda afkomstig is. Het Huis van Israël, naar de hun leidende stam ook Efraïm ge­noemd, werd in de achtste eeuw voor Christus door Assyrië overwonnen en verdreven uit hun land=.

AIn het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Halah aan de Habor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden@ - AEn Israël werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de huidige dag@ (2 Kon.17:6,23).

De gelijkenis van de twee houten in Ezechiël 37:15-30 onthult, dat de komende vereniging van de twee huizen alleen zal plaatsvinden aan het eind van de huidige tijd, juist voor de laatste grote strijd, beschreven in hoofd­stuk 38. Dat komt overeen met Jesaja 11:9,12:

AMen zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. ...en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden van Juda vergaderen van de vier einden der aarde@.

Sommigen beweren dat de beide huizen werden verenigd in Assyrië kort na het begin van hun ballingschap. Als dat zo zou zijn, hoe kunnen de aparte reeksen beloften van de laatste dagen worden vervuld in Israël en Juda als zij 2700 jaar geleden al verenigd waren. In plaats daarvan wordt ons ver­teld dat zij bij elkaar gevoegd worden wanneer zij >Eén Herder= zullen hebben, Davids grote Zoon, de Messias (Ez.37:24; Joh.11:51,52), in af­wachting van de volledige bekering van Juda tot Jezus Christus. Gezien dit toekomstige tijdsbeeld kan die vereniging nog niet volledig hebben plaats­gevonden. De Bijbel geeft nog meer bewijs dat de huizen van Israël en Juda nog steeds gescheiden naties en volken zijn in onze wereld van van­daag en onderscheidt duidelijk >de verloren schapen van het huis van Israël=:

ADeze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls@ (Matt.10:5,6; 15:24) AIk ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israë­ls@.

Inderdaad, er zijn veel aanwijzingen betreffende de identiteit van het ver­borgen Israël, zowel in de Bijbel als in de algemene geschiedenis. De Apocriefen vertellen ons dat zij werden overwonnen door Assyrië en ver­dreven naar een onbewoond land (II Ezra 13:40-45):

ADezen zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van den koning Hosea, dien Salmanassar, de koning der Assyriërs, gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land (II Kon.17:6). Doch zij besloten, dat zij de menigte der heidenen zouden verlaten, en in een verder land vertrekken, waar geen men­schelijk geslacht ooit tevoren gewoond had. Daar wilden zij hun rechten onderhouden, die zij in hun land niet gehouden hadden. Zij zijn dan daarin getogen door de enge ingangen van de rivier Eufraat. Want de allerhoogste deed hun toen teekenen, en hield de aderen der rivier op, totdat zij daar­over gegaan zijn. Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth ge­noemd@.

Een goede beschrijving van het dun bevolkte Europa van die dagen.

Jesaja 62:2-5 zegt dat zij een groep van naties zou­den worden met een nieuwe naam, die het evangelie naar het einde van de aarde zou brengen (Jes.49:6). Ezechiël vertelt ons feitelijk dat de verdrijving van het huis van Israël Gods manier was om dit volk te zuiveren:

AIk zal u verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen, en Ik zal uw onreinheid geheel van u weg­doen@ (Ez.22:15).

Zij zouden een nieuw land, een nieuw hart, een nieuwe geest en een nieuw verbond krijgen:

AIk zal een plaats bepalen voor mijn volk, voor Israël, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt en boosdoeners het onderdrukken, zoals vroeger... (II Sam.7:10).

AIk zal u weghalen uit de volken en u bijeen vergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnen­ste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven@  (Ez.36:24-26).

 

AZie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal@ (Jer.31:31).

 

Het resultaat hiervan is dat God hen zal gebruiken om de aarde recht te doen:

AHet geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; Naar waarheid zal hij het recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op de aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetonderricht zullen de kustlanden wachten. Zo zegt God, de HERE, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen; Ik, de HERE, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: om blinde ogen te openen, om ge­vangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis die in duisternis gezeten zijn@ (Jes.42:3-7).

 

Wie kan die >knecht= zijn in onze moderne wereld? De Bijbel geeft vele aanwijzingen, inbegrepen heraldische emblemen verbonden aan elk van de Israëlstammen B zie Genesis 49 en Deuteronomium 33.

Een plaat (helaas nog niet gepubliceerd) helpt ons het verhaal van de >verloren schapen= van Israël aanschouwelijk te maken. De soldaat op de voorgrond draagt helder gekleurde kleding, favoriet bij mensen die bekend stonden als Scythen, de Griekse vorm van het Medo-Perzische woord >Saka=. Een latere vorm van het woord is Saxon, van het Medo-Perzische woord >Saka-Suni=, of  >zonen van de Saka=. In zijn boek >The Story of Celto-Saxon Israel=, toont W.H. Bennett op wetenschappelijke gronden de oorsprong aan van de woorden Scyth, Saka of Saxon uit het woord >Isaac=. De kleurrijke kleding van de soldaat doet ons denken aan het beroemde >pronkgewaad= van de patriarch Jozef (Gen.37:3,23,32).

De oorsprong en het ontwerp van de Schotse tartan patronen kunnen ook tot Jozef teruggevoerd worden. Het woord >tartan= zelf is een Semitische term voor een maar­schalk of andere militaire functionaris van een legermacht (zie II Kon.18:17; Jes.20:1­). De soldaten droegen strijdbijlen, een typerend ken­merk van Israël. De natie wordt in de Schrif­ten >Gods strijdbijl= genoemd:

AEen hamer waart gij Mij, een strijd­wapen; met u verbrijzelde ik (Jer.51:20).

Andere bijbelprofeten herhalen het:

AZo zullen zij degenen die hen gevangen na­men, gevangen nemen en heersen over hun drij­vers@(Jes.14:2).

AZie, Ik stel u tot een scherpe, nieuwe dorssle­de met dubbele sneden; gij zult bergen (grote naties) dorsen en verbrijzelen, en heuvels (kleine naties) zult gij tot kaf maken@ (Jes.41:15).

ASta op en dors, gij dochter Sions; want Ik zal uw hoorn van ijzer maken en uw hoeven van koper, en gij zult vele volken verbrijzelen...@ (Micha 4:13).

 
 
     DE ORANJE-ORDE VAN ULSTER

door

E.Smit

Doelstellingen

De ‘Orange Order’ is een wijd verbreide beweging van bijbelgelovige protestanten die in de beste tradities van het Britse Gemenebest en ook van de U.S.A. de vaderlands­liefde en trouw aan hun soeverein hoog houden. In de Verenigde Staten zijn steeds bloeiende loges geweest, speciaal onder de Schots-Ierse bewoners van New England, een groep waaruit maar liefst veertien Amerikaanse presidenten zijn voortgekomen. Een oom van koningin Victoria, de hertog van Cumberland, was indertijd ook lid van de Orange Order, tot het moment dat hij in 1837 tot de troon van het koninkrijk Hanover geroepen werd.

Het brandpunt van de Orde is Ulster - Noord-Ierland. De Orangisten vieren ieder jaar met trots hun grote feestdag, onder andere in de hoofdstad Belfast op 12 Juli -‘the twelfth’-, de dag waarop Willem III in 1690 aan de rivier de Boyne zijn schoonvader James II versloeg, die daar aan het hoofd van een Frans RK leger stond, met het oogmerk een totale uitroeiing van het Protestantisme in Ierland. Deze slag ‘veranderde de wereldgeschiedenis’, aldus de geschriften van de Orange Order, redde de vrijheid van geweten en het Protestantisme en legde de basis voor de handhaving - ‘Je maintiendrai’!- van vrijheid en democratie in het gehele Britse Gemenebest. De grote Oranjefeesten in Noord-Ierland op ‘the twelfth’ getuigen nog ieder jaar van deze gebeurtenis.

 

Historische achtergronden

Om de achtergrond goed te begrijpen, zou ik de lezers van ons blad graag willen aanraden de brochure van de heer H.G.Binnendijk, getiteld ‘His(s)tory’, die levendig en boeiend de situatie in Engeland beschrijft in de periode van Willem III, opnieuw te lezen. Beter dan waar ook kan men bij het lezen daarvan tot de overtuiging komen, dat de geschiedenis van ons land en van Groot-Brittannië in deze Gouden Eeuw wel bijzonder ‘Iraëlitisch’ en ‘Bijbels’ getint is geweest, zoals ook in ‘Twee naties zullen zich scheiden’ uiteengezet is.  Voor wij verder gaan volgt eerst een eerder geplaatst verslag uit de National Message van de hand van L.Bateson.

Toen zij baden om Protestants weer

Gedurende kritieke gebeurtenissen in de geschiedenis van het Britse volk heeft de Almachtige God, vooral als zij zich tot Hem wendden en zijn hulp inriepen, ingegrepen. Dit is zowel door vorsten als leiders van Kerk en Staat meermalen bevestigd. Enkele van de minder bekende, maar daarom niet minder merkwaardige voorvallen vonden plaats ten tijde van de aankomst van Willem III, Prins van Oranje, bij de kust van Engeland.

Toen in 1685 koning Jacobus II de troon besteeg, verkeerde Protestants Engeland in gevaar. Het duurde niet lang voordat Jacobus het voor iedereen duidelijk maakte, dat hij van plan was het Protestantisme omver te werpen en het Rooms-katholicisme opnieuw te vestigen. Zijn eerste politieke daad was om zijn leger systematisch te voorzien van RK-officieren; hij verving Protestantse ministers door Rooms Katholieke en in Ierland benoemde hij Tyrconnel, een fanatieke Rooms- katholiek, tot onderkoning. Hij stelde een Rooms-katholiek aan als deken van Christ Church van de Universiteit van Oxford en verving Protestantse leden van het College of Magdalen, die steeds trouwe aanhangers van het Huis Stuart waren geweest, door Rooms-katholieken.

Het ontevreden volk echter wachtte op een nieuwe regering in de hoop dat Mary, de Protestantse dochter van Jacobus II en haar gemaal Willem van Oranje, die over de Nederlanden regeerde en een overtuigde Protstant was, hem zouden opvolgen. Maar in Juni 1688 werd Jacobus vader van een zoon en het was voor iedereen duidelijk dat hij in het R.K.-geloof zou worden opgevoed en ongetwijfeld de politiek van zijn vader zou voortzetten. Het gevolg van dit alles was, dat zeven belangrijke mannen die verschillende politieke richtingen vertegenwoordigden, tezamen kwamen en een brief opstelden, waarin zij Willem van Oranje uitnodigden met een leger naar Engeland te komen om aan het volk haar vrijheden terug te geven.

‘Gods bijzondere Voorzienigheid’

Willem moest het hoofd bieden aan ernstige moeilijkheden, die een dergelijke onderneming voor Nederland veel te gevaarlijk maakten, ook omdat Lodewijk XIV van Frankrijk op dat moment Jacobus zijn hulp aanbood. Jacobus echter, die het gevaar onderschatte waaraan hij blootstond, weigerde het aanbod, waarop Lodewijk zijn troepen van de Nederlandse grenzen terugtrok met het doel tegen Duitsland ten strijde te trekken. Nu Nederland niet meer bedreigd werd door het Franse leger, kreeg Willem de handen vrij om naar Engeland over te steken. De beroemde historicus Macaulay zegt hiervan in zijn ‘History of England’: “De taak zou, zelfs voor een staatsman als de Prins van Oranje, te zwaar geweest zijn als niet zijn voornaamste tegenstanders in die tijd onderhevig waren aan zo’n verblinding, dat veel mensen die niet bijgelovig waren, deze toeschreven aan Gods bijzondere voorzienigheid. Niet alleen was de Koning van Engeland, zoals hij altijd al was geweest, dom en eigenzinnig, maar werd ook de raad van de politiek geschoolde Koning van Frankrijk tot dwaasheid. Alles wat wijsheid en energie tot stand kon brengen, werd door Willem gedaan. Alle hindernissen, die noch wijsheid noch energie hadden kunnen overwinnen, werden door zijn vijanden zelf uit de weg geruimd”.

Terwijl Jacobus een aanzienlijke vloot in Het Kanaal uitrustte onder bevel van Lord Dartmouth en een leger samenstelde – dat toen reeds het grootste was waarover ooit een Engelse koning het bevel had gevoerd, nog versterkt met Rooms Katholieke troepen uit Ierland – groeide van dag tot dag het ongeduld waarmee men de komst van Willem afwachtte. Maar stormwinden, die halsstarrig vanuit het westen kwamen, verhinderden de Prins van Oranje uit te zeilen. Hierover schrijft Macaulay: “Het weer was paapsgezind. Menigten waren naar Cheapside gekomen, steeds turend naar de weerhaan op de rijzige toren van Bow-church en biddend om een Protestantse wind”.

Op 19 oktober koos de legermacht van Willem zee, maar nadat zij op weg naar Engeland halverwege gekomen waren, dreven stormen de vloot weer naar Holland terug. Ondertussen versterkten gebeurtenissen die in Engeland plaatsvonden gedurende het oponthoud, het algemeen verlangen naar het verbreken van het door Jacobus opgelegde juk. Op 1 november werden de gebeden van de Engelsen verhoord; de Nederlandse vloot voer uit.

Deze reis werd door Macaulay als volgt beschreven: “Er waaide een stevige bries uit het oosten. De gewapende macht hield gedurende twaalf uren een noord­westelijke koers. De lichte schepen die de Engelse admiraal had uitgezonden met het doel op informatie uit te gaan, brachten het nieuws dat de algemeen heersende mening bevestigde, dat de vijand het plan koesterde in Yorkshire te landen. Plotseling ging, op het sein vanaf het schip van de prins, de gehele vloot overstag en koerste naar het Britse Kanaal. Dezelfde bries die de reis van de invallers begunstigde, verhinderde admiraal Darmouth de Thames uit te varen. Zijn schepen waren gedwongen de zeilen te strijken en twee van zijn fregatten die erin geslaagd waren open zee te bereiken werden, zwaar gehavend door de aanwakkerende storm, naar de rivier teruggedreven. De Hollandse vloot van meer dan zeshonderd schepen, geleid door de prins aan boord van de ‘Den Briel’,  spoedde zich met volle zeilen voor de storm uit en bereikte het Nauw van Calais op zaterdag 3 november om 10.00 uur”. Kort na 12.00 uur was Willem de Straat van Dover gepasseerd en bij zonsondergang bevond hij zich ter hoogte van Beachy Head. Jacobus intussen, niet wetend waar Willem aan land zou gaan, zond zijn troepen alle richtingen uit. Wij laten opnieuw Macaulay aan het woord: “Toen zondag 4 november de dag aanbrak, waren de krijtrotsen van het Eiland Wight in het volle zicht van de Hollandse zeemacht. Deze dag was Willems geboortedag en tevens de herdenking van zijn huwelijk. Gedurende een deel van de morgen werd met minder zeil gevaren om aan boord van alle schepen een godsdienstoefening te kunnen houden. In de namiddag en de gehele nacht bleef de vloot koers houden. De prins was van plan in Torbay te landen, maar op maandag 5 november was het mistig weer. De loods aan boord van de ‘Den Briel’ voer daardoor de zeebakens voorbij en leidde de vloot te ver naar het westen. Het gevaar was groot. Om tegen de wind in te keren was onmogelijk. Plymouth was de volgende haven, maar in Plymouth lag een garnizoen onder bevel van Lord Bath. Men kon tegenstand verwachten bij een landing en oponthoud kon de grootste gevolgen hebben.

 Bovendien zou de koninklijke vloot op dat moment wel kans hebben gezien de Thames uit te komen en van de weersomstandig­heden gebruik te maken voor de achtervolging. Russell overzag de omvang van het gevaar en legde het met deze woorden uit aan Burnet (vlootpredikant): “Gij kunt teruggaan naar uw gebeden Dokter, het is afgelopen”. Op dat ogenblik draaide de wind. Een zachte bries uit het zuiden stak op, de mist trok op, de zon begon te schijnen en onder het milde licht van de herfstmiddag keerde de vloot terug en zeilde, om de steile Kaap van Berry Head heen, veilig de haven van Torbay binnen”.

Gemeld wordt nog dat Burnet tegen de prins gezegd zou hebben, dat hij nooit de bijzondere wijze zou vergeten waarop de Voorzienigheid hun onderneming had begunstigd. De prins ging bij Brixham aan land en Macaulay schrijft: “Het aan land brengen van de paarden bracht moeilijkheden met zich mee en het zag ernaar uit dat dit karwei enkele dagen in beslag zou nemen, maar de volgende morgen waren de vooruitzichten gunstig. Er was weinig wind en het water in de baai was glad als een spiegel.  Vissers wezen een plaats aan waar de schepen op twintig meter afstand van het strand afgemeerd konden worden. Zo gebeurde het dat in drie uur tijd vele honderden paarden zwemmend het land konden bereiken”.

Wind en golven brengen de overwinning

“Nauwelijks had de ontscheping plaatsgevonden of de wind stak opnieuw op en groeide aan tot een hevige storm uit het westen. De vijand die door het Kanaal de achtervolging had ingezet, werd door dezelfde weersverandering die het Willem mogelijk had gemaakt te landen, tot stilstand gebracht. Twee dagen lang  lag de koninklijke vloot op een rimpelloze zee met Beachy Head in het zicht. Uiteindelijk kon Dartmouth de tocht voortzetten. Bij het passeren van het eiland Wight ontwaarde een van zijn schepen de toppen van de masten van de Hollandse vloot die in Torbay voor anker lag. Juist op dat ogenblik overviel hem de storm waardoor hij in de haven van Portsmouth moest schuilen. Jacobus, die heel goed in staat was zeemanskunst te beoordelen, verklaarde dat hij er ten volle van overtuigd was dat de admiraal alles had gedaan wat menselijkerwijs mogelijk was en zich slechts gewonnen had gegeven tengevolge van de onweerstaanbare vijandigheid van wind en golven....

Het weer had inderdaad de protestantse zaak zo begunstigd, dat sommigen meer vroom dan tot oordelen bevoegd, ervan overtuigd waren dat de normale wetten van de natuur waren opgeschort om het geloof en de vrijheid van Engeland te behoeden. Het was net honderd jaar geleden, zo verklaarden zij, dat de Armada, voor de mens onoverwinnelijk, door de toorn Gods verdreven en vernietigd werd. Opnieuw verkeerden de burgerlijke vrijheid en de Goddelijke waarheid in gevaar en nogmaals hadden de gehoorzame elementen voor de goede zaak gestreden. De wind had met kracht uit het oosten geblazen toen de prins door het Kanaal wilde zeilen, was naar het zuiden gedraaid toen hij Torbay wilde binnenlopen, was geheel gaan liggen tijdens de ontscheping, was tot storm aangewakkerd en had de vijand recht in het gezicht geblazen”.

Ofschoon wij niet, zoals deze mensen, geloven dat de natuurwetten werden opgeschort, wij twijfelen er toch geen ogenblik aan dat God, ‘die alle dingen draagt door het Woord zijner Kracht’, in zijn Goddelijke Voorzienigheid de loop van natuurlijke gebeurtenissen en menselijke zaken naar zijn hand zet, zodat het Goddelijke doel met onze volken bereikt werd, op dezelfde wijze waarop Hij het onze voorouders mogelijk maakte om droogvoets door de Rode Zee te trekken. Zo geloofden ook in vroeger dagen onze leiders van Kerk en Staat toen zij opdracht gaven voor het volgende gebed op 5 november en dat ieder volgend jaar op die datum moest worden gereciteerd. Dit gebed komt niet meer voor in het Common Book of Prayer’, maar zou heden ten dage nog steeds het gebed van ons hart moeten zijn:

Aanvaard, barmhartige God, eveneens onze oprecht dank, omdat Gij onze harten opnieuw vervuld hebt met blijdschap en vreugde, nadat Gij ons bezocht had, en ons een nieuw gezang in de mond hebt gelegd, toen Gij Zijne Majesteit Koning Willem op deze dag tot ons gevoerd hebt, omdat Gij onze Kerk en ons Volk bevrijd hebt van paapse tirannie en rechteloze machtsuitoefening. Wij aanbidden de wijsheid en gerechtigheid van uw Voorzienigheid, die te juister tijd tussenbeide kwam gedurende onze zeer grote nood en alle boze plannen van onze vijand verijdelde. Wij bidden U, geef ons een zodanig levend en blijvend begrip voor wat Gij toen voor ons deed en sedertdien voor ons gedaan hebt, opdat wij niet zorgeloos in onze gehoorzaamheid worden en misbruik maken van Uw grote en onverdiende goedheid; maar dat het ons voeren mag tot berouw en dat het ons er toe brengen mag meer toewijding en ijver te betrachten in alle zaken van ons geloof, die Gij op wonderbaarlijke wijze voor ons bewaard hebt. Laten waarheid en gerechtigheid, broederlijke vriendelijkheid en liefde, godsvrucht, vroomheid en eensgezindheid, tezamen met alle andere deugden zo in ons bloeien, dat zij de standvastigheid van onze tijden mogen vormen en deze Kerk maken tot lof op de aarde. Dit alles bidden wij U in nederigheid, in naam van onze gezegende Heer en Heiland”.(Tot zover B.L.Bateson)

Jacobus en de Jezuïeten

Het Britse Rijk had sinds 1685 een fervent Rooms-katholiek als koning, Jacobus II, die notabene het officiële hoofd was van de Anglicaanse Staatskerk, een protestantse kerk. Evenals zijn voorganger en broer, Karel II, stond hij in nauwe verbinding met een van de gevaarlijkste Europese dictator-koningen uit de geschiedenis, wiens uitspraak ‘De Staat dat ben Ik’ een lang leven beschoren zou zijn. Lodewijk XIV, de koning van Frankrijk die om vele redenen gezien kan worden als een duidelijk vóór-type van de antichrist. Zoals honderd jaar tevoren de Spaanse en Franse koningen een geheime overeenkomst hadden gesloten om het Protestantisme  in Frankrijk en Nederland uit te roeien (Alva, Willem van Oranje, Bartholomeüsnacht!).

Zo hadden Karel II en Lodewijk XIV in het geheim verdrag van Dover (1670) soortgelijke boze plannen gesmeed, teneinde het Protestantisme in Engeland en daarbij de gehele Republiek der Verenigde Nederlanden te verpletteren... Dat een Engelse koning, die bovendien jarenlang gastvrijheid in Nederland had genoten, zich leende tot zo’n duivels plan, behoort tot de vele raadselen van de geschiedenis. De initiatiefnemers te weten Lodewijk XIV en zijn Jezuïeten, worden vanwege hun boosaardige oogmerken – ondergang van twee belangrijke delen van Israël, benevens de uitroeiing van het op de Bijbel gebaseerde christelijke geloof – wel zeer duidelijk ontmaskerd als te behoren tot de anti­christelijke hoofdmacht van die dagen.

Jacobus II, die in 1685 Karel II opvolgde, betoonde zich een nog een aanzienlijk fanatieker vijand van het Protestantse geloof dan zijn broer. Zijn beleid werd door de Jezuïeten bepaald, terwijl Lodewijk XIV hem met geld in staat stelde zijn plannen uit te voeren. Steeds bloediger werden de vervolgingen van de Protestanten, vooral in het westen van Engeland en vele Ierse Protestanten moesten de wijk nemen naar Schotland en de nog enigszins veilige gebieden van Engeland en Wales. Vooral de vaderlandslievende en Protestantse bewoners van Ulster, de ‘kolonisten’ die daar indertijd door James I waren gebracht voor volksuitbreiding, hadden het van de kant van de agressief-katholieke Ieren zeer zwaar te verduren. Plundering en marteling waren aan de orde van de dag en dit alles werd door de koning in Londen goedgekeurd en gesteund!

‘Kom over en help ons’ - de Prins van Oranje verschijnt

Inmiddels hadden vooraanstaande Engelsen, die in het geheim naar Scheveningen waren gekomen, de Prins van Oranje, Willem III, die sedert 1672 stadhouder van onze gewesten was en getrouwd met de dochter van de boze koning Jacobus II, uitgenodigd naar Engeland over te steken en de macht van zijn schoonvader te breken. De prins stond bekend als een zeer trouwe Bijbelgelovige Protestant en had zich als levenstaak gesteld Europa en vooral de twee kibbelende broedervolken Nederland en Engeland te verlossen van de dodelijke dreiging van de zijde van Lodewijk XIV, de meest ‘christelijke koning’ (zoals een van zijn titels luidde!). In dit verzoek zag hij zijn grote kans de twee Protestantse volken aan beide zijden van de Noordzee samen te brengen en hun de ware vijand, die in Parijs zetelde, te tonen. In 1688 stak hij over onder zeer dramatische omstandigheden, waarbij het weer en vooral de steeds van richting veranderende wind, de Protestantse zaak zodanig begunstigde dat er ronduit van een groot wonder kon worden gesproken.

(Hierboven besproken door de Britse historicus Lord Macaulay en ook door de schrijfster Marjorie Bowen)

Het geld voor deze expeditie werd vrijwel belangeloos door de Nederlandse Jood Franciscus Lopez Suasso aan de prins verschaft en voor de goede afloop van de uiterst gewaagde onderneming – Lodewijk XIV hoefde tijdens de afwezigheid van de prins Nederland maar binnen te vallen en ons land zou verloren zijn geweest! – werd vurig gebeden in de Protestantse kerken in Nederland en Engeland en in de Nederlandse synagogen. Het was dus met recht een viervoudige ‘Israëlitische’ zaak.  Engeland, Nederland, de Joden en het Oranjehuis! Na de avontuurlijke overtocht landde Willem – zonder enig treffen met de Engelse koninklijke vloot! – in Torbay in het graafschap Devon aan de zuidkust van Engeland, waar geen vijandelijk leger hen opwachtte, zoals in andere havens waaronder Plymouth. Het was 5 november, de zogenaamde Guy Fawkes-day, de herdenking van het ‘buskruitverraad’, sinds 1605 gevierd als nationale feestdag. In dat jaar was het de Jezuïtische dweper Guy Fwakes niet gelukt het parlementsgebouw op te blazen EN het was ook de verjaardag zowel als de trouwdag van Willem III zelf. Men kan zich indenken dat 5 november om al deze redenen een dierbare herinnering is geworden in de harten van de mannen van de latere ‘Orange Order’.

Dicht bij de plaats waar Willem snel zijn expeditieleger aan land bracht, stond een klooster ‘Tor Abbey’, waarvan de monniken juist zaten te wachten op het binnenlopen van een schip dat hun een lading rozenkransen, heiligenbeelden en crucifixen zou brengen. Voor de bemanning van dit schip hadden de monniken bij voorbaat een overvloedige maaltijd aangericht. De goddelijke humor ontbrak ook hier niet. Want in plaats dat er een schip met Roomse attributen verscheen, liep er een hele vloot de haven van Torbay binnen. Geen crucifixen, maar vlaggen in de mast, waarop duidelijk stond te lezen:

Voor het Protestantse Geloof en de Vrijheden van Engeland:

ik zal handhaven

De monniken namen de benen en lieten de maaltijd over aan Willem en zijn mannen, die zo’n opkikker na de spannende tocht wel verdiend hadden! De volgende dag, in de kathedraal van Exeter, zwoeren de Britse Protestantse edelen Willem trouw en, zoals een van de Orangistische geschriften met zoveel woorden schrijft: ‘Dit was de eerste bloei van de oranjeboom op Engelse bodem’. Merkwaardig is het, dat Willem die net zo goed in Schotland of het noorden van Engeland aan land had kunnen gaan, juist in deze zuidelijke regionen landde, zo dicht bij de plaats waar in het begin van onze jaartelling de Britse koning Arviragus in Avalon (thans Glastonbury) Jozef van Arimathea ontmoette. Hiermee werd de mogelijkheid geschapen het evangelie van Christus voor het eerst op Britse (Europese) bodem te prediken. Ook de ‘Davids­vorst’ Willem III kwam hier aan, nu om dat destijds gezaaide evangelie te beschermen en te handhaven. De prins bereikte kort daarop Londen, herstelde de vrijheden en werd met zijn vrouw Mary tot koning en koningin van Engeland gekroond. Jacobus II vluchtte met zijn aanhang naar Ierland.

Ierland

Vooral in het noorden van Ierland waar de meeste Protestanten woonden, was de toestand er natuurlijk niet beter op geworden nu Jacobus zelf in het land verbleef en met zijn door Lodewijk XIV en de Jezuïeten gedirigeerde leger optrok naar Ulster. De inwoners van Lisburn vluchtten naar Antrim in het noordoosten, maar toen de vijand steeds dichterbij kwam, trokken allen zich terug in de stad Derry (Londonderry), de havenstad aan de Foyle Lough, de baai aan de noordkust van Ierland. In Derry wist een aanvankelijk verdeeld bestuur niet wat te doen. De stad overgeven aan de immers ‘wettige’ koning of verzet plegen.

Dit alles vond nog plaats in 1688 toen Willem III in Engeland zelf de handen vol had. Het dilemma van Derry werd ten slotte verbroken toen een groep gilde-leerlingen, de zogenoemde ‘Apprentice Boys’, de stadspoort sloten toen het ‘koninklijke jezuïetenleger’ voor de stad verscheen. Door de besluitvaardigheid van deze jongens werd de knoop doorgehakt en het beleg van Londonderry nam een aanvang. Een zekere Adam Murray nam de leiding en wist de stad stand te doen houden, zij het met grote moeite. In 1689 slaagden uiteindelijk enkele schepen van de Engelse vloot van koning Willem III erin, onder leiding van kapitein Browning, de vijandelijke versperring in de Foyle Lough te vernietigen en de stad te bevrijden. Het ‘Ontzet van Londonderry’ speelt in Ulster-kringen een even grote rol als bij ons het ‘Ontzet van Leiden’ en Alkmaar, ‘vanwaar de Victorie begon’. De enige andere stad in Ulster die wist stand te houden, was Enniskillen in het westen van Noord-Ierland

Willem zelf steekt naar Ierland over

Dit alles maakte het mogelijk dat nog in 1689 een van de generaals, de hugenoot Schomberg, met zijn vloot een landing ten zuiden van Belfast kon uitvoeren. Na de gehele baai waaraan Belfast ligt omgetrokken te zijn, wist hij de vesting Carrickfergus, aan de noordzijde van de baai in te nemen. Dit was het moment waarop Willem had gewacht. Op 14 Juni 1690 landde hij op dit bruggenhoofd. Hij bleef er maar een half uur, ‘want er mocht geen gras onder zijn voeten groeien’ en vertrok met zijn leger – dat bestond uit Nederlanders, Schotten, hugenoten en Duitsers, die allen beseften dat het gehele Protestantisme op het spel stond – in zuidelijke richting, waar hij op 12 juli (the Twelfth) aan de rivier de Boyne het leger van James II definitief versloeg. Er heerste grote verslagenheid toen generaal Schomberg al in de eerste uren van deze slag sneuvelde, maar Willem sprak tot zijn staf: “God zal onze Commandant zijn en ikzelf zijn uitvoerende generaal”.

Carrickfergus, een Davidische landingsplaats

Wij weten nu hoe Willem in Carrickfergus voor het eerst voet op Ierse bodem zette. Ook hier mogen wij van een historische merkwaardigheid spreken! Het schip dat omstreeks 580 BC de profeet Jeremia (Ollam Follah), Baruch, de ‘steen’ (Lia Fail) en Tamar Tephi, de dochter van de koning (Jer.41:10 en 43:6) naar Ierland bracht en het Davidische koningshuis een nieuwe ‘bestelde plaats’ gaf, leed schipbreuk voor de kust van deze haven en het was eveneens in Carrickfergus dat de hoge gasten – en de volism van Oranje, die over Dsten!volgens de Ierse Kronieken – het groene eiland Hibernia betraden!

De grote dankbaarheid voor hetgeen Willem van Oranje voor hen gedaan heeft, is onder de Protestanten van Ulster levend gebleven en leidde zo’n honderd jaar later tot de oprichting van de bewuste Orange Order.

 

De oprichting van de Orde

Het Rooms-katholieke Zuid-Ierland bleef echter, ook na de dood van Willem III, zeer woelig. Kleine en grote opstanden tegen het Engelse gezag kwamen gedurende de hele 18de eeuw voor. De ‘Franse Revolutie’ die in Frankrijk de godsdienst wilde uitroeien en ook de macht van de Roomse kerk vele decenniën wist te breken, had echter in Ierland heel andere gevolgen. Dáár zetten de revolutionairen de Rooms-katholieke bevolking op tegen de protestantse landeigenaren van Ulster. In Ierland werkten atheïsme en katholicisme juist samen tegen Engeland en het Protestantisme. Er vormden zich Ierse terreurbendes waarvan de beruchtste de club van de ‘Defenders’ was, die met hun Grieks klinkende lijfspreuk ‘Eliphismatis’, de bewoners van Ulster de rillingen over de rug deed lopen. Dit geheimzinnige woord is namelijk samengesteld uit de eerste letters van de volgende moordlustige doelstelling: ‘Every Loyal British Protestant Heretic I Shall Murder And This I Swear’.

Na een complete veldslag in 1795 in de graafschap Armagh, bij de plaats Diamond, waarbij de Protestanten de overwinning behaalden, werd direct na deze slag in Loughall de ‘Orange Order’ opgericht. Ook hier doet zich een historische merkwaardigheid voor. Terwijl in het jaar 1795 in Nederland het Huis van Oranje roemloos ten ondergaat, zonder uitzicht op een eventueel herstel in de toekomst, wordt tezelfdertijd in Noord-Ierland een strijdbare Protestantse Orde opgericht, die de nagedachtenis van de grootste der Oranjes, Willem III, hooghoudt. Een Orde die bereidt is alle goede tradities waarin hij hun is voorgegaan, ook in de toekomst te ‘handhaven’ (Je maintiendrai!’).

Gebeurde er in 588 BC in Jeruzalem niet iets dergelijks toen Zedekia als laatste regerende vorst uit het Huis van David, zonder enige kans op herstel van de dynastie, van de troon werd gestoten door Nebukadnezar? In dezelfde tijd werd van de top van de koningsceder (Ezech.17) een ‘teder twijgje’ geplukt dat zou worden overgeplant om weer tot een bloeiend vorstenhuis te gaan uitdijen. Zoals wij geloven landde dit ‘tedere twijgje’ in de persoon van Tamar Tephi in Carrickfergus, in hetzelfde Noord-Ierland dat het hoofdkwartier werd van de latere Oranje orde.

 

De Oranje Orde behield zijn reden van bestaan

Toen in 1798 een complete opstand uitbrak tegen het Engelse gezag in Ierland, streden de mannen van de Oranje Orde aan de zijde van de Engelse troepen. In 1801 werd de ‘Union’ tussen Groot-Brittannië en Ierland afgekondigd. Het Engelse parlement beschouwde de Orangisten als scherpslijpers, die de verhouding met het grotendeels Rooms-katholieke Ierland maar vertroebelden. Om deze reden werd de Orde op verzoek van de Engelse regering zelfs enkele malen opgeheven, maar de telkens weer de kop opstekende Ierse terreur­beweging in Ulster toonde wel aan hoezeer de Oranje Orde reden van bestaan had. Sinds de Orde in 1843 voor de tweede keer werd opgericht, bleef hij bestaan tot in onze tijd – of om het in Bijbelse termen te zeggen ‘tot op de huidige dag’. Vanaf het einde van de vorige eeuw tot 1912 verzetten de Orangisten en trouwens alle bewoners van Ulster zich sterk tegen de steeds weer in Engeland opduikende plannen om het gehele eiland de zogenaamde ‘Home Rule’ (zelfbestuur) te geven.

De Orangisten wensten geen autonomie waarbij de Rooms-katholieke Ieren, die immers in aantal in de meerderheid waren, de boventoon zouden voeren, ‘Home Rule = Rome Rule’. Het ‘Ulster Covenant’ onder leiding van sir Edward Carson, bleek in 1912 zelfs bereid de wapenen tegen Engeland op te nemen, toen dit land Ulster – die lastige provincie die ‘plus royaliste que le roi’ bleek te zijn – via de Home Rule aan Zuid Ierland wilde uitleveren. Na de opstand van de Zuid-Ieren tegen Engeland, midden in de eerste wereldoorlog (1916) die door Engelse troepen hardhandig werd gesmoord en waarbij de Orangisten natuurlijk weer aan de kant van Engeland stonden, werd uiteindelijk besloten tot een definitieve verdeling van het eiland. Ulster werd een integrerend deel van Groot-Brittannië met zes graafschappen, terwijl Eire, onder de Valera, de weg insloeg naar een zelfstandige republiek, geheel los van het Britse Gemenebest.

Waarom nog steeds een Oranje Orde?

Zo heeft de Oranje Orde het noordelijke Ierland begeleid op zijn weg naar de afscheiding van Eire, waarin de extreme groeperingen, zoals ‘Sin Feinn’ en de ‘Fenians’ – waarvan de leden vol trots beweren afstammelingen te zijn van de Feniciërs! – met lede ogen het aparte bestaan van Ulster aan hun grenzen zagen voortduren. Ulster, dat zij zo graag als een deel van hun republiek zouden hebben ingelijfd. De leden van de Oranje Orde hebben ons ervan weten te overtuigen, dat het huidige Katholicisme van de Ieren op geen enkele wijze is te vergelijken met dat in Nederland. In Eire heerst nog een vrijwel Middeleeuwse Mariaverering, die zich o.a. manifesteert in het beklimmen van een ‘heilige’ berg.

Duizenden pelgrims beklimmen vrijwel iedere week de steile, steenachtige berghelling, soms op blote voeten, om de aan Maria gewijde top te bereiken. De ambulancewagens rijden ‘s zondags af en aan om de aan hun voeten zwaar gewonde zelfkastijders (Col.2:23) naar de ziekenhuizen te rijden. Handel in heilig water, door ‘Maria’ gezegend, is een winstgevende bron van inkomsten. Het Katholicisme laat daar nog altijd de agressiviteit zien zoals die zich onder Jacobus II in 1689 manifesteerde. Aan de andere kant van de grens in Ulster is de laatste tijd een grote verslapping van het geloof waar te nemen, zowel onder Roomsen als Protestanten, waardoor het ongeloof vrije toegang krijgt en de weg baant voor ontevredenheid. De Oranje Orde die nog veel jeugdige en bekwame, strijdbare leden telt, ontleent aan dit alles zijn bestaansrecht in onze tijd. Men vecht nu op twee fronten, tegen de oude vijand en het nieuwe ongeloof. Ook is de volgende uitspraak van kardinaal Manning niet vergeten, die tweehonderd jaar na de slag aan de Boyne in Londen de kerkelijke leiders toesprak:

Het is uw taakom te onderwerpen, te buigen en te breken de wil van het volk van een wereldrijk. Engeland is het hoofd van het Wereld-Protestantisme, het middel­punt van alle activiteiten en de vesting der Protestantse krachten! Wanneer het Protestantisme in Engeland wordt ondermijnd en verslagen, zal het in de gehele wereld worden overwonnen. Als de overwinning in Engeland is behaald, kunnen wij het overal elders af met plaatselijke opruimingsacties”.

De Oranje Orde houdt deze woorden in gedachten en weet daarbij dat men, in sommige opzichten althans,  voor ‘Engeland’ ook ‘Ulster’ mag lezen.

De Koning-Stadhouder op ‘profetisch-historische’ waarde geschat

Het is goed dat wij Nederlanders weten dat er door enkele groepen niet-Nederlanders over Willem III op een bijna Messiaanse wijze is gesproken. Wij zouden dit niet kunnen en ook niet moeten nadoen. Elk volk heeft zijn eigen karaktereigenschappen en het is niet goed elkaar te imiteren. Die groepen zijn de Nederlandse Joden en de Noord-Ieren. In ‘Twee naties zullen zich scheiden’ is het een en ander te lezen over de Joodse gevoelens en gebeden voor Willem III en het Oranjehuis in het algemeen, waar gedoeld wordt op het feit dat in de Nederlandse synagogen, in gebeden voor het koningshuis, de Messiaanse teksten van Jesaja 9 op het Oranjehuis worden toegepast. Willem III wordt in Ulster steeds afgebeeld als een ‘ruiter op het witte paard’, waarbij voorzichtig wordt geduid in de richting van Openbaring 6:2. Willem wordt als een type gezien van de Messias, als een echte koning uit het Huis van David.

Dat de God van Abraham, Isaäk en Jakob Koning Willem voor een uitzonderlijk groots en indrukwekkend doel gebruikt heeft, valt niet te ontkennen. Dat hij een van de allerbeste koningen van Engeland is geweest, benevens de grootste soldaat en staatsman van zijn tijd, wordt door velen volmondig bevestigd. In Ulster beseft men nog – getuige de geschriften van de Oranje Orde – dat Willem III afkomstig is uit het Huis van Oranje, ‘dat uitgelezen geslacht door God verwekt om op te treden als verdedigers van het Protestantse geloof’, zoals de Rev.W.Martin Smyth B.A.B.D. schrijft in zijn boek ‘The Message of the Banners’. De plaatsen waar Willem in Engeland en later in Ierland aankwam, zijn historisch zeer merkwaardig. Op de een of andere wijze staan de namen Arviragus, Jozef van Arimathea, Zuidwest Engeland, Ulster, Tamar Tephi, Carrickfergus, de komst van het christendom in Europa en de overtocht van Willem III naar Groot Brittannië alle in verband met het Koningshuis van David. De persoon van Willem heeft een wonderlijke verbinding gelegd tussen Nederland en Engeland, Ierland en de Joden (delen van Israël), terwijl hij daarnaast, als hoofd van Kerk en Staat iets in zich had van ‘het heilzaam overleg tussen de priester en de koning’ (Zach.6:13), welke functies immers in de Messias verenigd zijn. Willem was het vergund een vooraf­schaduwende vervulling van Hosea 1:11 mogelijk te maken. Hij verenigde ‘de kinderen van Juda en de kinderen van Israël’ en ‘stelde één hoofd over hen’. Ook deze koning werd als ‘buitenlander’ gekroond op de beroemde kroningssteen, de ‘Stone of Scone’ of ‘Lia Fail’, ofschoon tegen de zin van sommige Engelsen, die smalend over ‘Dutch Billy’ plachten te spreken. Zij zagen in hem een concurrent van het ‘officiële’ Engelse koningshuis. Hij had moeten aftreden toen zijn echtgenote stierf en zich niet op de ‘Steen’ mogen laten kronen. Deze mentaliteit is dezelfde als die van de Tories omstreeks 1687, die zo’n grenzeloze eerbied hadden voor de officiële koning – in dit geval Jacobus II – dat zij, hoewel Protestants, bereid waren al die Roomse ontsporingen te slikken, omdat deze koning nu eenmaal het hoofd was van de Engelse Staatskerk (de Anglicaanse!). De ironie van de geschiedenis wil echter dat de volgelingen van deze ‘indringer’ Willem III, namelijk de Oranjemannen van de Orde de meest trouwe en principiële aanhangers zijn geweest van het ‘officiële’ Britse koningshuis! Zij spraken over onze grootste Oranjevorst op een wijze die toonde dat zij nog niet het gebed hadden vergeten dat lange tijd in het ‘Book of Common Prayer’, met instemming van latere koningen (uit het officiële Huis) stond afgedrukt en werd gebeden op iedere 5de  november:

Aanvaard, barmhartige God, onze oprechte dank, omdat Gij onze harten opnieuw vervuld hebt met blijdschap en vreugde, nadat Gij ons bezocht had, en ons een nieuw gezang in de mond gelegd hebt, doordat Gij Zijne Majesteit Koning Willem III op deze dag tot ons gevoerd hebt, omdat Gij kerk en volk bevrijd hebt van paapse tyrannie en rechteloze machts­uitoefening. Wij aanbidden de wijsheid en gerechtigheid van Uwe Voorzienigheid, die te juister tijd tussen beide kwam gedurende onze zeer grote nood en alle boze plannen van onze vijanden verijdelde”.

Hoewel dit gebed niet meer in het ‘Book of Common Prayer’ voorkomt, leeft de bedoeling en de geest ervan voort in het werk van de Oranje Orde, waarvan het bestaan voor ons Nederlanders ergens ook een uitdaging is en waarvan wij mogen aannemen dat haar leden in de komende druk der tijden weer van zich zullen doen spreken. John Bryans, de Grand Master van de Orde, verklaarde tijdens een interview in een Ierse krant (oct.1967), dat ‘de sfeer in de Orde op het moment beter en gezonder is dan ooit tevoren’, een feit waarvoor wij – gezien de doelstellingen van de Orde – oprecht dankbaar mogen zijn. Voor al het goede dat Willem III het Britse Gemenebest en ook ons land lang geleden heeft gebracht, blijven de Oranjemannen pal staan en hanteren zijn lijfspreuk, die van het Huis van Oranje:je maintiendrai


 

 

terwijl de mensen sliepen

door

Shaw Butler

 

De woorden >terwijl de mensen sliepen= komen voor in de gelijkenis over het onkruid in Mattheüs. Zij drukken een toestand uit die onze Israëlnaties gevaarlijk dicht bij de rand van de afgrond brengt. Een toestand die ons langzaam maar zeker op weg helpt naar een crisis, waaruit alleen de HEREGod ons kan bevrijden. We halen de gelijkenis aan:

 

>Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand die goed zaad gezaaid had in zijn akker. Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en hij ging weg. Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn. Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan dat wij het bijeenhalen? Hij zeide: neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbran­den, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur=.

Het gebeurde >terwijl de mensen sliepen= dat het onkruid werd gezaaid en men het eigen zaaien van arglistig en verraderlijk werk begon.

Jammer genoeg kan het kwaad niet ongedaan gemaakt worden, omdat dit het goede alleen maar in gevaar zou brengen. We kun­nen slechts wachten op de oogst om de scheiding verwezenlijkt te zien. Het uitsorteren is precisiewerk, anders zou het goede onbruik­baar gemaakt worden.

Het is belangrijk dat het onkruid, door onze Heer aangeduid als een symbool van het kwaad, >zewan= (Gr.zizania) genoemd werd. Tijdens de groei lijkt dit onkruid op tarwe, maar eenmaal volgroeid zijn de aren lang en de korrels zwart van kleur. Elke zewan­graankorrel moest verwijderd worden voordat de tarwe kon worden gemalen, anders zou het brood bitter zijn en giftig.

In de gelijkenis sliepen de mensen toen de vijand kwam om het onkruid tussen de tarwe te zaaien. Waren ze wakker geweest, dan zou niet mogelijk geweest zijn het onkruid te zaaien.

Deze waarheid moet keihard aankomen bij allen die ernaar streven de naties wakker te schudden uit hun apathische onver­schilligheid voor het gevaar dat de christelijke manier van leven bedreigt. De kostbare waarheden van onze geestelijke en morele erfenis lopen gevaar besmet te raken, wat tot gevolg zal hebben dat ze ineffectief worden door de infiltratie van vreemde ideo­logieën en praktijken in ons nationale leven.

Wat de tarwe betreft, het >goede zaad= binnen de natie, vragen wij aandacht voor de erfenis van ons protestants geloof, voor de hoogste waarde en het belang van de Heilige Schrift, het Woord van God, voor de Goddelijke principes van rechtschapenheid zoals vastgelegd in de Wet, wat de manier van leven betreft en die uiteengezet is in het onderwijs van onze Heer, voor de heiligheid van elk Verbond en alle Verbonden tezamen en de verantwoordelijk­heid van de mensen God te vereren in >schoonheid en heiligheid=. Dit zijn maar een paar van de elementen van onze God-gegeven erfenis, van vader op zoon - trouw gezaaid.

Wat betreft het >onkruid= in onze maatschappij, ze mogen er dan net zo uitzien als wij, maar Jezus zei: Abij hun vruchten zult u ze kennen@. Het is  een troost te kunnen zeggen, dat er een grote opwekking in het land zal komen om ons te ontdoen van dit onkruid of, dat wij tenminste niet de huidige toestand verder moeten laten verslechteren.  Hoe het ook zij, Gods tijd is van Hem zelf. Wat schreef Ezra hierover?

AEn hij heeft de tijden met een maat gemeten, en heeft de tijden met een getal geteld, en hij beweegt en roert het niet, totdat de voorzegde maat vervuld is@. 4 Ezra 4:37

We moeten dus wachten tot de tijd van de oogst, maar die tijd komt eraan en ik denk, zeer spoedig. Het lijkt erop dat de Heer bezig is zijn plannen openbaar te maken voor de leergierigen. Hij sprak indertijd deze woorden tot Habakuk:

AWant wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis, uitblijven zal het niet@. Habakuk 2:3

 

NOG MAAR EEN KLEINE MINDERHEID!

 door

David McLure

 

Een van de meest voorkomende opmerkingen door Identiteit-aanhangers in deze donkere dagen is dat we nog maar bestaan uit een kleine minderheid. Deze verzuchting wordt dikwijls geuit met een gevoel van wanhoop. Velen vergelijken ons huidige kleine aantal met vroegere dagen toen de grootste ontmoetingscentra en auditoriums in de Celto-Angelsaksische landen konden worden gevuld met mensen die verlangend waren om te horen over hun Israël-identiteit en Gods grote Koninkrijks­plan. Bovendien werden aanhangers van de Israëlboodschap gevonden in vooraan­staande posities, in zowel Kerk als Staat.

Deze terugval naar een klein overblijfsel is nog moeilijker te verdragen als we ons realiseren dat de wanhopige toestand van de Israëlnaties is ontstaan omdat wij de wetten en statuten, door God gegeven aan onze voorvaderen, hebben afgewezen. Geconfronteerd met de Goliath van het kwaad die onze landen achtervolgt, bestaat het gevaar dat Israël-gelovigen denken dat zij weinig kunnen doen om de ontstane situatie blijvend te veranderen en daarom achterover leunen om de Tweede Komst maar lijdelijk af te wachten.

 

In het eerste hoofdstuk van het Boek Jesaja is een nauwkeurige beschrijving te lezen van de staat waarin het volk Israël zich bevindt in 2009: AEen rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht. Wee, het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtig­heid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben de HERE verlaten, de Heilige Israëls versmaad, zich achterwaarts gewend. Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf; wonden, striemen en verse kwetsuren, die niet uitgedrukt zijn, noch verbonden, noch met olie verzacht. Uw land is een woestenij; uw steden zijn met vuur verbrand; uw akker, daarvan eten vreemden voor uw ogen: een woestenij, als door vreemden ondersteboven gekeerd@. Jesaja 1:3-7

 

Ondanks het geveinsde optimisme van politici die een betere toekomst beloven als we maar op hen stemmen en hen regeringsbevoegdheid toevertrouwen; ondanks de gemeenplaatsen van de moderne geestelijkheid en hun humanistische medestanders, die het stelselmatig afbreken van normen en waarden in de maatschappij hebben aangemoedigd en toegejuicht, kan geen oprecht mens de waarheid van Jesaja=s woorden ontkennen.

Daardoor is het beeld ontstaan van aan de ene kant een zieke en corrupte natie en aan de andere kant een relatief klein gezelschap Bijbelgetrouwe volgelingen van de Here Jezus, die weten wie Gods verbondsvolk Israël is. Hoe kan dit kleine overblijfsel enige invloed hebben op de situatie? Een verbazingwekkend antwoord is te vinden in vers 9 van hetzelfde hoofdstuk. AIndien de HERE der heerscharen ons niet enige weinige ontkomenen had overgelaten, waren wij als Sodom geworden, aan Gomorra gelijk@. Met andere woorden, het bestaan van een klein overblijfsel redt de gehele natie van de ondergang; op dezelfde wijze als God Sodom en Gomorra gespaard zou hebben van zijn vernietigend oordeel, als Abraham tien rechtvaardigen had kunnen vinden. Deze waarheid zou iedere Israël-gelovige nieuwe kracht moeten geven! God kijkt niet naar ons zoals mensen doen. Voor de meesten om ons heen zijn we een onbeduidende groep die er een idiote theorie op na houden. In werkelijkheid betekent ons bestaan voor de natie de redding van de totale ondergang. Door de genadige gerechtigheid van de redding aan ons geschonken door Jezus Christus, zijn wij  beschermd tegen de uitstorting van de wraak over ons land door een rechtvaardige God.

Gedurende Israëls lange geschiedenis heeft de goedgunstige God in het land een overblijfsel voor zichzelf gereserveerd. Toen Elia dacht dat hij de enige overgebleven getrouwe was, zei de Here God tegen hem:

ADoch ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft@. I Koningen 19:18. En de apostel Paulus kon in zijn dagen verklaren: AZo is dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade@. Romeinen 11:5

Zo is het ook in 2009. Dat kleine overblijfsel behoort tot de Gemeente, de uitgeroepenen binnen Israël.  De Redder en Verlosser van Israël, de Heer Jezus Christus, wandelt niet meer in menselijke vorm op deze aarde, maar zijn Lichaam – de ware Gemeente – vertegenwoordigt Hem.

Toen Jezus op aarde was, predikte hij het Evangelie van het Koninkrijk. Hij riep mannen en vrouwen op de zonde de rug toe te keren en de gave van het eeuwige leven te ontvangen. Hij leerde zijn volgelingen eerst het Koninkrijk van God te zoeken. Ook leerde Hij dat het einde van de eeuw zou komen en spoorde zijn toehoorders aan zich gereed te maken voor zijn terugkeer en te bidden zonder ophouden. Zijn boodschap was niet populair. Menigeen liet Hem in de steek en vluchtte. Uiteindelijk stond Hij alleen in Pilatus= rechtsgebouw, maar uiteindelijk was er de overwinning toen hij triomfeerde over alle machten van Satan en uit het graf verrees als de verheerlijkte Koning der koningen en Heer der heren. Zoals Jezus sprak moeten wij dat ook doen; zoals Hij werd afgewezen zullen ook wij afwijzing ervaren; maar zoals Hij uiteindelijk triomfeerde, zullen ook wij  triomferen. Als wij, het overblijfsel, onze geweldige roeping inzien dat wij als het zout dienen dat de natie moet bewaren voor vernietiging, zouden we niet ontmoedigd moeten worden of immobiel omdat we klein in aantal zijn of door het gebrek aan respons van onze mede-Israëlieten die nog blind zijn voor hun identiteit en Gods wegen niet bewandelen.

Verderop in Jesaja 1 spreekt God tedere woorden tot zijn volk dat Hij, ondanks hun zonden, nog steeds liefheeft: AWast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen..... Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de HERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol@. Jesaja 1:16,18

Na deze smeekbede aan zijn volk, doet de Machtige Israëls een geweldige belofte: AIk wil mijn hand tegen u keren.....(en na de beschreven zuivering) .....uw rechters zal Ik weer maken als weleer en uw raadsheren als in den beginne. Daarna zal men u noemen: stad der gerechtigheid, getrouwe veste. Sion zal door recht verlost worden, en wie daaruit zich bekeren, door gerechtigheid@. Jesaja 25-27

 

>Nog maar een kleine minderheid=! Laten we deze woorden niet uiten in wanhoop, maar ons in gedachten roepen dat wij, als overblijfsel volgens de verkiezing der genade in onze dagen en onze generatie, Israëls garantie voor overleving zijn. In nederigheid en dankbaarheid en in nooit ophou­dend gebed en getuigenis zullen we doorgaan tot de dag wanneer, zoals Ezechiël voorzegt, de dode beenderen van Israël weer tot leven zullen komen en vervuld van de Heilige Geest uitgroeien tot een machtig leger om de Heer in de komende Koninkrijkseeuw te dienen.

Uit: TKC - April 2009

Vert.Tj.Wijsman-Everaarts

 

De Antichrist

1 Johannes 2:18.

"Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen."

Veel christenen menen op grond van deze woorden dat er kort voor Jezus' wederkomst (in de 'eindtijd') een satanische macht zal opstaan, om over de wereld te heersen, die dan door Christus bij zijn komst zal worden overwonnen. Maar Johannes heeft het duidelijk over zijn eigen dagen: "Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit (zijn tijd!) het laatste uur is" (vs 18b). Wie waren dan die antichristen van zijn tijd? Hij begint hoofdstuk 4 met: vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen ... Iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist. (1 Johannes 4:1-3).

Hij verbindt antichrist dus met valse profeten. In het OT waren valse profeten mensen die beweerden een profeet van God te zijn, maar die in werkelijkheid niet door God waren gezonden. Zo ook hier:

U, kinderen, komt uit God voort ... Die valse profeten komen uit de wereld voort. Daarom spreken zij de taal van de wereld en luistert de wereld naar hen. (vers 4-5)

In hoofdstuk 2 had hij ook al gezegd: ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. (2:19)

Het gaat dus om voormalige leden van de gemeente, die de gemeente hebben verlaten en nu een afwijkende (valse) leer prediken. Die leer is kennelijk gebaseerd op menselijke redenering, want Johannes zegt dat zij 'de taal van de wereld' spreken, omdat zij 'uit de wereld voortkomen', dus omdat zij werelds (menselijk) denken.

We hebben hier te maken met de Griekse voorvoegsels 'pseudo' en 'anti'. Dat anti heeft de betekenis van 'tegen', zoals in tegenstander of tegenpartij, maar wordt ook gebruikt in niet-vijandige betekenis, zoals voor gasten die je later uitnodigen voor een 'tegenbezoek' (Lukas 14:12). Dat brengt ons op de betekenis van 'in ruil voor' of 'in plaats van’.

En die laatste betekenis heeft het in dit woord antichrist: iemand die de plaats probeert in te nemen van de echte Christus. Die valse leraars proberen dus te spreken met een gezag als van Christus zelf. Dit vinden we weerspiegeld in 1 Johannes 4:1-3 (zie boven), en in zijn tweede brief: "Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden."

Dit is de misleider en de antichrist. (2 Johannes 7) Dit woord 'misleider' (Grieks: planos) betekent iemand die anderen op een dwaalweg voert. Het valt echter op dat hij in 2:18 zegt 'u hebt gehoord dat' er een antichrist zal komen'. En opnieuw in 4:3: ‘... De antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen'. Zij hebben daar eerder van gehoord, en zien dat nu vervuld. Nu is het altijd zo dat wanneer we in de Schrift vinden dat de lezers van iets hebben gehoord, wij dat ergens eerder in de Schrift kunnen lezen. En dan is de vraag dus: waar verwijst Johannes dan naar? Het blijkt dat we die aankondiging van zulke antichristen vinden in Jezus' rede op de Olijfberg: Er zullen talrijke valse profeten (pseudoprofeten) komen die velen zullen misleiden [Grieks: planaö] ... Want er zullen valse messiassen (pseudochristussen) en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden [planaö]. Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd. (Mattheüs 24:11,24)

Mattheüs gebruikt in zijn weergave het woord pseudochristus in plaats van dat antichrist van Johannes. Maar in beide gevallen vinden we die koppeling met valse profeten en het gebruik van dat woord 'misleiden' of  'misleider'. Dus ook zo is het voldoende duidelijk dat Johannes verwijst naar deze uitspraak van Jezus. 'Pseudo' duidt alles aan dat zich ten onrechte voordoet als iets anders. We vinden het regelmatig voor 'valse profeten', maar ook voor 'schijnapostelen' (2 Korinthiërs 11:13), 'valse broeders' (2 Korinthiërs 11:26, Galaten 2:4), en 'pseudo-kennis' (1 Timotheüs 6:20). Petrus gebruikt het om 'valse leraars’ aan te duiden, die hij ziet als de tegenhangers van de 'valse profeten' ten tijde van het Oude Verbond (2 Petrus 2:1). Dus die 'in-plaats-van Christussen van Johannes zijn dezelfde als die 'schijn-Christussen van Mattheüs.

Maar wat bedoelt Johannes dan met 'dit is het laatste uur'? Paulus schrijft aan de Korintiërs over afvalligen in het OT, en zegt dan "Dit is ... opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is" (1 Korinthiërs 10:11, NBG'51). De NBV vertaalt dat met 'voor wie de tijd ten einde loopt'. Petrus schrijft: "Het einde van alles is nabij. Kom daarom tot bezinning en wees helder van geest" (1 Petrus 4:7). Ook zij beiden spreken dus, ieder in zijn eigen bewoordingen, over een einde dat nabij is, en zien daarin een reden tot extra waakzaamheid. Met de verlossing die Jezus tot stand heeft gebracht, en het einde van het Oude Verbond met zijn tempeldienst en de daarbij behorende offers, en daarom de aanstaande verwoesting van Jeruzalem en de tempel, was het inderdaad het einde van een tijdperk.

De schrijver aan de Hebreeën verwoordt dat zo: "(Jezus) heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen" (Hebreeën 9:26). In die zin was het dus een 'einde'. Betekent dat dan dat we in onze dagen geen 'antichrist' meer hoeven te verwachten? Het antwoord is: nee we hoeven de komst daarvan niet te verwachten, want we hebben er al die tijd al mee te maken. Valse leer, gebaseerd op menselijke redeneringen, is helaas al vroeg in het christendom ingeslopen. Dat was ook al zo onder het Oude Verbond, en dat is zo onder het Nieuwe Verbond. Het is die antichrist die door Jezus bij zijn wederkomst zal worden weggedaan.

In het boek Openbaring komen we die aanvankelijk tegen als een 'beest' dat zich uiterlijk vertoont als 'het Lam' (een beeld van Christus), maar dat spreekt als de draak (symbool van de voortdurende menselijke rebellie tegen God). Dat is feitelijk dezelfde gedachte, alleen in een iets ander beeld. En omdat beesten in de symboliek van de schrift menselijke rijken voorstellen, hebben we reden om in dat beest de middeleeuwse kerk te zien die haar (ook volgens eigen zeggen) onbijbelse leer met harde hand oplegde aan alle burgers van het door haar beheerste gebied. Maar dat is intussen verleden tijd. In Openbaring 16, 19 en 20 vinden we het daarom weer voorgesteld als een 'valse profeet' (pseudoprofeet), die door de echte Christus zal worden vernietigd in de vuurpoel. Maar de ware gelovigen waren al door Jezus' rede op de Olijfberg gewaarschuwd zich verre te houden van zulke menselijke 'aanpassing' van de ware leer, om niet mee te worden vernietigd. Het enige dat zij daar voor hoeven te doen is zich serieus verdiepen in de 'gezonde leer', dus in Gods Woord, de Bijbel.

 

     
     
  Site Map