|
BROOD EN SPELEN
"En de Here, de HERE der heerscharen, riep te dien dage tot geween en tot rouwklacht, tot kaalscheren en tot omgording met een rouwgewaad. Maar zie, daar is vrolijkheid en vreugde, een doden van runderen en een slachten van schapen, een eten van vlees en een drinken van wijn: laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. Maar de HERE der heerscharen heeft Zich voor mijn ogen geopenbaard: Voorwaar, voor deze ongerechtigheid zal u geen verzoening geschieden, totdat gij sterft, zegt de Here, de HERE der heerscharen." (Jesaja 22:12‑14).
Als we televisie kijken en de krant lezen, dan lijkt het leven grotendeels uit pret te bestaan. Uitgaan, genieten van al het goede dat het leven te bieden heeft, vakantie en feestvieren vraagt voortdurend onze aandacht.
Dat is niet iets nieuws. Een paar duizend jaar geleden sprak Jesaja daar reeds over in de bovenstaande profetie. Als we dat in zijn verband lezen blijkt dat de omstandigheden niet zo gunstig waren. Er was oorlog en verwoesting.
Als we in onze wereld rondkijken, is het niet anders. In vele landen heerst oorlog. Dikwijls is dat een strijd om de macht, maar op veel plaatsen is het strijd om het geloof en die strijd is meestal tegen christenen gericht. Dat zijn christenen die geloven en die hun leven over hebben voor hun geloof..
We leven in de dagen dat we de dood en opstanding van de Here Jezus gedenken. Als ik de binnenkomende reclame lees, gaat het allemaal om eten en drinken, graag wil men dat we ons ook nieuw kleden en alles in huis vernieuwen. Een economische crisis heeft weinig in de mentaliteit van de mensen veranderd en dat is de mentaliteit die Jesaja beschrijft en gezien heeft en waar ook Paulus over schrijft met dezelfde woorden als Jesaja:
"Indien ik te Efeze, naar de mens, met wilde dieren gevochten heb, wat baat het mij? Indien er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden. Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen." (1Cor. 15:32‑34).
Jesaja heeft zijn tijd goed begrepen, maar hij beschrijft ook onze tijd en de toekomst:
"Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis; die bitter doen doorgaan voor zoet en zoet voor bitter." (Jes. 5:20)
"Hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden" (Jes.11:4).
Abortus (= moord op een ongeboren kind) is een recht geworden; euthanasie (= doden op verzoek?) is onder voorwaarden toegestaan; homoseksualiteit (is een gruwel in Gods oog) is volledig geaccepteerd. We worden voorgelicht met leugens en wie de waarheid (Gods Woord is de Waarheid) vertelt, wordt niet meer geloofd en kan zelfs vervolgd worden.
Gods wetten over ons gedrag zijn niet veranderd en wat God veroordeelt is beslist fout. Daar kunnen onze regeringen andere wetten voor in de plaats stellen, maar ze kunnen Gods wetten niet uitschakelen.
Jesaja ziet het kwaad van onze tijd, maar hij ziet ook een toekomstige tijd, waarin veel zal veranderen. Dat is het wondere van de profetie en van de Bijbel. Het verkeerde wordt bij name genoemd en de gevolgen worden niet verzwegen. Al bij het geven van de wetgeving staat uitvoerig beschreven wat de zegeningen zijn bij het doen wat God zegt, maar ook de narigheid die volgt als we tegen Gods wetten ingaan. Een economische crisis en vreemdelingen die gaan overheersen is voorzegd tijdens de wetgeving en de regering kan maatregelen nemen om die gevolgen tegen te gaan, maar dat helpt niet. Het enige is terug naar Gods wetten, schuld belijden en met het verkeerde breken.
Dat zal volgens de profetieën van Jesaja gebeuren.
"Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken." (Jes. 11:9).
Het is een sterk beeld dat Jesaja hier geeft. We weten allemaal dat de wateren de bodem van de zee bedekken. Zo zal de aarde vol worden van de kennis des HEREN. Er zal heel wat moeten gebeuren voor het zo ver is, maar het zal gebeuren. Jesaja is de profeet die veel dingen heeft gezien. Niet in een visioen of een droom, maar echt in de geschiedenis. Hij kijkt als het ware vanuit de eeuwigheid in de geschiedenis en niet alleen in het verleden, maar ook in de toekomst. Hij schrijft zo duidelijk over gebeurtenissen en dan is het goed te letten op de tijd waarin hij schrijft. Hij kan in de verleden tijd schrijven over toekomstige gebeurtenissen. Hier schrijft hij over de toekomst. In onze tijd kunnen wij ons niet voorstellen dat het ooit op aarde zal zijn zoals in Jesaja 11 wordt beschreven, maar Jesaja is er absoluut zeker van dat dit zal gaan plaatsvinden. Hij heeft het duidelijk gezien.
Voor ons is het zaak te geloven. Gods oordelen komen en zijn reeds aan de gang. De van oorsprong christelijke Westerse wereld wordt overspoeld met vreemde godsdiensten, die het christelijk geloof willen vernietigen. De afval van het geloof en het leeglopen van de kerken is het gevolg, maar dit wordt niet het einde van het geloof. De vijanden van het geloof worden vernietigd en de toekomst is van Hem.
G. van der Laan
DE OPSTANDING DER DODEN.
De opstanding der doden is één van de meest fundamentele waarheden der Schrift, die van de allergrootste betekenis zijn. Het is vooral de apostel Paulus die in zijn brief aan de Korintiërs in het 15de hoofdstuk de betekenis van de opstanding der doden uitvoerig heeft uiteengezet.
Immers, van het feit, of de Here Jezus al of niet uit de doden is opgewekt, hangt geheel onze behoud af. De Bijbel geeft hier meermalen getuigenis van, terwijl de Heer van Zichzelf getuigt, "Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid", en Paulus zegt ons, dat we met ons hart moeten geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt.
En toch is het juist de opstanding der doden die de meeste tegenstand ontmoet, bespot of fel bestreden wordt.
De Joodse raad had bij voorbeeld de Romeinse soldaten omgekocht, teneinde te kunnen beweren dat de Here Jezus niet uit de doden was opgestaan, ook al omdat zij dit zelf niet geloofden. De Priesters en de Sadduceeërs sloegen de handen aan de apostelen, omdat zij het volk in Jezus de opstanding verkondigden. In Athene werd Paulus voor een betweter uitgemaakt, omdat hij hun predikte dat de gestorven Jezus was opgestaan (Handelingen 17:18) terwijl anderen hem daarvoor begonnen te bespotten. (Vers 33).
En zelfs de apostel Thomas, die we toch wel als een gelovige moeten aanmerken zal wel op de bewering van zijn mede apostelen, dat de Heer was opgestaan, gezegd hebben: "Jullie kunnen me nog meer vertellen, maar indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn vinger niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven."
De gemeente in Korinthe
En dat ongeloof aan de opstanding der doden ‑deze lieden, die dood zijn blijven dood, er is geen opstanding van de doden‑ was ook aanwezig in de gemeente te Korinte.
Er waren daar mensen, zoals ze er tegenwoordig ook zijn, die beweerden dat er geen opstanding der doden was (is).
Hiertegen richt Paulus, zoals we reeds opmerkten, zijn eerste brief. Men gelieve dit 15de hoofdstuk eerst te lezen. Hij zet uiteen, wat deze bewering zou betekenen in dien zij waar zou zijn
1. Dan zou Christus ook niet opgewekt zijn. De Schrift plaatst Christus hier dus onder de doden. Bewijs, dat Christus dus geheel dood is geweest.
2. De consequentie zou zijn, dat Paulus een leugenaar was; hij toch had immers getuigd dat God Christus had opgewekt, hetgeen niet waar zou zijn, wanneer de doden niet opgewekt zouden worden.
3. Dan zouden wij nog in zonden zijn.
4. Dan zouden ook verloren zijn, die in Christus ontslapen zijn. Vers 18.
Zij zouden dan dus dood blijven,
Willen wij dit laatste eens goed realiseren. Hieruit blijkt dus, dat alleen de opstanding ons het leven geeft. Dit is trouwens ook geheel logisch.
De doden hebben toch geen leven. Daarom worden ze toch doden genoemd. Vandaar dat de opstanding nodig is voor hun redding. Dit bevestigt Paulus in zijn tweede brief 4 : 14 :
"Immers, wij weten, dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Jezus zal opwekken en met u voor Zich stellen."
Een Preek
We beluisterden onlangs de prediking van een rechtzinnig predikant die het paas‑evangelie tot het onderwerp van zijn preek had gekozen. Enkele zinnen uit deze weldoordachte overdenking troffen ons. Het waren de volgende opmerkingen:
"De Here Jezus hing bloedend aan het kruis." Hij stierf echt.
"Hij ging achter de steen, zoals zo velen van onze geliefden achter de (graf) stenen zijn."
"Jezus komt uit het graf te voorschijn". "Het is voorbij". "Hij is eruit".
"De duivel en de zonde willen Jezus in het graf houden, maar als God zegt: "Kom uit " dan komt de Zoon uit het graf".
Uit al deze uitspraken blijkt wel, dat deze predikant hiermede heeft willen vaststellen, dat de Here Jezus inderdaad geheel dood is geweest, gedurende zijn "Dood zijn" in het graf verbleef, totdat Hij door de Vader daaruit is opgewekt.
Dit laatste wordt trouwens vele malen in de Schrift bevestigd.
Zie hiervoor: Handelingen 2: 24, 32; 3:26; 4:10; 5:30; 10:10; 17:31; Rom. 4:21; 7:4; 10:9; 1 Kor. 6 :14; 15:4,12,20; 2 Kor. 4: 14; 5:15; 1 Tess. 1:10; 1 Petrus1:21.
Nu zal elk, die de Schrift gelooft met het bovenstaande van harte instemmen. Immers, het blijkt uit deze opmerkingen onomstotelijk waar de Here is geweest, namelijk in het graf, hetgeen ook de Engel bevestigde aan de vrouwen in Markus 16:6."Maar hij zeide tot haar, zijt niet verbaasd, gij zoekt Jezus de Nazarener die gekruisigd was. Hij is opgestaan, Ziet de plaats waar zij Hem gelegd hadden" Matth.28:6. "Hij is hier niet". De levenden en de doden zijn dus niet bij elkaar.
Uit dit alles blijkt dus, dat de Heer vanaf het sterven aan het kruis tot aan zijn opwekking in het graf heeft vertoefd.
De consequenties
Nu is het wel eigenaardig, dat men het bovenstaande wel erkent, maar dat men de consequenties ervan niet kan of wil aanvaarden. Want men zal toch moeten toestemmen, dat, als de Heer gedurende zijn "dood zijn" in het graf is geweest, Hij moeilijk ook op een andere plaats kon zijn, bijvoorbeeld. in het paradijs of de hemel of welke andere plaats men ook maar wil noemen..
Daarom gelooft men niet dat Christus geheel dood is geweest en dit is zeer ernstig. Neen, zegt men dan, dat was zijn lichaam maar; maar zijn ziel ging naar het paradijs, naar aanleiding van Lukas 23:43.
Dat dit niet zo is, kunnen wij gemakkelijk uit de Schrift aantonen.
De 16de Psalm bij voorbeeld zegt van de Here Jezus Christus:
1. dat God zijn ziel dat is zijn persoon niet in de sheool zou laten of verlaten. De sheool is het graf, niet een graf, maar het graf ofwel de toestand van dood en begraven zijn.
2. dat God niet zal toelaten dat Zijn Heilige verderving zou zien. Hieruit blijkt, dat de gehele persoon van Christus in de sheool of hades of het graf is geweest, dus niet in het paradijs zoals men naar aanleiding van de foutieve en traditionele verklaring van Lukas 23: 43 meent te moeten aannemen, ook niet in de hemel.
Dit laatste blijkt ook uit hetgeen de Heer na Zijn opwekking tot Maria zegt, namelijk dat Hij "Nog niet opgevaren is tot Zijn Vader."
En dat de 16de Psalm niet over David spreekt, maar over de Christus, dat bevestigt Petrus op de Pinksterdag waar hij voor het Joodse volk getuigt, dat David een profeet was, en dat hij wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen, zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou, om op zijn troon te zitten, zo heeft hij dit voorziende gesproken van de opstanding van Christus, namelijk dat zijn ziel "niet is gelaten of verlaten in de hel‑graf, noch zijn vlees verderving heeft gezien, of volgens de nieuwe vertaling, "dat Hij niet is overgelaten aan het dodenrijk, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien" Handelingen 2:30,31..
Want David, zegt Paulus in Handelingen 13:36 : "Als hij in zijn tijd de raad Gods gediend had, is ontslapen en bij zijn vaderen gelegd, en heeft wel verderving gezien" en Petrus betoogt, dat David niet is opgevaren, want zegt hij: "Zijn graf is onder ons tot op deze dag" Hand.2:29 en 34.
Dus David is volgens de Schrift niet in de hemel, zoals velen menen.
Al met al blijkt hieruit duidelijk dat hetgeen de 16de psalm ons mededeelt alleen betrekking heeft op de Here Jezus Christus. Laten we daarom geloven wat de Schrift van Hem zegt, namelijk dat Hij dood geweest is en niet vertellen, dat Hij leefde in het paradijs of in de hemel, want met deze bewering tasten wij het machtige verlossingswerk van onze Here Jezus Christus aan en verkleinen wij de betekenis en de waarde van Zijn kruisdood.
De Schrift zegt van Hem dat Hij zich heeft ontledigd, de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen en is de mens gelijk geworden en in die gedaante heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geweest tot de dood, tot de dood des kruises.
Hij heeft voor allen de dood gesmaakt , Hebr.2:9; opdat Hij daardoor teniet zou doen degene die het geweld des doods had; dat is de duivel, Hebr.2:4. Daarom heeft Hij Zijn ziel uitgestort in de dood. Jes. 53:12.
Maar Gode zij dank, God heeft Hem uit de doden opgewekt en daarmede ligt onze redding vast. Want de opwekking van Christus garandeert ook onze opwekking. 2Kor.4:14.
En daarom gedenken wij dankbaar dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt. 2Tim.2:8.
J.F. Tiemeijer
MIJN VADERS HUIS
door James P.S. Templeton
"Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen (anders zou Ik het u gezegd hebben) want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben." (Johannes 14:1‑3).
Het huis van de Vader was de tempel in Jeruzalem, maar er zijn mensen die vragen: Wat en waar is 'Mijn Vaders huis?' De meeste christenen denken dat het de hemel is. Is dit een juist begrip van de bijbelse waarheid?
Adam Clarke geeft een uitstekend commentaar op deze passage en laat zonder het te weten zien dat het van toepassing is op het Koninkrijk van God. Hij schrijft: "Uw hart worde niet ontroerd". Na de vraag van Petrus beantwoord te hebben, richt Jezus zich weer tot zijn discipelen. Hij zegt hun niet bedroefd te zijn als Hij hen verlaat, noch de moed te verliezen, ook al zou een discipel als Petrus Hem verloochenen. Wij weten dat deze ervaring Petrus later de kracht gaf en zijn geloof verdiepte. Als zij hun vertrouwen in God stelden, zou Hij hen beschermen. Hoe Hij ook behandeld zou worden, zij zouden meer en meer in Hem moeten geloven. Zijn lijden, dood en opstanding zou voor hen het meest overtuigende bewijs zijn dat Hij de Messias is, de Redder van de wereld.
Geloofsvertrouwen
"Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij". Het is het beste beide werkwoorden in de gebiedende wijs te lezen. Stel uw vertrouwen in God en in Mij als de Middelaar tussen God en mensen. Verwacht de grootste kracht van God door Mij. De discipelen begonnen alle hoop op een wereldlijk koninkrijk te verliezen. Zij waren ontmoedigd, maar Christus steekt ze een hart onder de riem door hun een geestelijke en hemelse erfenis te beloven.
Ambten in het Koninkrijk
"In mijn Vaders huis zijn vele woningen: als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om u plaats te bereiden". Onze Heer doelt hier op de tempel als het huis van God, waar binnen de muren een groot aantal kamers was. "
als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben". 'Als uw plaats niet bereid zou zijn in het koninkrijk van God, zou Ik niet hebben toegestaan ijdele hoop te koesteren op toekomstige zegeningen'. (Adam Clarke Commentary). Hieruit kunnen wij dus opmaken dat 'mijn Vaders huis' verwijst naar de tempel of gemeente die Jezus hier op aarde aan het bouwen is, die gelovigen door hun aanwezigheid tot 'een woning van God' hebben gemaakt. Ja, de Gemeente is nu Gods heilige tempel.
De drie huizen
Er zijn drie dingen te overwegen om te begrijpen wat de Heer bedoelde met 'mijn Vaders huis'. Dat is het Voorlaatste huis, het Laatste huis en het Levende huis. Het Voorlaatste huis verwijst in de geschiedenis naar de tempel in Jeruzalem, gebouwd door koning Herodus, die niet een Judeeër was, maar een Edumeeër (een Edomiet). Jezus sprak van dit huis toen zijn ouders Hem daar vonden, terwijl Hij in gesprek was met de religieuze leiders.
"En het geschiedde na drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, waar Hij zat te midden der leraren, terwijl Hij naar hen hoorde en hun vragen stelde. Allen nu, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijn antwoorden. En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld en zijn moeder zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken U met smart! En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders? En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak. En Hij ging met hen terug en kwam te Nazaret en was hun onderdanig. En zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart. En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen." (Lukas 2:46‑52).
Bediening in het Voorlaatste huis
Zelfs als kind van twaalf jaar vervulde onze Heer zijn bediening en beschouwde de tempel als zijn Vaders huis. Later zei Hij onomwonden dat de tempel het huis was van zijn Vader.
"En Jezus ging de tempel binnen en dreef allen uit, die verkochten en kochten in de tempel, en de tafels der wisselaars keerde Hij om en de stoelen van hen, die de duiven verkochten, en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis heten maar gij maakt het tot een rovershol." (Mat. 21:12‑13).
Een bedehuis
De profeet Jesaja verklaarde:
"hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken." (Jes 56:7).
Niet zo roemrijk als de eerste tempel
Ofschoon deze tempel prachtig was, hij kon nooit vergeleken worden met de tempel door koning David voorbereid. Zijn zoon Salomo was de bouwheer, omdat deze geen strijder was met bloed aan zijn handen, zoals zijn vader. Onze Heer voorzegde de verwoesting van de tempel toen anderen zijn schoonheid bezongen.
"En toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij met schone stenen en wijgeschenken versierd was, sprak Hij: Wat gij daar aanschouwt, er zullen dagen komen, waarin geen steen op de andere zal gelaten worden, die niet zal worden weggebroken." (Lukas 21:5‑6).
Gekozen als Gods woonplaats op aarde
Deze tempel was niet alleen een schitterend gebouw, maar het was de plek die God had uitgekozen om te wonen.
"Vervolgens brachten de priesters de ark van het verbond des HEREN naar haar plaats, de achterzaal van het huis, het heilige der heiligen, onder de vleugels der cherubs; want de cherubs spreidden beide vleugels uit over de plaats der ark, zodat de cherubs de ark en haar draagbomen van boven overdekten. De draagbomen waren zo lang, dat hun uiteinden van het heilige uit voor de achterzaal zichtbaar waren, maar buiten kon men ze niet zien; zij zijn daar gebleven tot op de huidige dag. Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen die Mozes op Horeb erin gelegd had, de tafelen van het verbond dat de HERE met de Israëlieten gesloten had, bij hun uittocht uit het land Egypte. Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden, vulde een wolk het huis des HEREN, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des HEREN had het huis des HEREN vervuld." (1Kon. 8:6‑11).
Ikabod wordt werkelijkheid
Kort voor de tempel werd verwoest door de Babyloniërs, zag de profeet Ezechiël dezelfde glorie van God van het heiligdom weggaan.
"Als de cherubs gingen, gingen de raderen aan hun zijde; als de cherubs hun vleugels ophieven om op te stijgen boven de aarde, weken de raderen niet van hun zijde. Als genen stilstonden, stonden dezen stil; als genen zich verhieven, verhieven zich dezen met hen, want zij hadden de geest van de wezens in zich. Toen ging de heerlijkheid des HEREN weg van de dorpel van de tempel en ging staan boven de cherubs. De cherubs hieven hun vleugels op, onder het heengaan verhieven zij zich voor mijn ogen van de grond, en de raderen met hen. Bij de ingang van de Oostpoort van het huis des HEREN hielden zij stil, en de heerlijkheid van de God van Israël was boven over hen." (Ezech. 10:17‑19).
De glorie gaat weg
De glorie van God zou ook spoedig uit de stad Jeruzalem wegtrekken.
"Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de God van Israëls boven over hen was;de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt." (Ezech. 11:22‑23).
Silo
Hetzelfde gebeurde in de tabernakel in Silo toen Eli hogepriester was en de Filistijnen de ark geroofd hadden.
"Eli nu was achtennegentig jaar oud en zijn ogen stonden star, zodat hij niet zien kon. De man zeide tot Eli: Ik kom van het slagveld; ik ben vandaag nog van het slagveld gevlucht. Hij zeide: Wat is er gebeurd, mijn zoon? De boodschapper antwoordde: Israël is voor de Filistijnen op de vlucht geslagen; een grote nederlaag heeft het volk geleden; ook uw beide zonen, Chofni en Pinechas, zijn dood, en de ark Gods is buitgemaakt. Toen hij melding maakte van de ark Gods, viel Eli achterover van zijn stoel naast de poort, brak zijn nek en stierf. Want de man was oud en zwaar. En hij was veertig jaar richter over Israël geweest. Zijn schoondochter nu, de vrouw van Pinechas, was zwanger en zou spoedig baren. Toen zij het bericht vernam, dat de ark Gods buitgemaakt was en dat haar schoonvader en haar man gestorven waren, kromde zij zich en baarde, want de weeën overvielen haar. Toen zij op sterven lag, spraken de vrouwen die om haar heen stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en sloeg er geen acht op. Zij noemde de jongen Ikabod en zeide: weg is de eer uit Israël; omdat de ark Gods was buitgemaakt en om haar schoonvader en haar man. Zij zeide: Weg is de eer uit Israël, want de ark Gods is buitgemaakt." (1Sam. 4:15‑22).
Het werk van God kom steeds een stap dichter bij zijn volmaakte plan
Dit alles is heel betreurenswaardig, gezien de inspanningen die Ezra en Nehemia zich getroostten om, ongeacht de vijanden, de herbouw van stad en tempel te verzekeren. Deze vijanden hadden in het verleden succes gehad en waren opnieuw van plan het werk van God te verhinderen. Gods dienaren weigerden op te geven en gingen door met het werk totdat uiteindelijk het heiligdom was herbouwd.
De profeet had Zerubbabel, de gouverneur, en Jozua, de hogepriester, gemeld dat zij bovennatuurlijke kracht nodig zouden hebben om deze grote taak tot een goed einde te brengen en dat de heilige Geest hen hiertoe in staat zou stellen.
"Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen." (Zach. 4:6).
De Heer is altijd de Bouwer
Er is altijd het gevaar in het werk van God dat de heilige Geest zich zal terugtrekken als de mensen hun harten verharden. Soms wordt de 'Ikabod'‑situatie genegeerd. Dat betekent (er is) geen glorie, dat wil zeggen: roemloos. Het werk en de activiteiten in de tempel gaan ogenschijnlijk wel door, maar . . .
"Als de HERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan;
als de HERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter
Psalm 127:1
Offerandes afschaduwing van het offer van de Messias
De offerandes waren slechts typeringen, die beëindigd werden bij de dood van Jezus aan het kruis. Toch werden zij bijna veertig jaar lang in de tempel voortgezet, ook nadat de voorhang naar het Heilige der Heiligen was gescheurd. De tempel was 'Ikabod' geworden, maar de meeste mensen begrepen niet dat de glorie van God was weggegaan De tempel was slechts een huls geworden. Toen de Joden in 1967 de oude stad in Jeruzalem innamen, kwamen zij in het bezit van de grond voor een toekomstige 'derde' tempel.
De vernietiging van de tempel
De eerste tempel door Salomo gebouwd (±960 vC.), werd verwoest door koning Nebukadnessar in 586 vC. Toen de Perzen de Joden onder Zerubbabel toestonden terug te keren, herbouwden zij de tempel, maar op een veel kleinere schaal. Herodes vergrootte deze tempel en bracht versieringen aan in marmer en goud. Het was deze tempel die Jezus zag en die door de Romeinse generaal Titus werd verwoest in het jaar 70.
Een derde tempel zal nooit gebouwd worden
Het is bijna onmogelijk je voor te stellen hoe een 'derde' tempel gebouwd zou kunnen worden op de plaats van de heiligste schrijn van de Islam. Misschien zullen onvoorstelbare gebeurtenissen in de wereld resulteren in een overeenkomst met de Arabieren voor de verkoop van hun moskee, ofschoon dit hoogst onwaarschijnlijk is. Misschien zal er zich een aardbeving voordoen, gepland of anderszins. Of het kan zijn dat de Joden zullen moeten wachten tot er iemand komt die een verbond met Israël sluit en hun toestaat de tempel te herbouwen. Wij zien geen reden voor het bouwen van een derde tempel omdat de gemeente van de levende God nu Zijn duurzame tempel is. Wat voor plannen er ook zullen worden gemaakt voor een nieuwe tempel, het is niet waarschijnlijk dat die ooit zal worden gebouwd. De tijd zal het leren omdat het zeker is dat wij zeer snel afstevenen op het einde der tijden. Deze schrijver gelooft dat de Grote Verdrukking begon in het jaar 70 en sindsdien is doorgegaan.
Laten wij nu het Laatste Huis bestuderen, het door de profeet Haggaï voorzegde huis dat nu in aanbouw is, de gemeente, het Lichaam van Christus.
"De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HERE der heerscharen; op deze plaats zal Ik heil geven, luidt het woord van de HERE der heerscharen." (Haggaï 2:9)
De glorie van God keert nooit terug
In de geschiedenis is dit nooit bewaarheid geworden. In feite toen de funderingen van de tweede tempel werden gelegd, huilden de oudere mannen omdat zij wisten dat deze door mensen gemaakte tempel nooit hetzelfde zou worden als koning Salomo's roemrijke tempel.
"Zij zongen beurtzangen van lof en prijs aan de HERE: want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich en loofde de HERE, omdat het fundament van het huis des HEREN gelegd was. Maar vele van de priesters, van de Levieten en van de familiehoofden, de ouden die het eerste huis hadden gezien, weenden luid, toen de grondlegging van dit huis voor hun ogen plaats had; terwijl velen de stem verhieven met gejuich en vreugdebetoon," (Ezra 3:11‑12).
De wonderbaarlijke profetie van Kislev 24
(equivalent voor november‑december)
De profeet verklaarde deze datum tot een zeer speciale herdenkingsdag in Israëls geschiedenis. Dit was zo belangrijk dat een dubbele getuigenis werd gegeven door Gods dienaar Haggaï.
"Op de vierentwintigste dag van de negende maand in het tweede jaar van Darius kwam het woord des HEREN tot de profeet Haggaï . . . Nu dan, bedenkt toch wat aan deze dag is voorafgegaan: voordat steen op steen gelegd werd aan de tempel des HEREN
... Bedenkt toch wat voorafgegaan is aan deze dag, de vierentwintigste der negende maand, van de dag aan, waarop de tempel des HEREN gegrondvest werd. Bedenkt . . . ." (Haggaï 2:10‑19).
Waarom was deze datum zo belangrijk?? Op de Hebreeuwse kalender was het Kislev 24 van het jaar 3242 AM, zondag 17 december 520 op de Juliaanse kalender en zondag 10 december 520 op de Gregoriaanse kalender.
Een belangrijke gebeurtenis is Israëls geschiedenis vond plaats 2436 jaar later in 1917. Het is van belang uit te vinden wanneer het Kislev 24 was in het jaar 1917. Dit was het Hebreeuwse jaar 5678 en Kislev 24 op de Gregoriaanse kalender was zondag 9 december 1917. Op die dag gaven de Turken Jeruzalem over aan generaal Allenby's troepen zonder dat er een schot werd gelost. Britse vliegtuigen hadden Lista, NW van Jeruzalem, gebombardeerd. Ook hadden zij blaadjes in het Arabisch uitgestrooid met het advies aan de Turken zich over te geven. Deze blaadjes waren ondertekend door generaal Allenby en de Turken waren doodsbang, niet alleen omdat zij nooit een vliegtuig hadden gezien, maar ook omdat de naam van de generaal in het Arabisch betekent 'Zoon van Allah'.
Als vliegende vogels
Een andere profeet die in Juda leefde tijdens de regering van Hiskia zag deze gebeurtenissen en schreef erover:
"Want zo zegt de HERE tot mij: Zoals een leeuw of een leeuwenjong over zijn prooi gromt (de ganse schare der herders wordt tegen hem samengeroepen, maar hij schrikt niet voor hun stem en vreest niet voor hun getier) zo zal de HERE der heerscharen ten strijde nederdalen op de berg Sion en op diens heuvel; als vliegende vogels, zo zal de HERE der heerscharen Jeruzalem beschutten, beschuttend redden en sparend bevrijden." (Jes. 31:4‑5)
Dit was ook de van het lezing voor de dag in het Anglicaanse gebedenboek; 9 december 1917. Hier is het stellige bewijs dat Groot Brittannië Israël is. Hoe belangrijk Kislev 24 van het jaar 520 vC ook is, het duidt slechts op de identiteit van het Israël van de laatste dagen. Het vertelt ons niet over de identiteit van het Laatste huis. In feite ontwijdt de moskee van Omar (=de koepel van de Rots) nog altijd de heilige plaats van de tempel. Het lijkt niet waarschijnlijk dat een mooiere tempel daar ooit gebouwd zal worden. Wij weten dat het Nieuwe Jeruzalem geen tempel heeft.
God woont niet langer in door mensen gemaakte tempels
De profeet sprak over een nieuwe dispensatie, want de martelaar Stefanus haalde Salomo's gebed aan en verklaarde: "De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt. . ." (Handelingen 7:48).
Paulus bevestigt dit:
"De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt" (Hand.17:24).
(wordt vervolgd)
WEDEROM, MIJN VOLK
Het boek Hosea over de lotgevallen der beide Israëlvolken
door H. Siliakus
Inleiding
Het heil van God is bestemd voor alle volkeren der aarde. Toch is er onder deze volken een volk dat God Zijn volk noemt.
Wat is de plaats van dit volk in het heilsplan van God? Dit is een vraag, waarmee wij ons bezig zullen moeten houden als wij het boek van de profeet Hosea bestuderen. In dit Bijbelboek lezen wij, dat God dit volk, Israël, tijdelijk niet als Zijn volk zou beschouwen, om het daarna weer Zijn volk te noemen (zie Hosea 1: 9‑10 en 2:22).
Zij die het Joodse volk voor geheel Israël aanzien, zullen er bepaald moeite mee hebben in de geschiedenis van dit volk een periode te onderscheiden, waarin voor dit volk geldt, dat het niet langer Gods volk is. Zij houden er immers juist zo aan vast, dat de Joden altijd Gods volk gebleven zijn! Jammer genoeg staat men echter niet stil bij deze kwestie, want anders zou men wel tot de slotsom moeten komen, dat het hier in Hosea om een ánder Israël moet gaan.
Er is een Israël dat gedurende een lange tijd geheel gelijk is geweest aan een heidens volk! Er is een ander Israël. In de Bijbel wordt onderscheid gemaakt tussen het Huis van Juda, zo men wil de Joden, en het Huis van Israël, dat derhalve een ander volk (of wellicht meer dan één volk) moet zijn, een niet‑Joods Israël. Men kan niet straffeloos aan dit onderscheid voorbij gaan.
Heeft dan Paulus, toen hij bovenbedoelde woorden van Hosea aanhaalde in Romeinen 9:25‑26, deze woorden niet van toepassing verklaard op de heidenen (zie vers 24)? Daarmee is toch de hele zaak opgelost Zo lijkt het, maar we vergissen ons dan wel erg en maken ons er te gemakkelijk van af, want in het volgende, 27ste vers, blijkt dat Paulus over Israël spreekt!
De verklaring is deze, dat Paulus weliswaar ook de bekeerlingen uit de oorspronkelijk heidense volken erbij haalt, maar desondanks in de eerste plaats doelt op de bekering van een verheidenst Israël.
De belangstelling is gewekt, hoop ik, voor wat er in het tamelijk onbekende boek Hosea wordt onthuld. Ik heb gekozen voor een systematische behandeling van de stof, mede omdat veel gedeelten van het boek eerst goed ontsloten blijken te kunnen worden, als zij in de juiste samenhang worden geplaatst. Deze wijze van behandeling, maakt dat deze studie ook te lezen is als de beschrijving van een stuk heilsgeschiedenis. De eerste hoofdstukken bieden daarnaast allerlei praktische lessen en praktisch inzicht in toestanden die zich in ieders persoonlijk leven kunnen voordoen. Herhaaldelijk dringen zich ook vergelijkingen op met onze tijd, wanneer wij ons verdiepen in de oorzaken van de ondergang van het rijk Israël. Vanaf hoofdstuk 5 gaat het vooral om inzicht in en begrip van Gods raadsplan der eeuwen.
Moge deze studie behulpzaam zijn bij het verstaan van de 'verborgenheid der gerechtigheid'. Deze te onderzoeken wordt ons in het allerlaatste vers van het boek Hosea (14:10) als een opdracht meegegeven. Als wij 'wijs' willen zijn, zullen wij ervoor moeite willen doen.
Velen worden geïntrigeerd door een vergelijkbare opdracht die wij vinden in Openbaring 13:18. Daar gaat het om de 'verborgenheid der ongerechtigheid', die uiteindelijk in het rijk van de Antichrist tot openbaring zal komen. Maar de verborgenheid der gerechtigheid doet ons uitzien naar de openbaring van dat Rijk, waarin het weer zal zijn ISRA‑EL, waarin verloste en gerechtvaardigde mensenkinderen zullen heersen als koningen met Christus.
1 HOSEA ‑ DE SCHRIJVER EN HET BOEK
De profeet Hosea had evenals de profeet Amos, die een oudere tijdgenoot van hem was, zijn werkterrein in het 'Noordelijk Rijk', het 'tienstammenrijk', Israël (ook wel Efraïm‑Israël genoemd), en trad evenals Amos op in de vervaldagen van dit rijk.
Amos was echter afkomstig uit Juda, het 'Zuidelijk Rijk', en eigenlijk een vreemdeling, terwijl Hosea naar alle waarschijnlijkheid ook geboren en getogen was in Israël. Hosea is dan de enige onder de profeten die ons een profetisch geschrift hebben nagelaten, die uit het tienstammenrijk komt. Wij mogen hierin echter geen aanwijzing zien, dat het geestelijk leven in Israël op een veel lager peil stond dan in Juda. Evenmin mogen wij op grond hiervan concluderen, dat God voor het Noordelijk Rijk minder belangstelling had dan voor het Zuidelijke. Want juist uit de profetieën van Hosea zal blijken dat het tienstammenrijk, ondanks verval en ballingschap, nog een rijke toekomst wachtte. Ja, zelfs een rijkere toekomst dan Juda!
Bovendien moeten wij bedenken dat in datzelfde tienstammenrijk enige van de grootste profeten van Israël hebben gewerkt. Te weten achtereenvolgens Elia, Elisa en Jona. Hun arbeid en krachtvolle bedieningen hadden een geestelijk reveil tot gevolg zoals er in Juda, het tweestammenrijk ‑ook al stond daar de tempel van God in Jeruzalem‑ nooit is geweest. De opwekkingen onder Hizkia en Josia, die beide plaatsvonden nadat de tien stammen al waren weggevoerd in ballingschap, waren kortstondiger en van geringere diepgang dan die onder Elia en Elisa.
In hun tijd, zo lezen wij in het tweede boek der Koningen, waren er overal in het tienstammenland 'profetengemeenten', gemeenten van getrouwe Israëlieten (de 7000 van 1 Kon.19:18), de vroegste representanten van het 'heilig overblijfsel', dat in de profetieën zo'n belangrijke rol speelt. Genoemd worden die van Bethel (2Kon.2:3), Jericho (2 Kon.2:5) en Gilgal (2 Kon.4:38).
We kunnen deze profetengemeenten enigszins vergelijken met de huidige 'pinkstergemeenten', waar de geestelijke gaven ruimte krijgen om te functioneren en welke gemeenten eveneens min of meer buiten de officiële kerk staan (zonder te willen beweren dat thans uitsluitend hier de getrouwe christenen worden gevonden en in andere christengemeenten niet).
Tot in de tijd van Hosea, niet de profeet maar de laatste koning, moet dit reveil nog doorgewerkt hebben. Daarop wijst het optreden van de profeet Obed, waarschijnlijk de opvolger van de profeet Jona, beschreven in 2 Kron.28:9‑11 en het feit dat nog verschillende hoofden van Efraïm naar hem luisterden (vs.12‑15).
Om terug te keren naar de profeet Hosea, hij was behalve van Amos en Obed ook een tijdgenoot van Jesaja en Micha, die beide in Juda werkten. De koningen die hij meemaakte, worden in Hosea 1:1 genoemd. De zes laatste koningen van Israël, die elkaar snel opvolgden, ontbreken in deze opsomming. Maar omdat hij tot in de dagen van Hizkia heeft gearbeid, kunnen wij aannemen dat hij de ondergang van zijn land nog heeft meebeleefd en waarschijnlijk ook meegevoerd is in ballingschap. Zijn bediening moet zich hebben uitgestrekt over een periode van 60 of 70 jaar, een zeer lange tijd dus.
Het boek Hosea heeft veertien hoofdstukken en bevat bijna uitsluitend profetieën die bestemd zijn voor Efraïm‑Israël, het tienstammenrijk. Alleen het derde hoofdstuk is gewijd aan Juda‑Israël en voorts wordt Juda nog een paar keer genoemd (in 4:15; 5:10; 6:4 en 11; 12: 1 en 3). Evenals Amos heeft Hosea de zonden van Israël genadeloos aan de kaak gesteld, maar het verschil tussen de beide boeken is, dat in Amos de nadruk valt op het onrecht dat in Israël bedreven wordt, terwijl in Hosea de ontrouw van Israël de nadruk krijgt.
Hosea 4:1 verwoordt wat de voornaamste klacht is van het boek. Als kinderen van God tegen God zondigen, doen zij Hem niet alleen onrecht aan, zoals ook de goddelozen doen, maar zij zijn Hem bovendien ontrouw! Zij schenden het verbond van liefde en handelen trouweloos. Hosea zouden wij dan ook wel de 'profeet der liefde' kunnen noemen en Amos de 'profeet van het recht'. De oneindige liefde van God, Die trouw is aan Zijn verbonden en beloften, komt in dit boek sterk tot uiting. "Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, Hij kan Zichzelf niet verloochenen" (2 Tim.2:13). En, zoals ons niet verwonderen zal, ook het thema van het boek Hosea heeft te maken met die liefde van God. Het centrale thema is namelijk het Godshuwelijk, oftewel het huwelijk van God met Zijn Volk (zie o.a. Hosea 2:1 en 9:1).
Het zal blijken dat door dit thema ook de Nieuwtestamentische gemeente van Christus in het vizier komt. Niet in parallellie maar door een historisch 'samenvallen' of door een mysterieuze 'rol‑overname', zo men wil. Over de Bruiloft des Lams wordt weliswaar niet gesproken, maar er wordt wel naar verwezen (in Hosea 2:18‑19). Dit samenvallen van de geschiedenis van Efraïm‑Israël met de geschiedenis van de Gemeente van Jezus Christus, waarop wij als het zover is uitgebreid zullen ingaan, komt behalve in de desbetreffende teksten en tekstdelen ook op een andere, bijzondere wijze aan de orde. Hosea moet huwen met twee overspelige vrouwen (zie 1:2‑3 en 3:1), die de eveneens overspelige volken van Israël en Juda moeten uitbeelden. Hosea's huwelijk is dus een afschaduwing van het huwelijk van God met de beide Israëls (Efraïm en Juda), dat eertijds gesloten werd bij de Horeb na de uittocht uit Egypte. Uit het een en ander volgt als vanzelfsprekend, dat Hosea zelf hier het type van God is, de Man. De naam Hosea (= in God is heil, redding), ook wel geschreven als Jozua, is echter de Hebreeuwse vorm van de Griekse naam Jezus. Als een type van God de Vader de naam Jezus draagt is hij onmiskenbaar ‑vanuit een andere invalshoek‑ ook een type van God de Zoon. Zo hebben wij dan in Hosea te doen met iemand die de geschiedenis van de Oude Bedeling en die van de Nieuwe Bedeling tezamen brengt. Dit moeten wij goed voor ogen houden, want het zal de sleutel blijken te zijn tot het verstaan van het boek Hosea.
Tot slot nog iets over de indeling van het boek. Er zijn verschillende indelingen mogelijk, eenvoudige en wat meer samengestelde. Een goede en verduidelijkende indeling is de volgende:
1 Hoofdstuk 1 ‑ 3 Het huwelijk tussen God en Zijn beide vrouwen Israël en Juda zinnebeeldig toegelicht.
2 Hoofdstuk 4 ‑ 5 Het woord gericht tot het volk en tot de leiders (van Israël en Juda.
3 Hoofdstuk 6 ‑ 9 Schets van de geestelijke staat van het diepgezonken Efraïm‑Israël.
4 Hoofdstuk 10‑14:1 Klacht over Efraïm‑Israël.
5 Hoofdstuk 14:2‑10 Beschrijving van het toekomstig herstel.
Wij zullen het boek Hosea evenwel niet volgens deze indeling behandelen. Wij kiezen voor een heilshistorische behandeling van de stof.
2 ISRAËL VÓÓR DE TIJD VAN HOSEA
Het boek Hosea behandelen betekent zich bezig houden met de geschiedenis van Israël. Dit is leerzaam vanwege de lessen voor het persoonlijk leven, die wij uit deze geschiedenis kunnen trekken, maar vooral ook vanwege het inzicht, dat wij verkrijgen in Gods heilsplan.
Wij zullen onderzoeken wat Hosea ons over de lotgevallen van het volk Israël meedeelt, zowel in de vorm van terugblik als in de vorm van profetie. Een deel van deze profetie is nu reeds geschiedenis geworden.
Een aantal vermeldingen in Hosea betreft de oude geschiedenis van het volk, dat wil zeggen de geschiedenis van voor de tijd van Hosea. We zullen met de bespreking van deze teksten beginnen en doen dat in chronologische volgorde.
De verwijzing naar de vroegste gebeurtenis uit Israëls verleden, vinden wij in Hosea 12:4a, waar het gedrag van stamvader Jakob bij zijn geboorte als kenmerkend wordt voorgesteld voor de geest van strijdvaardigheid (tegen de vijanden, die ook de vijanden van God waren), die jong Israël bezat ten tijde van de inval in Kanaän onder Jozua.
Wij kunnen dit vergelijken met de vurigheid van geest die een pas bekeerde kenmerkt, de 'eerste liefde', maar die helaas in vele gevallen even snel wegebt als die strijdvaardigheid van Israël. Jozua is nog maar net gestorven, of wij lezen al dat de ijver om de afgodendienaars uit het land te verdrijven aan het tanen is (zie Richteren 1).
Het leven van de voorvader Jakob is overigens in hoge mate schaduwbeeldig voor de geschiedenis van Israël als volk. In Hosea 12:4b‑5a wordt een andere gebeurtenis uit het leven van de patriarch geprojecteerd op het prille volksbestaan van het vroegste Israël: de worsteling met God aan de Jabbok. De Israëlieten gedroegen zich in het begin van hun geschiedenis evenals hun stamvader werkelijk waardig. Eén van de betekenissen van de naam Israël is 'strijder met God'.
Ook wij gedragen ons persoonlijk leven 'vorstelijk met God', als wij een gebedsleven leiden waarin ook de gebedsworsteling tot verkrijging van Gods zegen en genade wordt gekend.
Zo was het dan maar voor korte tijd, Israël leefde aanvankelijk in het besef dat zij de genade van God nodig had. Daarom was ook een derde voorval uit Jakobs leven typerend voor wat toeviel aan de jonge natie Israël: Gods openbaring te Bethel (Hosea 12:5b). Zoals God te Bethel sprak tot de stamvader, zo direct openbaarde God zich aan het jonge Israël en Hij deed dat wel op de meest wondervolle wijze ten tijde van Mozes op de Horeb, het gebeuren dat wij al eerder leerden onderscheiden als de 'huwelijksvoltrekking' tussen God en zijn volk Israël. "Aldaar sprak Hij met ons" (Hosea 12:5b). Dit woord moet wel in de eerste plaats betrekking hebben op het indrukwekkende gebeuren in de Sinaï woestijn, waarbij Israël haar wetten ontving.
Maar Jakobs overnachting te Bethel had te maken met een dramatische wending die zich in zijn leven voltrok. Dit brengt ons bij een vierde vermelding over de aartsvader, die wij vinden in Hosea 12:13, waar wij lezen over de vlucht van Jakob naar zijn oom Laban in Syrië. Dit feit wordt hier aangehaald als een voorspelling van de (Assyrische) ballingschap, de wegvoering van Efraïm‑Israël. Jakobs verblijf in Haran is een voorafschaduwing van de tijd gedurende welke de tien stammen als verloren of verdwenen zouden worden beschouwd. Daar in Haran leerde Jakob zijn twee vrouwen kennen. Opmerkenswaard is, dat deze twee vrouwen, Lea en Rachel, die typebeelden zijn van respectievelijk de Kerk van de gehele gemeentelijke bedeling en van de Kerk van de spade regen, iets met deze tijd (van het verborgen zijn van de tien stammen) te maken moeten hebben. Hoe dramatisch was deze wending (van de wegvoering in Assyrische ballingschap) voor het volk van Efraïm‑Israël! In Hosea 12:14 wordt hierna als het ware 'overgesprongen' naar Israëls verblijf in Egypte. De zin hiervan is, dat dit verblijf van Israël in Egypte als een eerste parallelgebeuren van Jakobs verblijf in Syrië moet worden beschouwd. Op zichzelf is de Egyptische tijd dus weer een verwijzing naar de ballingschaptijd van de tien stammen. En de tekst leert ons, dat wij te verwachten hebben dat, zoals Israël destijds door de profeet Mozes (als instrument van God) uit Egypte werd uitgeleid, Israël in de eindtijd van haar ballingschap iets dergelijks zal meemaken. Hoe dit zal zijn lezen wij in vers11 (vgl. Joël 2:28).
In Hosea 2:2 wordt gesproken over Israëls 'geboorte'. De geboorte van Israël als volk vond plaats in Egypte, na het Genesistijdvak. Dat zij toen 'naakt' was, wil zeggen hulpeloos. Het beeld van een pasgeboren kind wordt hier gebruikt. Hetzelfde beeld komen we tegen in Ezechiël 16:4‑10. Hier, in Ezechiël 16, moeten wij Jeruzalem beschouwen als staande voor Juda‑Israël (een zogenaamde 'pars pro toto', een deel voor het geheel). Haar zuster Samaria (vers 40) is hier Efraïm‑Israël. "Vertreden in uw bloed" (vers 6) ziet op de verdrukking die Israël in Egypte moest ondergaan. Hulpeloos en vertreden was het volk, maar God zag hun ellende aan en zei: "Leef!" Wij mogen dit weer vergelijken met ons persoonlijk geestelijk leven. Door het weerklinken van diezelfde machtige roep uit de mond van God werden wij eenmaal wedergeboren!
Maar om terug te keren tot de geschiedenis van Israël, God sprak "Leef!" en Hij zond Mozes om hen uit het diensthuis Egypte te verlossen. Over dit laatste lezen wij ook in Hosea 11:1. Het wonderlijke is, dat dit woord ook vervuld werd aan Jezus, toen zijn ouders met Hem terugkeerden uit Egypte (zie Mattheüs 2:15). Daar in Hosea 11:1 gaat het in eerste instantie over Israëls uitleiding uit Egypte. Er is een nauwe betrekking tussen Jezus en Israël, die beiden de 'Knecht des HEREN' genoemd worden (zie het boek Jesaja).
Gods liefdevolle bemoeienis met Israël in haar 'kindertijd' wordt beschreven in Hosea 11:3‑4. Het was in de woestijn, dat Hij ze 'droeg'. Vergelijk dit met Deuteronomium 33:27, een vertroostend woord voor allen die zich door God willen laten leiden. Reeds in hun 'kindertijd' echter wisten zij de liefde Gods niet te waarderen. Van het niet recht waarderen van Gods grote liefde en genade naar het verlaten van 'de eerste liefde' en het terugvallen in het oude, zondige leven, is maar een kleine stap! In Deut. 32:10 schrijft Mozes in overeenkomstige bewoordingen over de woestijntijd van Israël. Als een kind werd Israël toen geleerd en onderwezen in de weg die het moest gaan en werd het gekoesterd en bewaard door de hemelse Vader. Over deze tijd lezen we ook in Hosea 9:10a. Evenals in de zojuist genoemde tekst uit Deuteronomium is hier sprake van dat God 'vond Israël in de woestijn', waaraan wordt toegevoegd: 'als druiven'. Met andere woorden, zoals ook uit hetgeen erop volgt voortvloeit, God zag bij Israël toen de eerste veelbelovende vruchten. Lees ook nog Hosea 13:5.
Helaas pakte het geheel anders uit. Zij begonnen met de Geest, maar eindigden met het vlees (Galaten 3:3). De eerste hoererij wordt in hetzelfde vers, Hosea 9:10b, beschreven. Met 'hoererij' wordt in Hosea steeds allereerst 'geestelijke hoererij' bedoeld, dat is: afgodendienst. Het opmerkelijke is echter dat 'gewone' hoererij het volk Israël tot geestelijke hoererij bracht (dit zal wel verband houden met het feit, dat de meeste afgodendiensten der heidense volken gepaard gaan met prostitutie). Het gaan tot Baäl‑Peor grijpt namelijk terug op de gebeurtenissen beschreven in Numeri 25:1‑5, waar deze gang van zaken vermeld wordt. Let wel, het begon allemaal met het niet waarderen van Gods liefde. Vervolgens gingen zij 'murmureren' en het eind van het lied was, dat zij hoereerden en daarna nog grotere gruwelen bedreven. Het zij ons tot waarschuwing! Op nog een drietal andere plaatsen wordt in het boek Hosea gesproken over de eerste afvalligheid en ongerechtigheid van Israël. In Hosea 10:9 wordt één van de dieptepunten uit de geschiedenis van Israëls zonden aangehaald: de daad van gruwelijke onzedelijkheid te Gibea, beschreven in Richteren 19, die tot een burgeroorlog leidde, waarbij de stam Benjamin bijna geheel werd uitgeroeid (zie ook Hosea 9:9). In Hosea 11:2 wordt eraan herinnerd hoe snel Israël ertoe overging om de Baäls na te lopen. Wat de geestelijke oorzaak van met name de latere afgoderij was, wordt blootgelegd in Hosea 13:6. Toen ze het 'goed' hadden, in rust en welvaart leefden en overvloed hadden, werden zij hoogmoedig en vergaten hun God, Die hen zo rijk gezegend had. Is dit niet een ontwikkeling die zich telkens weer herhaalt, ook in het persoonlijk leven van de kinderen Gods van vandaag? Zo is het ook gegaan met de christelijke volken als geheel in onze tijd.
Dan worden wij overgeplaatst naar de dagen van koning Saul, de eerste koning over Israël. In Hosea 13:10‑11 herinnert God Israël eraan hoe zij, toen Samuël richter over hen was, een koning begeerden om gelijkvormig te zijn aan de wereld om hen heen. Zo verwierpen zij Hem als Koning. Ook dit was een van de zonden van Israël en de droevige afloop van het tijdperk van Saul, de gezalfde die door God verworpen werd, mag als bekend worden beschouwd. Wij leren hier waar wereldgelijkvormigheid toe leidt en wat het gevolg is als wij onze eigen weg willen gaan!
In Hosea 13:1 wordt meegedeeld, dat Efraïm tot de machtigste stam van Israël uitgroeide. Dit houdt verband met het feit, dat de eerstgeboortezegen van Jakob op deze jongste zoon van Jozef. Wij vinden dit beschreven in Genesis 48:13‑19, de zegening die bekend staat als de 'kruiszegen'. Het kruis spreekt van Gods wil, die de wil van de mens doorkruist.
Toch schijnt Efraïm in het Bijbelse tijdvak niet groot te zijn geweest in aantal (in Numeri 1 komt hij wat aantal betreft pas op de tiende plaats). De volledige vervulling van de eerstgeboortezegen, die onder meer inhield dat Efraïm tot een menigte van volken zou uitgroeien, zullen wij dan ook tevergeefs zoeken in de Bijbelse tijd. Maar het was wel een invloedrijke stam, waaruit bekende figuren als Jozua, Debora en Jerobeam I, de eerste koning van het tienstammenrijk voortkwamen.
De macht van Efraïm blijkt vooral hieruit, dat na de scheuring van het verenigd koninkrijk Israël de naam Efraïm steeds meer gebruikt wordt voor heel het tienstammenrijk (dat overigens ook Israël blijft heten; dit in tegenstelling tot het tweestammenrijk, waar de latere Joden uit voortkomen). In het boek Hosea bij voorbeeld wordt regelmatig over Efraïm gesproken als alle tien verbonden stammen worden bedoeld. Efraïm werd de leiderstam, maar ‑zoals wij in Hosea 13:1 lezen‑ door zijn afgoderij werd zijn geestkracht verbroken ("is gestorven").
Zo brak dan de tijd der profeten aan. Hoewel er voor hem ook al profeten optraden, ligt het voor de hand deze tijd te laten beginnen met de grote man Gods Elia. De profeten waren vooral aankondigers van het Goddelijke oordeel over het afvallige en zondige Israël. Voor zichzelf sprekend is de beschrijving van hun bediening in Hosea 6:5. Uit Hosea 9:7‑8 blijkt echter, dat de waarschuwingen van de profeten door de grote massa van het volk (en door de leiders) naast zich neer werden gelegd. De profeten werden meer en meer als 'dwazen' beschouwd en werd op hen geloerd om ze te doden. Deze dingen herhalen zich ook in onze tijd. Predikers die het Woord der waarheid 'recht snijden', zijn niet geliefd.
De behandeling van de geschiedenis van Israël volgens hetgeen hierover in het boek Hosea staat vermeld, kunnen wij afsluiten met een korte blik op Hosea 12:1b. Juda‑Israël, het tweestammenrijk, bleef, ondanks dat ook daar grote zonden bedreven werden en op de hoogten aan afgoden geofferd werd, nog het langst trouw aan God. Dit vooral dank zij godvrezende koningen als Asa, Josafat, Hizkia en Josia en dank zij de getrouwen onder de priesters des HEREN te Jeruzalem. 'Juda heerste nog met God', was nog Israël (=heerser met God), toen Efraïm‑Israël al geheel weggezonken was in het moeras van de goddeloosheid. Daarom kwam het oordeel over Juda eerst ongeveer 125 jaar later.
(wordt vervolgd)
Diep geworteld (2)
Onze herkomst wijst op onze toekomst
Laten wij eens kijken waar wij vandaan komen
door Pieter Botha
In Engeland vinden wij de cirkel van Stonehenge. Deze stenen structuren zijn ongeveer vierduizend jaar oud en komen niet alleen in Engeland voor, maar ook langs de kusten van Frankrijk, Spanje, Portugal, in de streken van de Middellandse Zee, in Palestina, in het hart van Perzië en in het Noordelijke gedeelte van Tibet (Xizang). Als wij deze weg goed bekijken, dan kunnen we zien hoe Israëls marsweg uiteindelijk in Engeland is terecht gekomen. En als op deze stenen een inscriptie staat geschreven, in welke vorm dan ook, zijn deze altijd aan elkaar gelijk. Deze stenen hebben ook één ding gemeen: zij hebben te maken met aanbidding, de ware aanbiddingstempels. Vanaf Tibet tot aan Engeland gebeurde dit op dezelfde wijze. Het waren ook mensen die een grote en diepe kennis van de sterrenkunde hebben gehad. Want deze stenen zijn verschijnsels die volgens sterrenkundige wetten zijn opgebouwd. En ze hebben allen een wiskundige basis als beginsel. Dus godsdienst, sterrenkunde en wiskunde spelen onder die volken een belangrijke rol. En dit kan nooit slaan op verschillende volken, zij moeten één en dezelfde afkomst gehad hebben, al hebben de meesten onder hen dit niet geweten.
Het gaat hier om een specifieke groep van mensen in een bepaald tijdperk. Zij hebben deze stenen (tempels) op hun mars weg naar hun eindbestemming neergezet.
Als voorbeeld nemen wij weer de cirkel van Stonehenge, deze heeft een buitencirkel en een binnencirkel en de binnencirkel heeft een omtrek van precies 1 duizend piramidische duim. Men vindt deze maten, getallen, of waarden terug in de Piramiden van Egypte. Dit geeft ons duidelijke aanwijzingen, dat het ook dezelfde mensen waren, die deze piramiden hebben opgericht. Want in beiden vindt men dezelfde beginselen terug. Dit is belangrijk.
Vanaf Tibet naar Perzië, Egypte, de Middellandse Zee, Engeland, Frank‑rijk, kunnen wij een gouden lijn trekken. Het gaat om dezelfde mensen, met dezelfde kennis, met dezelfde beginselen. Deze mensen dragen de naam Avebury, zij hebben hun cirkels opgericht. Men vindt hen terug in de Keltische vorm Abiri, die op hun buurt weer afstammen van de He‑breeërs, zij hebben hun eigen cirkels in de geschiedenis opgericht en zijn nog steeds terug te vinden in onze huidige tijd. Het Hebreeuwse volk heeft al deze stenen tempels opgericht. Hoe komt het dat wij dit weten? Door de inscripties, die op deze stenen gevonden zijn. Het gaat weer om dezelfde mensen, met dezelfde taal, vanaf Tibet tot aan Engeland. Wonderlijk!
Waar ligt Tibet (Xizang) precies? Als men een goede wereldkaart raadpleegt, dan ziet men dat het ongeveer in de buurt van Perzië en het Midden‑Oosten ligt. Dit gebied is er belangrijk voor ons, want daar zijn wij als mens ontstaan.
Veel mensen denken dat het paradijs met Adam en Eva in de buurt van de Tigris en de Eufraat te vinden is. Let op: wij werken met meningen van verschillende mensen en niet met absolute feiten, alles is een interpretatie. Dus wordt niet boos, als dit niet uw mening is.
Waar komen die Abirisch vandaan? Juist, uit het gebied van Tibet, waar deze zelfde verschijnselen vandaan komen, die wij in Europa ook tegenkomen. Deze mensen, die daar oorspronkelijk gewoond hebben, dus in het Noorden van Tibet, tegen de grens van China. Zij worden door de Indiërs, door de Chinezen en Perzen het Arische=Sanskriet arya=edel ras genoemd. In dit gebied ligt dus de oorsprong van het Indogermaanse ras. Wanneer? Ongeveer zesduizend jaar geleden!
Dit maakt het voor ons wel erg gemakkelijk. Wat is er toen gebeurd? Onze grootvader Adam is door God geschapen naar Zijn eigen beeld en gelijkenis, dus God mensen. Sta daar eens bij stil. Ariër heeft een prachti‑ge betekenis in de Indiase taal (Sanskriet) de betekenis van >De adellij‑ken= (edelmannen en ‑vrouwen) is dit niet wonderlijk? Dus hier was een ras dat absoluut boven alle andere uitgestegen is en op het toppunt der volken staat. Het was een adellijk ras vanuit God zelf voortgekomen.
En dit brengt ons bij Genesis 1:1
AIn den beginne schiep God de hemel en de aarde.@
Bij dit begin ligt ook de grote twist tussen wetenschapper en Bijbelkenner. De wetenschapper kan een onweerlegbare bewijs leveren, dat de homo sapiens kan terug gevoerd worden tot de vondst in de grotten van Sterkfontein in Zuid‑Afrika. Of de op andere plaatsen gevonden skeletten van andere wezens en hierin worden hoge getallen niet geschuwd. Maar waar ligt voor ons blanken de belangrijkste sleutel?
Genesis 1:2.
ADe aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.@
Vanuit vers één weten wij dat God alles volmaakt heeft geschapen. Dus aan het begin was een volmaakte schepping. En toen gebeurde er iets catastrofaals waardoor de aarde woest en ledig geworden is. In de juiste vertaling moet staan: de aarde werd woest en ledig. En in welk tijdperk gebeurde dit alles? In de strijd tussen satan en God, tussen de goede en de slechte engelen, vanuit deze positie kan veel verklaard worden. Want wij kunnen niet bepalen wanneer God dit alles geschapen heeft. Het kan om duizenden of zelfs tienduizenden jaren gaan of nog langer geleden, dit weten wij niet, vandaar dat wetenschappers niet op een paar eeuwen kijken. Maar dit is voor ons niet van belang. Wat wel van belang is, dat wij weten dat precies zes duizend jaar geleden plotseling een totaal nieuw ras is ontstaan, dat de naam Adam = mens kreeg toebedeeld. Dit is voor het eerst in de geschiedenis van de hele schepping. En deze wetenschap is voor ons volk van uiterst belang om te weten. Want geen der andere levende wezens, zwart, bruin, geel of welke kleur zij ook mogen bezitten, stammen van Adam af en kunnen niet de naam Adam voeren. Laat dit duidelijk zijn. Geen van de volken kreeg van God de naam Adam.
In Genesis 5:2 wordt Adam de eerste keer "MENS" genoemd. In het Hebreeuws Adam. En deze Adam wordt een eigen naam van de eerste mens en geldt ook als groepsnaam. Dan krijgt Adam van God de opdracht om zich te vermenigvuldigen. Want God had gezegd in Genesis 1:26: "Laat ons mensen maken", meervoud dus. Letterlijk vertaalt staat daar: "Laat ons een begin maken.". In vers 27 schiep Hij de mensheid/soort = Adam. Het werkwoord (Bara) betekent: Hij schiep iets nieuws, dus iets anders, zoals bij de andere schepselen. Let wel Bara is een uniek Hebreeuws woord, dat speciaal gebruikt wordt in Genesis 1:1. Zie ook Jesaja 43:1; 43:15; Jeremia 31:22.
Bar = zoon: Bara = om een zoon voort te brengen. Dus om een zoon te verwekken, welke uw evenbeeld= gelijkenis is. Bar betekent ook: Zuiver, Puur, Uitverkoren, Oogappel, Lieveling, beminden. Adam betekent ook in het Hebreeuws om Rossig te zijn, om te blozen! Heeft u wel een zwarte, bruine of een gele zien blozen? Dus de naam Adam = mens kan maar op één ras van toepassing zijn en dat is het blanke ras. Deze uitverkiezing is niet veelsoortig.
En in deze Adam is de Geest van God geplaatst, dit is belangrijk punt voor ons, dit vindt men in geen ander schepsel op aarde. Alleen de Adamiet heeft Gods Geest. Daarom is de geschiedenis van vóór deze zesduizend jaar van belang. Alles wat ouder is dan die zesduizend jaar, is voor ons blanken van minder belang! Wij moeten ons concentreren op onze eigen soort, op onze afkomst, want in het eeuwig verleden van God ligt onze toekomst.
Bij de schepping van Adam, zes duizend jaar geleden, waren er al drie onderscheidbare rassen op aarde. Negers, waar de zwarten van afstammen en de Mongolen, waaruit de Chinees en de Japanner is ontstaan. Dit zijn de oudste rassen op aarde. En dan komen wij uit bij het jongste ras op aarde, het Kaukasische ras, dat volgens veel wetenschappers plotseling vanuit het niets is ontstaan. Kan dit? Omdat God heeft gezegd: "Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis." Niemand die in dat stadium op aarde was, was toen geschapen naar dat beeld van God. Niemand had fysiek Gods beeld gedragen of Zijn Geest in zich gehad, dan Adam en Eva alleen. En dat nieuwe ras bestaat nog steeds. Misschien begrijpt u nu hoe ons land door allerhande volken en rassen wordt overspoeld en dat het ons verboden is om onderscheid te maken, te discrimineren. Met welk doel? Om Gods beeld te vertroebelen, dit is altijd satans aanslag op ons ras geweest.
Toen God zijn eigen beeld/ras op aarde geschapen had, toen dit ras op het wereldtoneel verscheen, bracht het een hoge beschaving met zich mee. Neem als voorbeeld de technologie, geneeskunde, de scheppingsdrang, cultuur en noem maar op, wat dit ras heeft voortgebracht. Alles, letterlijk alles wat van enige betekenis is, komt uit dit ras voort. Anderen hebben dit alleen kunnen kopiëren, waarvan Japan een goed voorbeeld is. Rus‑land heeft zijn kennis verkregen door spionage en diefstal, om dit als voorbeeld te noemen, want er zijn er zéér veel.
Dit Kaukasische ras heeft altijd over andere rassen geheerst. Hoe kan dit? In opdracht van hun Schepper. "Opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt."
Geen ras op aarde kan zulke geloofsbrieven overhandigen, dan alleen de Adamiet.
In één van de belangrijkste Indische geschriften de Veda=s, staat iets opgeschreven over dit Arische ras. Laten zij maar een getuigenis leveren over ons ras. Let op: Indra, hun term voor god. AIndra alleen heeft de donkere rassen getemd en aan de Ariërs onderworpen."
Dit staat in deze zeer oude Indische geschriften. Precies zoals God aan Adam in het begin had opgedragen. En God heeft nooit deze opdracht aan dit Adamitische ras teruggenomen. Adam moet heerschappij voeren voor eeuwig. Waar is dat uitverkoren ras ontstaan dat terug is te voeren tot in Tibet? We lezen in de Schrift "in de Tuin van Eden" en waar lag Eden nu precies?
Genesis 2:10‑14.
"Er ontsprong in Eden een (één) rivier om de hof te bevochtigen, en daar splitste zij zich in vier stromen. De naam van de eerste is Pison; deze stroomt om het gehele land Chawila, waar het goud is; En het goud van dat land is goed; daar is de balsemhars en de steen chrysopraas. De naam van de tweede rivier is Gichon; deze stroomt om het gehele land Ethiopië. De naam van de derde rivier is Tigris; deze stroomt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat."
Die Bybel 1933 Afrikaans.
Genesis 2:10‑14.
"En daar het een rivier uit Eden uitgegaan om die tuin nat te maak; en daarvandaan is dit verdeel en het vier lope geword. Die naam van die eerste is die Pison. Dit is hy wat om die hele land Háwila loop waar die goud is. En die goud van dié land is goed. Daar is ook balsemgom en onikssteen. En die naam van die tweede rivier is die Gihon. Dit is hy wat om die hele land Kus loop. En die naam van die derde rivier is die Hiddékel. Dit is hy wat oos van Assur loop. En die vierde rivier is die Frat."
Nu komen er slimme theologen, die beweren dat het Paradijs ligt tussen de Tigris en de Eufraat. Maar kan onmogelijk waar zijn, want de huidige landstreken voldoen niet aan wat er in de Schrift staat geschreven. Want de Tigris en de Eufraat hebben geen gemeenschappelijke oorsprong, er bestaat geen bron of water, waarin hij in vieren is gedeeld of is ontsproten
Wat men op de huidige landkaarten ziet is het volgende: wel komen zij bij elkaar als twee rivieren die naar zee stromen, maar dan missen we de andere twee rivieren. Elke goede landkaart kan u dit tonen. Maar de enige plaats waar dit wèl gebeurt en precies zoals Genesis ons meedeelt, is te vinden in het gebied van China, ten Noorden van Tibet, ten Zuiden van Rusland. Goede oude landkaarten geven de details weer. Dan worden de volgende namen genoemd: Jacartus, de Okses, Indes en de Tamarrivier. Deze vier rivieren hebben een gemeenschappelijke oorsprong, waar vanuit zij zijn ontsproten en verder gaan in vier verschillende richtingen. En dit is de enige plaats op aarde waar dit te vinden is. Dit zijn wel hun moderne namen.
Neem de Okses = Gichon, de Tamar = Hidekel, Jacartus = Eufraat, Indes = Pison, en dit brengt ons bij een landstreek met de naam Pamir‑plateau. Pamir betekent: "land van valleien". Dus een hoogland, met veel valleien. En dit deel was de grote water voorraadschuur van geheel Azië.
Dus het oorspronkelijke Paradijs moet op dit Pamirplateau gelegen hebben. Want alleen deze plaats voldoet aan de beschrijving van de Schrift. En nadat Adam uit het Paradijs is gezet, is hij naar het Oosten gevlucht, naar een gebied in China, het Tarimbekken, een gebied van duizend mijl lengte en vijfhonderd mijl in de breedte. Zestienhonderd kilometer bij achthonderd kilometer, een geweldig stuk land, een zeer vruchtbaar gebied en in dit Tarimbekken is het nageslacht van Adam verder gegroeid en ontwikkeld, zij zijn daar gebleven tot aan de zondvloed. In dit gebied heeft God Zijn letterlijk beeld voortgeplant, als we naar de aarde van die tijd kijken.
Een belangrijke opmerking: bij het woord 'aarde', moet men goed acht geven in welke context lezen wij dit? Wijst dit woord 'aarde' naar de aardbol, zoals wij die vandaag kennen? Of wijst de term 'aarde' in de Schrift naar een specifieke bewoonde plaats. Men moet goed bedenken en de volgende vraag stellen: om wie bekommert God zich? Om het nageslacht van Adam en van Abraham, bij hem (Abraham) zien we nog een scherpere uitgezochte lijn.
God handelt met Zijn zaad, andere volken zijn van minder belang, zij bezitten niet Gods Woord of Gods Wet. En zonder wet geen overtreding. Alleen Israël heeft Gods Wet gekregen.
Neem nu Lucas 2, waarin de gehele aarde wordt opgeroepen om zich te laten inschrijven. Waren daar zwarten uit Afrika bij? Of de indianen uit Amerika? Of de zwarten uit Australië?
Natuurlijk niet. Het ging over een rijksgebied van de toenmalig aarde, zoals dat toen bekend was. Kijk naar de opdracht van Paulus. Hij moet aan het gehele mensdom het Evangelie verkondigen en bij zijn einde zegt hij dit gedaan te hebben. Is hij in Amerika geweest, of Australië om maar twee continenten te noemen? Nee, hij heeft de toenmalig wereld bereisd. En dan te bedenken, dat zoveel Bijbel uitleggers daarover struikelen heden ten dage. Zij beschikken niet over de nodige Schrift‑ en geschiedenis kennis, om over rassen en volken maar te zwijgen. Maar goed de Here heeft ook gewaarschuwd dat Zijn volk te gronde zal gaan wegens gebrek aan kennis.
Waarom meent men dat de aarde van Genesis 1 in het Nieuwe Testament anders is? Waar heeft Gods beeld gewoond in het begin? Zuid‑Afrika, Amerika, Australië of welke ander land? Nee, zij woonde ten Oosten van het Paradijs. Dit was het belangrijkste stukje van de aarde. Ook voor onze studie is dit van groot belang.
Hoofdstuk 2
We keren terug naar het begin van de Schrift
Nadat Adam en Eva uit het paradijs verbannen werden, kunnen we de vraag stellen: waar zijn zij naar toe gegaan? Het Woord zegt: Oostwaarts, richting China, welk bekend staat als Tarimbekken en is gelegen ten Noorden, tussen twee grote bergruggen, Tian Shan en Kunlun Shan. Waar komen onze voorvaderen vandaan? Let op: volgens de aanwijzingen van de omliggende volken in dit gebied, ligt daar het ontstaanspunt van het Arische ras. Daar ligt dus de oerbron.
Maar het is ook van groot belang, dat uit deze oerbron, uit die omgeving waar dit ras ontstaan is, de hoofdtaalgroepen, hun ontstaan hebben te danken. De taal van de Indiërs (Sanskriet), de taal van Perzië (Zend), De Gotische taal (Duits), waar ook onze taal vandaan komt. De Slavische talen, de Griekse, de Latijnse, het Keltisch, Wales en Schots. De basistalen der wereld, hebben één gemeenschappelijk ontstaanspunt volgens de verschillende taalkundigen, maar toch kan geen één van die volken zich beroemen, dat zij het moedervolk zijn van deze talen, zij staan als zustersvolken naast elkaar. De oerbron is niet meer op haar plaats. Naar deze oerbron zoeken wij nu.
Echte Israëlieten, die door de Heilige Geest op hun Israël identiteit gewe‑zen zijn en deze hebben aanvaard, weten door studie, waar deze oerbron ligt.
Nu komen wij bij een zeer belangrijke mijlpaal in ons verhaal. We hebben gezien waar het paradijs gelegen heeft, wie waren de oorspronkelijk bewoners van het paradijs en waar zijn deze naar toe zijn gegaan na hun verbanning? Deze bewoners waren de beelddragers van God en deze mensen heeft God tot aanzien geroepen. Beiden, fysiek en geestelijk, waren zij Gods beelddragers, deze wetenschap moet ons altijd bij het bestuderen van de Bijbel voor ogen staan. De Adamiet is de belangrijkste schakel met God en de eeuwigheid.
(wordt vervolgd)
De Profeet Jesaja
In de Bijbel is Jesaja de eerste van de 'grote' profeten. Dat betekent dat hij meer heeft geschreven dan de 'kleine' profeten. De geleerden breken zich het hoofd over de samenstelling van deze profetieën. Ze spreken over minstens twee schrijvers en maken dan een bepaalde indeling.
Iemand zei eens dat Jesaja 53 niet op Jezus kon slaan, omdat het in de verleden tijd is geschreven en dus moet hebben plaatsgevonden voor de tijd van Jesaja. Dat klinkt heel logisch, maar is het dat ook? Wij zien het wel op Jezus slaan omdat wij er achter staan, het voor ons verleden tijd is! Toch is het goed als er eens iemand met een andere mening komt. We gaan ‑als het goed is‑ dan over de zaak nadenken. Als we dat doen kunnen we tot een heel andere conclusie komen.
Van veel profeten lezen we dat het woord van God aan hen verscheen of dat een droom of een gezicht hadden gehad. Jesaja begint met de woorden: "Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem. . ." en verder lezen we in Jesaja 2:1 Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, aanschouwd heeft over Juda en Jeruzalem en in Jesaja 13:1 De Godsspraak over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, aanschouwd heeft.
Het woord aanschouwen is nog wat sterker dan gezien, het kan aangeven dat Jesaja er bij was en het mee beleefde. De duidelijke beschrijving geeft dat ook wel aan. Jesaja krijgt profetieën zoals de andere profeten, maar hij krijgt meer, hij krijgt het heel duidelijk te zien wat er gaat gebeuren en bij dat 'zien' of 'aanschouwen' staat hij als het ware in een heel ander tijdvak van de geschiedenis. Hij beleeft het mee of hij ziet het gebeuren. Hij staat als het ware buiten de tijd. De Here Jezus sprak eens: "Eer Abraham was, ben Ik" (Johannes 8:58). In de tijd is dat een onmogelijke uitspraak, maar vanuit de eeuwigheid niet. Eigenlijk staat er "Eer Abraham geboren werd, Ik ben". Hiermee laat Hij zien dat Hij JHWH, de God van Israël is.
Bij de profetieën van Jesaja zien we telkens dat hij in verschillende tijden spreekt. In Jesaja 53 gaat hij aan het eind van de verleden tijd over in de toekomende tijd. Hij staat er dan als het ware tussen, kijkt terug en dan vooruit. Hij ziet het lijden van de Here Jezus dus zoals wij het nu kunnen zien, in de verleden tijd, maar hij ziet ook de toekomst waarnaar wij nu nog verwachtingsvol uitzien.
Wij zien dat ook in Jesaja 9:5‑6: "Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen." Het begint met de voltooide tijd en dat gaat door tot de wederkomst en dan begint de toekomende tijd met de vestiging van het Koninkrijk op aarde. Jesaja staat daar tussen en vertelt wat er was en wat er komt. Sommige gebeurtenissen die hij gezien heeft zijn ook voor ons al verleden tijd of we leven er nog in en daaraan kunnen we de betrouwbaarheid van de profetieën toetsen. Dat geeft daarna weer grotere zekerheid dat ook de nog niet vervulde profetieën volkomen waarheid zullen worden.
Jesaja leeft in de tijd dat het huis Israël steeds dieper in de zonde wegzinkt en uiteindelijk in ballingschap gaat, gevolgd door een groot deel van het huis van Juda. Het overgrote deel van geheel Israël is dan 'verdwenen' in de Assyrische ballingschap, waaruit het nooit is teruggekeerd. Voor Jesaja lijkt dat helemaal geen tijd om met geweldige toekomstprofetieën te komen. Als hij naar Juda en Israël kijkt kan hij alleen maar somber worden.
JHWH voert hem uit de narigheid naar de toekomst, terugkijkend ziet hij dan de zonde en de ondergang, maar ook de verlossing en vooruitkijkend mag hij de toekomst zien van het herstelde Koninkrijk.
De geleerden mogen zoeken naar verschillend taalgebruik en de profetieën van Jesaja onder verschillende Jesaja's te verdelen. Wij hebben daar geen behoefte aan, maar verdiepen ons liever in de inhoud van de profetieën en de geweldige waarheden die ons daarin verteld worden. Wij leven ook in een steeds zondiger wordende wereld, maar we hebben met Jesaja een geweldige toekomst voor ogen.
G. van der Laan
Boekenlijst
Nederlands Israël Boekenfonds
Postbus 30009, 1303 AA Almere
Postrekening 1302680 of 1212779
Telefoon: 036‑5296956 of 06‑55818234
C‑02 Abrahams. "Betekenis van de Israël‑waarheid" 0,80
C‑08 Van der Laan, "Israel en de Grieken" 0,95
C‑09 Collins, "Het leven van Jezus Christus" 2,45
C‑12 Binnendijk, "De Vergeestelijking van Israël " 0,80
C‑13 Smit, "Zijn de Joden geheel Israël?" 0,40
C‑15 Van Dijk, "Gods Koninkrijk Israël" 0,85
C‑16 Smit, "Aan de Lezers van Troost Troost Mijn Volk" 0,90
C‑17 Van der Laan, "Wie heeft recht op Palestina?" 1,25
C‑18 Smit, "Dienaren van het Nieuwe Verbond" 0,70
C‑19 Van Zetten, "Het Israël Gods" 0,70
C‑20 Hill Elder, "Jozef van Arimathea" 2,25
C‑21 Van Ekeren, "De Verbonden met Israël" 1,70
C‑22 Milo, "Stonden Zijn voeten op Engelse bodem?" 1,50
C‑23 Van der Laan, "Ons volk een deel van Israël?" 1,75
C‑24 Smit, "Kunnen Nederlanders Israëlieten zijn?" 0,40
C‑27 Spruijt, "Nederland‑Zebulon en iets over Urk" 1,45
C‑29 Houghton, "Wat God aan Israël beloofde" 0,35
C‑31 Van der Heide, "Israëlitische herkomst Nederlanders" 0,50
NGJG Ingebonden jaargang van "Een Nieuw Geluid" 13,75
E‑05 Van der Vecht, "De Israël‑visie in vraag en antwoord" 2,25
E‑06 Alberts, "Concordantie over de Israël‑visie" 2,25
E‑07 Van Woelderen, "Wondere Parallel" 5,50
E07+ Idem + DVD van de film 10,00
E‑10 Den Admirant, "Israël & Juda, eenheid en verscheidenheid 1" 17,90
E‑11 Idem, deel 2 17,90
JA‑01 Den Admirant, "Op Weg naar de Troon" 14,90
JA‑02 Den Admirant, "Samen bidden voor héél Israël" 6,40
JA‑03 Den Admirant, "Door de bril van Israëls Profeten" 2,25
Bij bestelling is opgave van het nummer in de eerste kolom voldoende. De prijzen zijn zonder verzendkosten. Die komen apart op de factuur.
|