|
Een Nieuw Geluid 2009-4
Inhoud dit nummer
'Angst is slechte raadgever' door G. van der Laan
'Oproep tot gebed voor het volk' door J. Alberts
'Aan wie de wereldmacht en heerschappij'
'De drie-eenheid van God' door C. van Ekeren
'Een wereldcrisis' door G. van der Laan
ANGST IS SLECHTE RAADGEVER
“En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen.” (Lucas 21:25-26)
Bijna 2000 jaar geleden werden deze woorden gesproken door de Here Jezus. Alle eeuwen door zijn er tijden geweest dat de mensen bang waren voor de dingen die zouden kunnen gebeuren en ook werkelijk plaats vonden. Wat ons eigen volk betreft, denk aan de tachtigjarige oorlog, de tijd van hervorming en bevrijding. Wat een strijd en vele slachtoffers. Later de Franse tijd en bezetting en er leven nog velen die de Duitse bezetting hebben meegemaakt.
Voor het besef van de mensen die dergelijke dingen meemaken gaat het dan over hun hele wereld. In bovenstaande tekst kan het Griekse woord voor wereld net als ons Nederlandse woord een ruimere en een beperktere betekenis hebben.
Nu wij nieuwsberichten vanuit de hele wereld dagelijks kunnen volgen wegens de moderne communicatiemiddelen kan de angst zich ook over de gehele aardbol verbreiden en dat gebeurt dan ook.
‘Zee en branding’ worden genoemd. Denk aan de verwoestende vloedgolven die vooral in het Indonesische Atjeh duizenden slachtoffers eisten. Verder spreekt men wereldwijd over de toenemende warmte op aarde en de gevaren van een meters hoge stijging van de zeespiegel. De aandacht wordt dan vooral gevestigd op Aziatische landen met open kusten, waar in de regentijd dikwijls grote gebieden onder water komen te staan. Dat is niet iets dat nu in onze dagen plotseling gebeurt, maar dat is al jaren het geval. Nu valt het meer op omdat de media er alle aandacht aan besteden en de gevolgen zijn erger omdat de bevolking toeneemt en de mensen zich in de lage gebieden vestigen, waar kans op overstroming tamelijk groot is.
Nu is de griep dagelijks nieuws. Niet dat griep iets nieuws is, want die kwaal komt ook reeds heel lang voor, maar de mensheid wordt er nu bang voor gemaakt omdat deze griep wel eens heel ernstig kan worden. Niemand weet dat zeker! De gevallen tot nu toe zijn niet uitzonderlijk ernstig. Het is echter voorpaginanieuws dat een zeventienjarige jongen aan de Mexicaanse griep is overleden. Er staat bij dat de jongen al ernstig ziek was toen hij door de griep werd getroffen. Die griep kon er net niet bij, maar zeggen dat hij aan een ernstige ziekte is overleden is geen nieuws, wel dat hij aan de griep is overleden. Ze maken de media ons bang voor de griep.
Elk jaar sterven zwakke en zieke mensen aan de griep. Zij hebben niet voldoende weerstand om een griep te overleven, terwijl de meeste mensen die griep krijgen met rust er binnen een paar dagen weer van af zijn.
Toen onze voorouders, het volk Israël, 40 jaar in de woestijn doorbracht en zij naar het beloofde land mochten gaan, kregen ze de waarschuwing dat ze in een goed land zouden komen, geen gebrek zouden lijden, voorspoed zouden genieten en hun bezittingen zouden zien vermeerderen. De waarschuwing hield in dat ze niet moesten gaan denken dat zij zo goed waren en het hun eigen vermogen geweest was waardoor ze voorspoed hadden gekregen. Alle bekwaamheden die ze hadden, waren Gods gaven en daarom moesten ze Hem blijven dienen door nauwkeurig zijn voorschriften te volgen. De Bijbel laat ons duidelijk zien dat het met onze voorouders precies zo is gegaan als met ons. In tijden van voorspoed, hadden we God niet nodig, want we konden het zelf wel. Het gevolg was dat het minder goed ging of zelfs slecht. Dan traden de profeten op die het volk weer terugwezen op hun God. Dikwijls volgde dan bekering en weer nieuwe voorspoed. Zo is onze hemelse Vader! En dan wij weer verkeerd aan de gang, enzovoorts.
De angst wordt ons opgedrongen. De machthebbers van deze wereld weten dat angst het volk doet verlangen naar een sterke man, die de wereld de oplossing zal bieden voor de problemen. Die oplossing hebben ze al klaar: één wereldregering en één wereldgodsdienst en één wereldeconomie. Dat komt dan onder één werelddictatuur.
De Bijbel wijst de juiste en beste oplossing. De Here Jezus zegt: “Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt.” (Lucas 21:28).
G. van der Laan
Oproep tot Gebed voor het Volk
Door een indrukwekkend goddelijk ingrijpen is het volk Israël ontsnapt aan de tirannie van Egypte.(Exodus 20:2). Onder leiding van de door God aangestelde Mozes (Ex.3:10) gaat het volk nu beginnen aan de tocht naar het beloofde land.
Bij de Sinaï aangekomen sluit God met het volk een verbond. Daarin zegt God: ' Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. Deut.7:7. '... dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk'. Ex.19:5,6. (Zie ook 1 Petrus 2:9).
Maar God kent Zijn volk: 'Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk' Ex.32:9 en niet minder een weerspannig volk (o.a. Deut.9:24).
Het verbond dat God met Zijn volk sloot kent wel een voorwaarde. ' Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan ....'. Ex.19:5.
En dat dit volk hardnekkig en weerspannig is blijkt al spoedig. Als Mozes 'in gesprek' is met God, duurt dat het volk te lang, het wordt ongeduldig en roept Aäron op om zelf goden te maken. (Ex.32:1-6). Dan wil God ingrijpen. '...dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vernietige...' Ex.32:10.
'Toen zocht Mozes de gunst van de HERE, zijn God en en hij zeide: 'Waarom, HERE zou uw toorn ontbranden tegen uw volk, dat Gij uit het land Egypte hebt geleid met grote kracht en met een sterke hand? Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Tot hun onheil heeft Hij hen uitgeleid om hen te doden in de bergen en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat uw brandende toorn varen en heb berouw over het onheil, waarmede Gij uw volk bedreigt. Denk aan Abraham, Isaäk en Israël, uw dienaren, aan wie Gij gezworen hebt bij Uzelf en tot wie Gij gesproken hebt: Ik zal uw nakomelingschap vermenigvuldigen als de sterren des hemels en dit gehele land, waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nakomelingschap geven, om het voor altoos te bezitten'. Ex.32:11-13, Deut.9:26-29. 'En de HERE kreeg berouw over het kwaad, dat Hij gezegd had zijn volk te zullen aandoen'. (Ex.32:14).
Op de tocht naar het beloofde land krijgt Mozes heel wat te stellen met zijn volk. Kort na het vertrek van de Sinaï begint het volk te klagen over voedsel en watergebrek. Zij willen niet alleen manna, maar ook vlees. (Num.11:1-9). Mozes kan het niet langer verdragen en hier toont hij zich de ware leider, voorganger, maar bovenal middelaar. Hij stelt zichzelf beschikbaar als offer voor het volk (Num.11:15). Hierna volgt de aanstelling van de 70 oudsten om het werk van Mozes te verlichten.
'Toen brak het volk op uit Hazeroth en legerde zich in de woestijn Paran'. (Num.12:16).
Dan krijgt Mozes van God de opdracht om verspieders uit te zenden om het beloofde land te verkennen. (Num.13:1,2). Twaalf mannen, uit elke stam één... Bij hun terugkomst zijn er slechts twee, die een gunstig verslag uitbrengen; Jozua en Kaleb. En de andere tien? Zij verspreiden slechts 'kwaad gerucht'. (Num.13:31-33). Het volk begint te klagen. Gods geduld is nu bijna ten einde.
En weer treedt Mozes op als middelaar. Hij bidt: (Num.14:13-19). Ik citeer de verzen 17-19: 'Nu dan, laat toch de kracht des HEREN zich groot betonen, zoals Gij gesproken hebt: De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat, maar de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen,aan het derde en vierde geslacht. Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk naar de grootheid uwer goedertierenheid, gelijk Gij dit volk vergiffenis geschonken hebt van Egypte af tot hiertoe'.
En Gods antwoord in de verzen 20-24: 'Op uw bede schenk Ik vergeving. Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des HEREN de ganse aarde vervullen zal: Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten'.
Belijdenis van schuld, en smeken om vergiffenis.
Niettemin is de straf, welke God het volk oplegt niet gering. 'Zeg tot hen: Zowaar Ik leef, luidt het woord des HEREN, Ik zal zeker met u doen gelijk gij te mijnen aanhoren gesproken hebt! In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt. Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun!
En uw kinderen, van welke gij gezegd hebt: Die zullen tot een buit zijn; hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat gij veracht hebt. Maar wat u betreft, uw lijken zullen vallen in deze woestijn, en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn rondzwerven en uw overspelig gedrag boeten, totdat uw lijken alle in de woestijn liggen. Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag een jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik Mij afkeer' Num.14:28-34. (Zie ook 32:11-15).
Als het volk na de door God gestelde tijd voor de grenzen van het beloofde land staat, blikt Mozes terug om het volk eraan te herinneren wat het in de afgelopen periode in de woestijn heeft meegemaakt. Vooral wijst hij op de door God gegeven wetten (Zie Deut. 1 e.v.) Na de dood van Mozes (Deut.34) trekt het volk – onder leiding van Jozua – het beloofde land binnen.
'Israël diende de HERE al de dagen van Jozua en de dagen van de oudsten, die Jozua overleefd hebben ...' Jozua 24:31.
' En Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEREN, stierf, honderd en tien jaar oud; Men begroef hem in het gebied van zijn erfdeel te Timnat-Cheres, in het gebergte van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs. Nadat ook dat gehele geslacht tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een ander geslacht op, dat de HERE niet kende, noch het werk, dat Hij voor Israël gedaan had. Toen deden de Israëlieten wat kwaad is in de ogen des HEREN en gingen de Baäls dienen. Zij verlieten de HERE, de God hunner vaderen, die hen uit het land Egypte geleid had, liepen andere goden achterna uit de goden der volken rondom hen, bogen zich daarvoor neer en krenkten de HERE. Richt.2:8-11. 'Dat de HERE niet kende...'. En afgodendienst was het gevolg. Ontstellend. Is het nu anders?
Hierna werd het volk bestuurd door Richters waarvan Samuël de laatste is. Onder zijn bestuur vraagt het volk om een koning, waarmee Samuël het in het geheel niet eens is. Maar God geeft Samuël de opdracht het volk terwille te zijn. (1Sam.8:5-22).
Hierop zalft hij Saul uit de stam Benjamin tot koning over Israël. Deze Saul wordt opgevolgd door David uit Juda. Ook hij weet zich gesteund door de God van Abraham, Isaäk en Jakob. 'Vraagt naar de HERE en zijn sterkte, zoekt zijn aangezicht bestendig. Gedenkt aan de wonderen, die Hij heeft gedaan, zijn tekenen en de oordelen van zijn mond, Gij nakroost van Abraham, zijn knecht, gij kinderen van Jakob, zijn uitverkorenen. Hij, de HERE, is onze God, zijn oordelen gaan over de ganse aarde; Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond,-- het woord, dat Hij gebood aan duizend geslachten – dat Hij met Abraham sloot, en aan zijn eed aan Isaäk; ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond, toen Hij zeide:U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel' Ps.105:4-11.
Ook in Davids tijd wordt het volk getroffen door straf van God, vooral na de zonden van David, de koning zelf (2 Sam.24). En de straf is zwaar. (2 Sam.24:15). David wordt opgevolgd door zijn zoon Salomo. Onder zijn regering – als koning over alle stammen van Israël – vindt er een geweldige gebeurtenis plaats; de bouw van de tempel in Jeruzalem als woonplaats voor de God van Israël. Bij de inwijding sprak Salomo een opmerkelijk gebed uit. Dit overzag de vele malen in de toekomstige geschiedenis van het volk als het zich in de hoogste nood tot de almachtige God zou wenden om hen te verlossen uit hun moeilijkheden.
Dat gebed begint met: 'Geprezen zij de HERE, de God van Israël, die met zijn hand volbracht heeft, hetgeen Hij met zijn mond aldus tot mijn vader David gesproken had: van de dag af, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte leidde... '1 Kon.8:15,16 (Het gehele gebed vindt u in 1 Kon.8:15-61 en 2 Kron.6:4-42).
De smeekbeden van de koning omvatten vele aspecten van het leven van het volk; omgang met de naasten en de buurlanden, oorlogstijden, weer-situaties, hongersnood, pest, misoogst en ziekten en ook hun houding ten aanzien van de vreemdelingen in hun midden. Salomo smeekt de HERE om Zijn volk op hun bidden vergiffenis te schenken voor individuele zonde zowel als hun nationale zonden. Op dit gebed volgt Gods antwoord: 'Ik heb uw gebed gehoord en deze plaats voor Mij tot een huis der offeranden verkoren. Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend. En mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen'. 2 Kron.7:12-14.
In de brief van Jacobus lezen wij in 5:16: 'Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt'. Deze tekst wordt veelal op de individu betrokken. Toch geldt deze eveneens met gelijke nadruk voor een volk, voor een natie. Onze regeerders en bestuurders zijn geheel onkundig van de identiteit, de afkomst, verantwoordelijkheid en toekomst van ons volk. Kennis, welke zou leiden tot het inzicht dat ons volk het voorrecht heeft om zich tot Gods verbondsvolk te mogen rekenen. Als wij wèl weten wie wij zijn laten wij dan de Almachtige God aanroepen om hun de ogen te openen. Dit zal een schok betekenen, maar er zijn meer dingen door gebed tot stand gekomen dan waar de wereld niet eens van durft te dromen.
Dat de Anglo-Saksisch-Keltische volken het Israël van God zijn, wordt geheel overstemd door de veelheid van – vaak ook tegenstrijdige – meningen betreffende de gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Juist in het land en op de plaats, waar op een speciaal gebouwde knielbank, koning Salomo zijn ernstige gebed tot de Here opzond. 2 Kron.6:13 '... knielde ten aanschouwen van de gehele gemeente van Israël, breidde zijn handen uit naar de hemel'. Zo indringend was zijn gebed ten behoeve van het volk, dat vuur uit de hemel kwam om hun offers te verteren en de tempel gevuld werd met de heerlijkheid des Heren. (2 Kron.7:1,2).
In de gehele geschiedenis van ons volk is het thans meer dan nodig om tot bezinning te komen. Wij worden geconfronteerd met formidabele krachten welke onze ondergang op het oog hebben. Vandaag staat ons bestaan als Israël-natie op het spel. Waar zijn diegenen die ons volk oproepen tot ootmoed en gebed?
Maar er zijn profetische uitspraken die aangeven dat aan alle ellende een einde zal komen. 'Door gerechtigheid zult gij bevestigd worden. Weet u verre van onderdrukking, want gij hebt niet te vrezen, en van verschrikking, want zij zal tot u niet naderen'. Jes.54:14.
En de profeet Joël noemde de nationale vereisten om goddelijke interventie te verkrijgen in zijn profetische uitroep, gericht tot de nationale en kerkelijke leiders om de HERE te zoeken met deze woorden: 'Spaar, HERE, uw volk en geef uw erfdeel niet prijs aan de smaad, zodat de heidenen met hen zouden spotten. Waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is hun God? Joël 2:17
Dit gebed zal worden verhoord wanneer aan alle voorwaarden is voldaan, ootmoed, nationale bekering, afkeer van ongerechtigheid en de erkenning dat Hij onze God is en wij zijn volk. Bovenal wordt ons door de profeet Joël voorgehouden: '...en Ik zal u niet meer prijs geven tot een smaad onder de volken'. (Joël 2:19). En verder: 'Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik de HERE,uw God ben, en niemand anders; mijn volk zal nimmermeer te schande worden' (Joël 2:27).
In de dagen, welke voor ons liggen zal het steeds meer dringend noodzakelijk worden om gehoor te geven aan de oproep tot gebed gegeven door onze God bij monde van de profeet Joël. 'Maar ook nu nog luidt het woord des HEREN: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid,berouw hebbende over het onheil'. Joël 2:12,13.
Nog steeds mogen wij God aanspreken op het verbond dat Hij met Abraham. Isaäk en Jakob gesloten heeft, want dit verbond heeft niets van zijn geldigheid verloren. Nogmaals; waar zijn de leidslieden, waar zijn de voorgangers die het volk voorgaan in gebed? Zij zouden er wel aan doen zich te herinneren, dat zij de herders van Israël zijn en de on-Bijbelse gedachte moeten loslaten, dat de beloften door God aan zijn volk gegeven, zijn overgegaan op de kerken of op de Joden. Dit is slechts een poging om God te verontschuldigen voor Zijn verondersteld falen met betrekking tot Israël. Dat heeft God helemaal niet nodig
Wij zijn nu op het punt in de geschiedenis gekomen waarvan wij in Luc.2:26 lezen: 'De mensen zullen bezwijmen van angst voor de dingen, die over de wereld komen'. De machten van het kwaad zijn zich aan het verzamelen voor de laatste aanval. In de donkere dagen, welke voor ons liggen, kunnen wij troost putten uit het geloof, dat 'De bewaarder van Israël sluimert noch slaapt' (Psalm 121:4).
J.Alberts
AAN WIE
DE WERELDMACHT & HEERSCHAPPIJ ?
Waarom woelen de volkeren
en zinnen de natiën op ijdelheid?
De koningen der aarde scharen zich in slagorde
en de machthebbers spannen samen tegen de
HERE en Zijn gezalfde:
Laat ons hun banden verscheuren en hun
touwen van ons werpen!
Die in de hemel zetelt, lacht;
De Here spot met hen.
Dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn,
en verschrikt hen in Zijn gramschap:
Ik heb immers Mijn Koning gesteld over Sion,
Mijn heilige berg!
(Uit de profetische en messiaanse Koningspsalm Psalm 2).
Waarom woelen de volkeren?
Wij zien de volkeren worstelen om de wereldmacht en heerschappij!
Wij gaan uit van de Bijbels-profetische geschiedenis, Daniël 2: 30-45:
Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem.
Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, (43-44)
Dit Schriftgedeelte van de Goddelijke profetie wijst ons naar de vervulling van de bede uit het Onze Vader:
Uw Naam worde geheiligd,
Uw Koninkrijk kome,
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel,
Zo ook op de aarde!
Er is in de Bijbelse en wereldgeschiedenis altijd strijd geweest onder de volkeren om de wereldheerschappij.
Uit de Bijbelse geschiedenis kan men zien, dat de heerschappij van Juda werd afgenomen en voor een tijd aan de Israël-heidenen werd gegeven (Lucas 21:24).
Volgens de profetie van Daniël zou de wereldheerschappij vier koninkrijken omvatten. Het vierde koninkrijk eindigend in ijzer en vermengd met leem zou aan het eind worden vernietigd.
De ware, door God bedoelde wereldheerschappij, zal uitgaan van een geheel ander, buitengewoon Koninkrijk dat niet gevormd werd uit de vier voorgaande, maar gevormd zal worden door een Koning, die door de profetie vergeleken wordt met een Steen, die zal losraken. (Daniël 2:34; Psalm 118:22).
Dit zal een eeuwig Koningschap zijn en deze wereldheerschappij zal geen einde hebben!
Deze profetie alléén is genoeg om ons ervan te overtuigen, dat het een Koningschap zal zijn dat niet door mensen of naties is opgericht, maar door de eeuwige God. Dit is het Koningschap waarvan de Here Jezus ons heeft leren bidden: Uw Koninkrijk (Koningschap) kome!
Wij willen nu even de Bijbelse geschiedenis raadplegen. Let op, het was in de oudtestamentische Schrift van God uitdrukkelijk bepaald, dat de wereldheerschappij het deel zou zijn van Abrahams zaad.
Abraham ontving deze belofte en heeft ze van God in geloof aanvaard, namelijk: dat hij erfgenaam der wereld zou zijn. Zie Genesis 22:17-18; Romeinen 4:13.
Deze grote belofte had God aan Abraham uit genade gegeven, zonder ook maar één voorwaarde te stellen, alleen omdat hij aan God gehoorzaam was geweest en Hem zijn zoon Isaäk niet had onthouden.
Dáárom, niettegenstaande dat zijn zaad, door ongeloof en eigen schuld de wereldheerschappij verliezen zou, was God toch aan Zijn belofte gebonden, die Hij aan Abraham gezworen had, en de wereldheerschappij moest dus in de toekomst weer op zijn zaad, op Israël, terugkomen onder Koning Jezus.
God beloften falen nooit! Steunende op deze Goddelijke belofte profeteerde Jacob dan ook van de komende Silo(d.i. Redder) dat alle volkeren Hem gehoorzaam zouden zijn! Genesis 49:10.
En tevens gaf Jacob de tweede profetie die in ditzelfde vers zat besloten, nl. dat de grote Koning van dat eeuwige Koninkrijk uit de stam van Juda zou zijn!
Welnu, zevenhonderd jaren later ontving David de belofte, dat die grote Koning van dat eeuwige Koninkrijk zijn Zoon zou zijn (2 Samuël 7:12-13).
Koning David voelde toen al aan, dat daarmee niet alleen zijn zoon Salomo was bedoeld, want hij prees God, Die over zijn huis gesproken had van verre heen. Dat is tot in de verre toekomst (zie vers 19). En dat David zich daarbij een wereldrijk voorstelde bewees hij, toen hij in meer dan één psalm profeteerde: Het zaad van de rechtvaardige (Abraham) zal de aarde beërven (Psalm 25:13 v.v.)
Dit profetische onderwerp: de erfenis van de aarde voor Abraham en Davids zaad leverde van toen af de stof voor de heilige zangen der profeten. Dit alles hebben ze voor koning Salomo profetisch gezongen (lees Psalm 72). Hun profetieën vloeiden over van de toekomstige heerlijkheid van Israël in het land hunner vaderen en zij kenden geen ander verrukkelijk uitzicht dan die zalige tijd, wanneer de beloofde Zoon van David, de Messias, op de troon is gezeten, Juda en Israël aan Zijn voeten en alle volkeren der aarde onder Zijn regerende scepter.
En de geschiedenis ging zich vervolgen:
Overeenkomstig deze profetieën kwam in de volheid der tijd de Zoon van God, onze Here Jezus Christus, uit de hemel op de aarde en werd geboren uit het geslacht van David Juda Abraham.
Zijn geboorte als Mens werd door engelen aangekondigd als die van een Koning en wel de Koning van Israël en de engel van de Allerhoogste verzekerde, dat Hij die Beloofde was van wie Jesaja reeds geprofeteerd had, dat Hij over het Huis van Jacob Koning zou zijn tot in eeuwigheid en dat Zijn heerschappij geen einde zou hebben! (Jesaja 9:6 en Lukas 1:33).
Dit Koningschap van Jezus Christus, onze Heer en Heiland, is het zéér belangrijke punt waar de hele Bijbelse en wereldgeschiedenis op uitloopt!
Het is de slotsom van alles wat geschied is en zal geschieden op aarde; het is te vergelijken met de oceaan, waar de stroom der geschiedenis in uitmondt.
Maar het is dit niet alleen voor hen, die de waarheid van dit Koningschap uit geschiedkundig oogpunt erkennen. De geschiedenis beweegt zich over alle volkeren, koninkrijken en naties en zij houdt hem, die de worsteling der volkeren gadeslaat, gespannen op de grote levensvraag die in de kop van dit artikel is aangegeven: Aan wie de wereldmacht en heerschappij?
Welke machthebber of fusie van naties zal eens en voor altijd de heerschappij over de anderen krijgen?
Wie zal tenslotte de eindkroon dragen? Op deze vraag geeft de Christelijke kerk het enige antwoord, nl. Jezus de Christus met Zijn volk.
Hij, God en verheerlijkt Mens, zal de wereldheerschappij hebben!
Maar dit antwoord, hoe eensluidend ook in de letter, wordt op twee zeer uiteenlopende manieren in het kerkelijk leven van de Christenen begrepen.
Aan de ene kant verstaat de meerderheid van de Christenen onder dit toekomstig Koningschap van Jezus Christus een zuiver geestelijke, onzichtbare regering, die Hij tenslotte door Zijn Woord en Geest op de innerlijke harten van alle mensen en volkeren zal uitoefenen.
Anderzijds verstaat de minderheid der Christenen hieronder een regering, die buiten alle twijfel geestelijk en niet alléén vleselijk, maar toch zeker ook tastbaar, lichamelijk, zichtbaar in al de aardse zegening en hemelse heerlijkheid waarneembaar zal zijn.
Het verschil tussen deze beide gevoelens beweegt zich in de grond beschouwd om de belangrijke vraag betreffende de wederkomst van Christus.
De voorstanders van een zuiver geestelijke regering beweren dan ook, dat de wederkomst des Heren onzichtbaar zal zijn, zodat gezegd kan worden, dat deze wederkomst elke dag plaatsvindt in het hart van ieder wedergeboren ziel, die zich uit de dienst van Satan tot Jezus heeft bekeerd en dat zij geen andere zichtbare wederkomst des Heren verwachten dan alléén met het laatste oordeel.
De voorstanders van de zichtbare regering des Heren op aarde zeggen daarentegen, dat de Heilige Schrift, wanneer zij van de wederkomst des Heren spreekt, daarmee niet bedoelt Zijn onzichtbaar komen in het hart der gelovigen, maar het oog heeft op een zichtbare nederdaling van de Here Jezus als de Mensenzoon met Zijn regeringslichaam (de eerstelingen, de ecclesia - 1 Thess. 4:13-18). Dit (regerings)lichaam gaat onze Heer tegemoet om tezamen met Hem weer op aarde terug te keren in het beloofde erfland van Abraham, Isaäk en Jacob/Israël om met diens nakomelingen, de Israëlieten, een heerlijk koninkrijk op te richten, waar Hij niet alleen in zuiver geestelijke, maar ook in een geschiedkundig lichamelijke zin als Koning van Israël samen met Israël over alle machthebbers en volkeren der aarde zal regeren.
Als Overste der Koningen der aarde (Openb. 1:5) komt Hij ook ten oordeel en dat is ook zichtbaar, want aller oog zal Hem dan zien (Openb. 1:7)!
Er wordt zo verschillend gekeken naar de Bijbelse geschiedenis. Neemt men de mening aan dat er alleen een geestelijke regering van Christus zal zijn, dan verliest alles wat de geschiedenis als tastbaar aanbiedt zijn geschiedkundige waarde, aangezien alles zich gaat oplossen in een nevelachtige onlichamelijke toekomst. Neemt men aan dat er een zichtbare regering van Jezus Christus zal komen, dan krijgt juist het lichamelijke, het tastbare in de geschiedenis belang, betekenis en bestemming.
Het nu nog omsluierde ware Israël ten opzichte van de huidige Israëli-staat zal straks onder de volkeren uitblinken als de eerstgeborene onder alle volkeren!
Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt (Mattheüs 21:43)
En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand bezat een vijgenboom, die in zijn wijngaard was geplant en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond er geen (Lucas 13:6)
De zonde van Juda staat geschreven met ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun hart en in de hoornen van hun altaren, als een gedenkteken tegen hen in hun gewijde palen onder elke groene boom en op de hoge heuvels, de bergen in het veld. Uw vermogen, al uw schatten zal Ik ten buit geven zonder prijs, om de zonde in uw hele gebied en gij zult uw hand moeten losmaken van het erfdeel dat Ik u gegeven had en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent want gij hebt een vuur ontstoken in Mijn toorn dat aldoor zal branden (Jeremia 17:1-4)
Zo wordt de geschiedenis van Israël in verleden, heden en toekomst een belangrijk deel van de Bijbelse en wereldgeschiedenis. En de wijze, waarop de volkeren en koninkrijken zich tegenover elkaar ontwikkeld hebben en nog ontwikkelen, is belangrijk voor een heldere blik in de toekomst.
Door Zijn zichtbaar lichamelijke toekomst, die meer zal zijn dan Zijn lichamelijke geboorte uit Maria, wordt de Here Jezus Christus ook een zuiver geschiedkundig persoon en feit van de heilsgeschiedenis. Hij is de Eerste en de Laatste van alle geschiedkundige personen en feiten. Hij is op deze aarde in een menselijk lichaam geboren, vernederd, veracht, gekruisigd en gedood, met het verheerlijkt menselijk lichaam uit de doden opgestaan en met het verheerlijkt menselijk lichaam ten hemel gevaren, opdat Hij ook straks op deze zelfde aarde als waarachtig God en Mens in het verheerlijkt menselijk lichaam als onze oudste Broeder zal regeren en verheerlijkt worden.
Zijn Koningschap is niet van deze wereldorde en zal komen en zichtbaar worden in de nieuwe toekomende wereldorde, die na de huidige ellendige en zondige wereldorde op deze aarde zal aanvangen tezamen met allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en zullen opstaan (Joh. 5:28) .
Zéér vele getuigenissen in de Schrift maken melding van Palestinas toekomstige heerlijkheid, van Israëls en Judas volkomen herstel en de komst van de grote Koning van Israël in dit herstelde aardse Palestina. Als de Here Jezus Zelf het innerlijk wezen en de geestelijke kracht van Zijn Koningschap verkondigt, heeft Hij nooit de bestemming van de zichtbare uiterlijke heerlijkheid daarbij ontkend of tegengesproken. Ook bij Hem bleef Jeruzalem de titel behouden van de Stad des groten Konings (Mat. 5:35)
Deze titel wil zeggen: de stad van waaruit Jezus als de grote Koning van Israël zal heersen. Toen Hij van deze toekomende eeuw sprak, wees Hij op de zichtbare heerlijkheid van de twaalf apostelen zittende op tronen, oordelende de twaalf geslachten van Israël (Luc. 22:30)
Toen Zijn discipelen Hem kort voor Zijn hemelvaart vroegen: Heer zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weer oprichten?, ontkende Hij de oprichting van dit Koninkrijk niet, maar zei dat de tijd wanneer alléén de Vader wist (Hand. 1:6,7)
Onmiddellijk na dit gesprek verliet Hij de aarde, maar hemelse boodschappers stelden de verbaasde discipelen gerust met de verzekering, dat Hij zichtbaar op de wolken des hemels zou wederkomen. Van deze wederkomst des Heren spraken van nu aan Zijn discipelen en getuigen net zo veelvuldig en beslist als de oude profeten van weleer. Met deze wederkomst van de Here Jezus op aarde verwachten wij de oprichting van het Koninkrijk van Israël door de Here Jezus, naar Gods belofte aan Abraham.
Dan zal de grote Koning van Israël Zijn gezegende scepter voeren over het duizendjarig vrederijk. Hallelujah!
Geloofd zij Jezus Christus de Gekruisigde en Opgestane,
Onze Heiland en Bruidegom,
Onze God en Here, de God van Israël,
Die alleen wonderen doet.
Want U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen!
PROFETISCHE ONTBOEZEMING:
De Morgenster gaat op.
Hij, wortel en geslacht van David,
Vredevorst,
naar Wie Gods schepselen zuchten.
Hosanna, het is Uw Rijk.
Het zijn van Uw bloed de vruchten,
voor ál wat de aarde leed,
Sinds de eerste zonde-ellend,
van ál, wat de aard misdeed,
de ontknoping en het end.
Zie:
Wachter, is de nacht nog lang?
Wachter, welk een dag wordt aan de kim
verwacht?
Naar: Isaäc da Costa
Uw koninkrijk koom toch, o Heer.
Werp Gij de troon van Satan neer.
Regeer ons door uw Geest en Woord.
Uw lof worde straks alom gehoord.
En de aarde met uw vrees vervuld,
Totdat Guw rijk volmaken zult.
Want uw is t koninkrijk, o Heer,
Uw is de kracht, Uw is de eer.
U, die ons helpen wilt en kunt,
Die in Uw Zoon verhoring gunt
En door uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid.
AMEN
De drie-eenheid van God
De God der eeuwen
Een zeer begrijpelijke vraag is: God is toch wel van eeuwigheid tot eeuwigheid, dat wil zeggen de Begin- en Eindeloze? De vertalers van de Bijbel hebben dit allen ook zo gedacht.
Opmerking: Zoals men spreekt "van dag tot dag", dus van meerdere dagen, kan men ook "van eeuwigheid tot eeuwigheid" als meerdere eeuwigheden beschouwen. En bij de traditionele uitleg van eeuwigheid kan dit per definitie niet.
Wat zegt nu de Schrift over God? We lezen in Johannes 1:18 - "Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, die heeft (Hem ons) verklaard."(exegeomai = de weg gewezen, uiteengezet). Dit wil nog niet zeggen dat wij God nu kunnen doorgronden. Hier gaat het om de voor ons onbegrijpelijke genade, wat Jezus bedoelde.
Voor diegenen, die menen door het vinden(= begrijpen) van zijn Naam (tetragram JHWH) tot God te kunnen opstijgen, geldt in het bijzonder: "Zeg niet in uw hart: wie zal in de hemel opklimmen?" (Romeinen 10:6). Wij kunnen slechts zeggen: "hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen."(Romeinen 11:33).
Paulus zegt dat er eens een tijd komt dat wij wel kennen zullen: "Maar alsdan zal ik ten volle kennen, gelijk ook ik gekend ben."(1Corinthiërs 13:12).
Gezien de betekenis van aioon kunnen we dan ook niet spreken van de eeuwige God. Wel dat Hij de werelden (d.w.z. eeuwen = aionen) dacht en zij waren. Hoe zou men God eeuwigheid kunnen toedenken. Hij staat daar ver boven!
Zo lezen we in:
1Corinthiërs 2:7 - "Maar wij spreken van de wijsheid Gods in een mysterie, verborgen geweest zijnde, dewelke God tevoren verordineerde, vóór de eeuwen. Hier staat het meervoud: pro toon aioonoon. De St. Vert. is hier wel erg vrij: "de verborgenheid die bedekt is."
2Timoteüs 1:9 - "Die ons heeft zalig gemaakt ... maar naar zijn eigen voornemen en genade die ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden der eeuwen.
Titus 1:2 - "In de hoop des eeuwigen levens, welke God die onbedrieglijk (apseudes) is, beloofd heeft voor de tijden der eeuwen."
Zo kunnen wij niet spreken van de eeuwige God, maar van de God der eeuwigheden (aionen, meervoud!)., namelijk Hij die deze schiep.
Inderdaad kunnen wij met onze mensenwoorden niet verder spreken dan te zeggen: God is de Algenoegzame, Die in Zichzelf volmaakt is en zijn Beeld, Hem die later als Christus gezonden werd, in Zichzelf weerkaatst door de Geest, zoals er staat:
Colossenzen 1:15 - "Christus is het Beeld van de onzienlijke God, de eerstgeborene van alle schepsel." En in Hebreeën 1:3 - "Hij, Jezus, is het afschijnsel van zijn heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld van zijn zelfstandigheid." Het zal duidelijk zijn dat wij mensen dit niet kunnen begrijpen. Nogmaals, als wij dus spreken van de eeuwige God, wil dat alleen zeggen, dat de eeuwigheden (de eeuwen) van en door Hem zijn. Hij was voor alle dingen: Efeze 3:11 - "Hij maakte tevoren het voornemen der eeuwen.
Overigens komt "van eeuwigheid tot eeuwigheid" tien maal voor in het Oude Testament (van olam tot olam). We vinden dit in:
1Kronieken 16:36 - " Geloofd zij de HEERE, de God van Israël van eeuwigheid tot eeuwigheid." (van olam tot olam).
Zie verder 1Kronieken 29:10; Psalm 41:14; Nehemia 9:5.
Psalm 103:17 - " Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen." Dit slaat op de tijd der mensen.
Psalm 90:2 - " Eer de bergen geboren waren en Gij de aarde en de wereld voortgebracht had, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God."
Hier lijkt het alsof er twee of meer eeuwigheden zouden zijn, maar als al eerder gezegd: dit is ongerijmd. Er staat dan ook "van eeuw tot eeuw. En we schreven al eerder dat God niet in eeuwigheden te plaatsen is. Hij staat daar boven.
Dezelfde term van olam tot olam vindt men ook nog in Jeremia 7:7 en 25:5. Hier geven de Statenvertalers wel van eeuw tot eeuw.
Wie is JHWH?
Nu we zo diverse teksten hebben genoemd, is het juist om ons eerst of te vragen: Wie is de HEERE, die in Israel bekend stond als Jahweh? Als we goed lezen, zal blijken dat Hij het was, die Zich later als Christus zou openbaren. Zo lezen we: "Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God! is in alle eeuwigheid" en verder :"Gij Heere hebt in de beginne der aarde gegrond en de hemelen zijn het werk uwer handen." (Hebreeën 1:8, 10; zie gehele hoofdstuk). Vergelijk nu Psalm 102:26.: "Gij (Jahweh) hebt voormaals de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk uwer handen."
Waar nu in Psalm 45:7 staat: "Uw troon, o God, is eeuwig en altoos wordt dit in Hebreeën 1:8. door de Heilige Geest duidelijk gezegd: "Maar tot de Zoon zegt Hij: uw troon is in de eeuw van de eeuw." De Zich openbarende Jahweh is de latere Zoon. Hij is de Schepper, de Verlosser en de Koning. Zijn regering is niet eindeloos, immers: "totdat Hij het Koninkrijk overgeeft aan de Vader." Jezus is eeuwig Koning in de zin van "in de toekomende eeuw en verder", d.w.z. in meerdere aionen. Hierna zal Hij Zichzelf onderwerpen. Dan zullen de gelovigen ook zien, wat Jezus hier op aarde ons zei: "Ik en de Vader zijn Een," en "wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien."
Willen we nu nader ingaan op de vraag: Wie is de Heere Jezus? Of zoals Hij het Zelf formuleerde: "Wat dunkt u van de Christus? (Mattheüs 22:42). En dit is dan wel de alles beheersende vraag. Hier staat of valt alles mee: Was Hij er voor alle eeuwen (aionen), of anders: Was Christus mens of God?
Deze vraag is niet een moderne. Ze bestond al enige eeuwen na zijn hemelvaart. Zo was het al een strijdpunt tussen Athanasius en Arius. In het jaar 325 (Concilie van Nicea) is daar zeer uitvoerig over gesproken, maar voor velen is het niet afdoende opgelost.' De oorzaak van die tweedracht lag namelijk in een verkeerde vraagstelling, te weten: Is Christus of God of mens? Maar de Heilige Schrift leert ons: Hij is en God en mens.
Het lijkt dan ook tegenstrijdig, enerzijds Openbaring 3:14 -"Christus is het begin der schepping Gods" en anderzijds Romeinen 9:5 - "Hij is God." Maar beide uitspraken zijn juist. Athanasius en Arius hadden dus beiden gelijk en tegelijkertijd waren zij ook beiden font. Het antwoord is: Als Beeld Gods is Christus God, maar om scheppingsmiddelaar te zijn, is Hij eerst Zelf schepsel geworden. De vraag is dus: Is Hij goddelijk geworden als mens of is Hij schepsel geworden waar Hij God was?
Het antwoord vinden we in Colossenzen 1:15-18 - "Dewelke het Beeld is (en niet werd) van de onzienlijke God, de eerstgeborene van alle schepsel, want in (niet door) Hem zijn alle dingen geschapen ... En Hij is voor alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem. En Hij is het Hoofd van het lichaam, van de gemeente. .. Hij die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden opdat Hij in alles de eerste zou zijn."
Zo vinden we dus dat Christus het Beeld van God is en de eerstgeborene van alle schepsels werd. Anderzijds lezen we dat Jezus na de overwinning aan het kruis de Naam ontving boven alle naam, namelijk God (Filippenzen 2:9-11). Vergelijk nu ook met Jesaja 43:10 - Voor Mij is geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn.
Zo toonde Christus ons zijn Godheid. Na de ontlediging tot mens, keerde Hij tot zijn volheid terug. Dit zal gebeuren als alle aionen geweest zijn. Daarna zal het wezen: "God alles in allen." (1Corintiërs 15:28). De Zoon zelf wordt dan onderworpen. Dit laatste is nu zijn verheerlijking: opdat Hij als Beeld Gods voor altijd God is. En zoals de schepping verhoogd zal worden door onderwerping aan de Zoon, zo wordt Hij verhoogd door zijn onderwerping als Zoon. Dit alles is dan ook de reden dat alle eeuwen (aionen) een einde moeten hebben.
En Gods voornemen moet wel een einde hebben: Christus blijft geen middelaar. Hij zal het Zoonschap terug geven om weer Gods Beeld te zijn. Zo wilde God niet alleen Zichzelf verheerlijken door Zijn schepping, maar wil deze door de vergankelijkheid heen tot onvergankelijkheid brengen. Hoe onnaspeurlijk zijn Zijn werken!
Ondanks bovenstaande en later nog andere te noemen teksten, menen velen dat de HEERE God een andere is dan Christus. Men beroept zich dan o.a. op 1Corintiërs 8:6 - "Nochtans hebben wij (maar) één God, de Vader, uit welke alle dingen zijn (dus Schepper) en wij tot Hem en (maar) één Heere, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn (is Schepper) en wij door Hem." Ook wordt de tekst aangehaald: " ... dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes." (Mattheüs 28:19). Er zouden, zo op te merken twee of drie personen zijn. Men moet echter wel bedenken, dat het woord persoon aanvankelijk een geheel andere betekenis had dan wij er nu aan toekennen. Van oorsprong bedoelde het te zeggen: de rol die iemand speelde, het karakter (bij voorbeeld in een toneelstuk), wat men uitbeeldde. Zo kan men ook bij een mens spreken van een drie-eenheid: lichaam, ziel en geest. En hoewel wij bij de Godheid deze vergelijking zo niet kunnen maken, mogen we toch wel spreken van drie "bestaanswijzen" van God. Al begrijpen wij dit niet! Misschien mogen we het zo zeggen: Christus eerst als God, werd Hij als Beeld, mens. Hij heeft Zich "getransformeerd", is van bestaanswijze veranderd. Hij had eerst een geestelijk lichaam als God, daarna werd Hij vlees en bloed deelachtig en bleef Hij jaren in die bestaanswijze, om zo de dood te niet te doen(Heb 2:14). En nadat zijn verheerlijkt lichaam van ons gegaan was, zond Hij ons zijn Geest om daardoor Zich blijvend met ons te verbinden en moed en troost te geven. Zoals in 1Corintiërs 15:45 - "De tweede Adam werd tot een levendmakende Geest."
Christus is Yahweh
Hieronder volgen nog enige bewijsplaatsen in verband met de Godheid van Jezus.
Hebreeën 1:1,2 - "God voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbend door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, welke Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld (aionen!) gemaakt heeft." Christus is dus de Schepper. Maar Jesaja zegt: Zo zegt God de HEERE (Yahweh), die de hemelen schiep en hen uitspande, die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot
" (Jesaja 42:5a).
Vraag: Zijn er dan twee scheppers? Yahweh en Christus?
Hebreeën 1:3 - " Deze, het afschijnsel (afstraling) van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn Wezen, die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge
Dit afschijnsel is niet begonnen bij de vleeswording (geboorte). Dit nu kan niet. Dan zou God, de onveranderlijke in wezen, voordien zonder afschijnsel geweest zijn. God de onveranderlijke had ook voor alles al de afdruk van zijn wezen. En juist naar dit beeld schiep Hij de mens.
Ook op andere plaatsen leert de Heilige Schrift ons dat Jezus dezelfde is als Yahweh.
Zo lezen we:
Jesaja 6:1, 5 - "
zag ik de HEERE, zittend op een hoge en verheven troon en zijn zomen vervulden de tempel. Serafs stonden boven Hem, en verder: Toen zei ik: Wee mij, want ik ga ten onder, want ik ben een man onrein van lippen en mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der Heerscharen gezien." Hier spreekt Jesaja over Jezus en niet over de Vader, want Jezus zegt: "Niemand heeft ooit God gezien." (Johannes 1:18).
Exodus 3:14 - Toen Mozes vroeg wie zijn zender was naar Farao, zei God: "Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden." En Johannes 18:5 noemt Jezus bij zijn gevangenneming ook zo: "Ik ben", grondtekst: ego eimi..
Dit is de naam van de Zich openbarende Godheid.
Johannes 20:28 - Hier zegt Thomas: "Mijn Heere en mijn God," Jezus spreekt dit niet tegen, integendeel zegt Hij: "Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven.
Openbaring 1:8 Christus zegt van zichzelf: Ik ben de Alfa en de Omega (het begin en het einde), zegt de HEERE, die is en die was en die komen zal, de Almachtige. Zie ook Openbaring 22:13.
Wie de Heere is wordt ons duidelijk gemaakt in Jesaja 48. We lezen daar in vers 1: "Hoort dit gij huis van Jacob, die u noemt met de naam Israel, ... die zweert bij de naam des HEEREN (Yahweh)" en verder in vers 12 en 13: "Hoor naar Mij, Jacob, Israel, mijn geroepene. Ik ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste; ook heeft mijn hand de aarde gegrondvest en mijn rechterhand heeft de hemelen uitgebreid." Zie ook Jesaja 41:4b.
Jesaja 43:11 - "Ik, Ik ben de HEERE en buiten Mij is er geen Verlosser. Ook hier in de grondtekst staat Yahweh. Vraag: Zijn er dan misschien twee verlossers?
Jesaja 43:15 - "Ik, de HEERE (Yahweh), uw Heilige, de Schepper van Israel, uw Koning." Maar de Heilige Geest voorzegde in Zacharia 9:9: Zie, uw Koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig en rijdend op een ezel. Vraag: Zijn er dan twee koningen?
Jesaja 44:6 - "Zo zegt de HEERE, de Koning Israëls en zijn Verlosser." Dus toch twee verlossers?
Zie ook Jes 45:21b - "Ben Ik het niet, de HEERE (Yahweh)? En er is geen andere God behalve Ik; een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet."
Jesaja 9:5 zegt het al niet anders: "Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven en de heerschappij is op zijn schouder en men noemt zijn naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst."
Ten slotte nog een van de vele tekstvergelijkingen die we kunnen maken:
Zacharia 14:3,4 - "En de HEERE (Yahweh) zal uittrekken en Hij zal strijden ... Zijn voeten zullen te dien dage op de Olijfberg staan.
Handelingen 1:11:
Deze Jezus, die van u opgenomen is in de hemel, zal op dezelfde wijze weerkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen."
Hoewel het getuigenis van twee of drie volgens de Schrift voldoende is, willen we u vragen om de volgende teksten nog eens met elkaar te vergelijken:
Genesis 18:25 -- 2 Corintiërs 5:10 -- Rechter der ganse aarde
Psalm 23 -- Johannes 10 -- De HEERE is mijn herder
Psalm 100 -- Johannes 21 -- De schapen die Hij weidt
Jesaja 43:3 -- Handelingen 3:14 -- De Heilige Israëls
Jesaja 43:11 -- Handelingen 4:12 -- Er is één Verlosser
Jesaja 43:15 -- Johannes 1:50 -- De Koning van Israël
Jesaja 43:25 -- Marcus 2:5 -- Macht zonden te vergeven
Jesaja 45:22 -- Johannes 12:47 -- Er is maar één Behouder
Ezechiël 34:16 -- Lucas 19:10 -- Zoeken wat verloren is
Wie nu toch wil tegenwerpen dat er twee verschillende personen bedoeld worden, bijvoorbeeld naar aanleiding van Johannes 14:28b - "Mijn Vader is meerder dan Ik", moet zich wel realiseren dat Jezus hier spreekt over zijn staat van vernedering. Wij moeten ons juist verblijden, zegt Jezus, dat Hij weer tot zijn staat van Godheid terugkeert, om daardoor in zijn andere bestaanswijze, namelijk als Trooster tot ons te komen.
C. van Ekeren
EEN WERELDCRISIS
Dagelijks horen en zien we dat we in een crisistijd leven. Als we het woord crisis gebruiken denken de mensen meteen aan een economische crisis met toenemende werkloosheid en bedrijven die failliet gaan. Als zelfs de banken in de problemen komen is er wel iets heel ernstigs aan de hand.
Het leek te beginnen in de Verenigde Staten van Amerika. De mensen konden hun hypotheeklasten niet meer opbrengen en moesten hun huizen verkopen. De prijzen zakten en nog mee mensen kregen financiële problemen. De banken verloren kapitalen en op de aandelenbeurzen zakten de koersen plotseling naar een dieptepunt, waardoor duizenden hun kapitaal zagen slinken en soms zelfs verdwijnen.
Van de VS sloeg het over naar Europa en de rest van de wereld. Hoe zijn die grote problemen op te lossen? De hele economie draait om de banken, die geld verstrekken om bedrijven vooruit te helpen. Dus de regeringen begonnen de banken te steunen of zelfs over te nemen. Dit betekent dat de regeringen proberen het probleem op te lossen door het bestaande systeem te herstellen. Als we echter over ons financiële systeem nadenken: krediet, leningen, rente, dan lijkt de oorzaak van de crisis in het systeem te liggen: Er is meer krediet verleend en meer geld uitgeleend, dan er aanwezig was en dat gebeurde ook nog aan iedereen die er om vroeg omdat er schijnbaar genoeg waarborg was. Een lening voor een auto had de waarde van de auto als onderpand en een hypothecaire lening had de woning als onderpand. De waarde van een auto wordt telkens minder en dalende huizenprijzen zijn voor verschillende banken fataal geworden De huidige crisis lijkt hiermee een zuiver economische crisis, maar dat is maar schijn! De werkelijkheid zit veel dieper, maar die wordt ons onthouden.
De Geschiedenis
Als we de achtergronden van de huidige crisis willen begrijpen, moeten we in de geschiedenis kijken, waar we ook dikwijls een crisis zien. We hoeven ze niet allemaal te onderzoeken. Dat zou een serie boeken kunnen opleveren.
Het Paradijs
De eerste crisis die we bekijken vindt plaats in het paradijs. Eva laat zich verleiden tot het eten van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad. Adam doet mee en dan komen ze in een crisistoestand terecht. Ze kennen nu goed en kwaad en durven niet te voorschijn te komen als JHWH verschijnt. De weelde van de Hof verdwijnt en ze moeten hard gaan werken. Niet dat ze eerst niets deden, maar het verzorgen van de paradijstuin was een genoegen en het werken een vreugde. De weg terug was afgesloten.
De oorzaak van deze crisis was ongehoorzaamheid aan de ene regel die JHWH gesteld had. Het was niet moeilijk om die regel van God te volgen. Die regel was nodig voor de mens, omdat de mens zelf moest beslissen over zijn leven. Zonder zon regel zou de mens niet veel meer dan een dier geweest zijn, dat geen besef heeft van goed en kwaad tenzij dit wordt aangeleerd.
In dit voorbeeld zien we de oorzaak van bijna elke crisis in het leven: ongehoorzaamheid aan Gods voorschriften of het niet houden van afspraken in de onderlinge verhoudingen tussen de mensen.
In het boek Richteren vinden we de ene crisis na de andere en de oorzaak staat er bij: In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen. De achtergrond van deze uitdrukking is te vinden in het eerste boek Samuël hoofdstuk 8. Samuël stelt zijn zonen aan als richter, maar zij waren uit op winstbejag, namen geschenken aan en bogen het recht. Komt dat een beetje bekend voor? Op vele plaatsen in de wereld wil men de zittende machthebbers kwijt vanwege dit kwaad terwijl men eigenlijk al weet dat de volgende regeerders, die in de verkiezingscampagne beloofden de corruptie te bestrijden, weer op dezelfde wijze verder zullen gaan. Wat deed het volk in de dagen van Samuël? Ze vroegen om een koning zoals de andere volken hadden. Er moest een sterke machthebber komen en denk er om, een koning was in die dagen een machthebber, die alleen heerste.
Het Koninkrijk
Toen Samuël er voor ging bidden, kreeg hij antwoord. JHWH is een sprekende God.
De HERE zei tegen Samuël: Luister naar het volk in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. JHWH was de koning, er was in die tijd wel degelijk een koning, maar JHWH is geen tiran, als Hij niet wordt erkend, trekt Hij zich terug. Hij wil vrijwillig gediend worden. Echter, als Hij zich terugtrekt, vervallen wel de toegezegde zegeningen, die Hij geeft, als Hij gediend wordt.
Samuël moet het volk vertellen wat de consequenties zijn van de koning die zij vragen. 1Samuël 8 is een interessant hoofdstuk. De koning vraagt en de koning neemt. Alle huidige regeringen doen dat en ze vragen steeds meer! JHWH was de koning van Israël en wat Hij vraagt is de tiende van de opbrengst te gebruiken voor Zijn werk. Daartegenover belooft Hij een leven in overvloed. De Levieten (de stam van Levi) kregen de tienden van het volk en gaven daarvan weer de tienden aan de priesters (ook uit de stam van Levi). De Levieten verzorgden het onderwijs en de priesters waren er voor de eredienst. Maar ja, als de mensen deden wat goed was in eigen ogen, liep alles mis. De mensen hadden bij de regelgeving van JHWH gezegd dat ze zouden luisteren en doen! JHWH verwacht dan dat zij de verantwoordelijkheid daarvoor nemen en in vrijheid met blijdschap Hem en elkaar zullen dienen. Dat verandert niet want JHWH verandert niet. Israël zou door God te dienen een priesterlijk koninkrijk zijn, waartegen geen macht bestand is. Ook satanische machten moeten er voor wijken. Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. (Jacobus 4:7). Er staat nergens dat God ons onderwerpt (dat doet een dictator of een tiran), maar de mens moet zich aan God onderwerpen en ontvangt dan de volle zegen.
Nog een geweldige crisis uit de Bijbel.
De eerste koning van Israël, Saul uit de stam van Benjamin, werd een mislukking door zijn ongehoorzaamheid. Hij werd opgevolgd door David uit de stam van Juda. Het koningschap was aan de stam van Juda beloofd.
Toen David aan de macht kwam (eerst over alleen Juda, maar later over het hele volk Israël) stelde het volk eigenlijk weinig voor. Andere volken waren sterker en machtiger. Maar David met vele fouten en gebreken was de man naar Gods hart. Hij erkende zijn fouten en aanvaardde de gevolgen ervan. Aan het einde van zijn regering was Israël een grote en sterke mogendheid geworden en onder zijn zoon Salomo werd de voorspoed van Israël over de hele wereld bekend. Maar met al zijn wijsheid en rijkdom ging het juist door die rijkdom mis met koning Salomo. Hij kreeg veel vreemde vrouwen en hielp hen hun afgoden te dienen. Het was Israël afgeraden vreemde vrouwen en andere godsdiensten binnen te halen. In Gods grondwet, de Tien Geboden staat dat heel duidelijk: Geen andere goden. Zou dat ook niet de oorzaak kunnen zijn dat wij zoveel problemen hebben?
Door de ongehoorzaamheid van koning Salomo ontstond er na zijn dood een grote crisis. Het volk vroeg minder zware belastingen, maar de opvolger van Salomo, Rehabeam, luisterde niet naar de wijze raad van de ouderen, maar naar zijn jonge vrienden, die met hem waren opgegroeid in de weelde van het hof en zich niet interesseerden voor de mening van het gewone volk. (Dat lijkt tegenwoordig ook wel zo te zijn!). Het gevolg was dat het hele volk op de koningstam Juda na een andere koning koos, Jerobeam. Rehabeam probeerde nog de zaak te herstellen, maar hij mocht van Godswege niet met geweld ingrijpen. Van Israël volgde alleen de stam Benjamin hem nog, omdat de hoofdstad Jeruzalem in het stamgebied van Benjamin lag.
Het ging vanaf dat moment met beide volken, Israël en Juda, achteruit, omdat noch Israël noch Juda echt JHWH gingen dienen, maar eerst de godsdienst aanpasten aan de omstandigheden en later ook de andere wetten van God verlieten voor eigen inzettingen. Men probeerde ook toen reeds de crisis te bestrijden met toepassing van eigen bedachte regels, die aan de werkelijke crisisoorzaken voorbij gingen. De toestand bleef verslechteren tot eerst het hele volk door de Assyriërs werd weggevoerd op Jeruzalem en omgeving na en het weer gegroeide deel van Juda na bijna anderhalve eeuw door de Babyloniërs werd weggevoerd. Dat was een doorgaande crisis die ten slotte leidde tot de schijnbaar totale ondergang van Israël. Weliswaar kwam een deel van de ballingen van Juda terug in het beloofde land, maar dat lijkt niet op het herstel van het volk. Bovendien ging het met die teruggekeerde rest ook weer fout. De onbekeerde Juda-rest werd als Joden verspreid over de wereld.
Van Israël naar het Westen
De Bijbelse straftijd voor Israël was zeven tijden, zeven maal 360 jaar, dus 2520 jaar. Het volk Israël, dat in ballingschap was weggevoerd naar het gebied ten zuiden van de Kaukasus, is daar niet blijven wonen, maar via volksverhuizingen naar het noorden en westen van Europa getrokken. De eerste christenen volbrachten de opdracht van hun Heer het evangelie te verkondigen aan de verloren schapen van het huis van Israël en zijn brachten het evangelie tot op de Britse eilanden en tot in de zuidelijke Nederlanden. Het evangelie vond daar ingang, maar de kerk van Rome kreeg daarna grote invloed. De tijd van de hervorming en de voorspoedige ontwikkeling van de volken van noordwest Europa na die tijd valt ongeveer samen met het einde van de 2520 jarige strafperiode. De volken waren al lang hun afkomst vergeten en droegen heel andere namen, waarvan echter verschillende terug te voeren zijn naar het volk Israël. Het bekendst is de naam Saksen, die kan worden afgeleid van Izaäk.
Nederland heeft in het begin van die tijd van welvaart na de hervorming een belangrijke rol gespeeld op internationaal gebied. Onze schepen bevoeren de wereldzeeën en velen vestigden zich in nieuw ontdekte gebieden als Amerika en Australië. Het geloof werkte ook mee in de politiek en de wetgeving sloot aan bij de Bijbelse voorschriften
Als we onze vaderlandse geschiedenis vergelijken met de Bijbelse geschiedenis van Israël, is er veel overeenkomst. Als het goed gaat denken we God niet nodig te hebben en doen we wat we zelf willen. Als het slecht gaat willen we weer naar God luisteren
De satanische achtergrond, de Wetteloosheid
Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt. (2Thessalonicenzen 2:7-8).
Andere vertalingen geven voor wetteloosheid ongerechtigheid, maar de bedoeling is hetzelfde: Het afwijken of loslaten van de Goddelijke wet. Paulus schrijft dat dit reeds in zijn dagen aan de gang was. Trouwens Jezus zelf verweet de Joodse leiders, dat zij strenge voorschriften gaven, maar zelf van de goddelijke wet afweken. Dat is nog steeds het geval. Zij houden er strenge voorschriften op na, die in de Mozaïsche wetten niet zijn terug te vinden en ze zeggen dat de goddelijke wetten alleen voor Israël, dus voor de Joden zijn. Christenen hoeven zich daaraan niet te storen. Daarmee doen deze Joden zich voor als de enig rechthebbenden op de Israëlidentiteit, terwijl vele van hun voorgangers duidelijk hebben gesteld dat het Israël van de Tien Stammen er ook nog moet zijn.
In Johannes 8 veroordeelt Jezus de Joden, die Hem niet erkennen en later ook leugens over Hem vertellen; Hij noemt hen satanskinderen: Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. Maar omdat Ik u de waarheid zeg, Mij gelooft gij niet. (Johannes8:44-45).
In Openbaring 2:9 en 3:9 noemt Hij hen de synagoge van de satan. Zij zijn geen Joden in de betekenis van Judahieten, afstammelingen van Juda, maar eerder Edomieten, afstammelingen van Ezau, die de eerstgeboortezegen niet kreeg en nog altijd jaloers is op Jacob, Israël, die wèl de grote zegen kreeg, wat te zien is in de westerse wereld, de van oorsprong protestants christelijke volkeren, die wij beschouwen als de nakomelingen van Israël. Via het bankwezen zijn onder anderen de Rockefellers en de Rothschilds de grote machthebbers achter de schermen geworden, slechter bekend als de Illuminati. Zij manipuleren de wereld via de banken en de media en willen de wereldmacht volledig in handen krijgen via chaos tot orde. Daarbij moet een groot deel van de wereldbevolking worden omgebracht door oorlog en ziekte. We zien nu steeds openlijker dat we gemanipuleerd worden. De overweldigende immigratie van moslims in de vanouds christelijke wereld laat zien dat ze het christendom en het christelijke Israël willen uitroeien. Hun man zal de wetteloze zijn, ook de antichrist genoemd.
De Here Jezus zal hem wegblazen doden door de adem van zijn mond en dan zal Zijn Koninkrijk van gerechtigheid op aarde gevestigd worden. We leven in de ernstigste crisistijd aller tijden, maar Hij zal Zijn Geest over Zijn volk uitstorten en alle dingen nieuw maken.
G. van der Laan
|