WAT IS HET TEKEN VAN UW KOMST

“Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?” (Mattheüs 24:3).

Het is een bijzondere vraag die de discipelen stellen. In de andere evangeliën wordt de vraag anders geformuleerd. Marcus schrijft: “Zeg ons, wanneer zal dat geschieden en wat is het teken,, wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?” en Lucas geeft het zo weer: “Meester, wanneer zal dit dan geschieden? En wat is het teken dat deze dingen zullen gebeuren?”

Bij Marcus en Lukas ligt de eerste nadruk op wat Jezus gezegd heeft over de verwoesting van Jeruzalem. Zij vermelden niets over waar in Mattheüs naar wordt gevraagd: De komst en de voleinding. Johannes schrijft er helemaal niet over!

Wij geloven dat de Bijbelschrijvers geïnspireerd werden door Gods Geest. Toch schrijven zij verschillend, ook al hebben ze het over dezelfde gebeurtenis of de woorden van de Here Jezus.  Dat is mede de rijkdom van de schepping. Het is allemaal verschillend. Als iemand spreekt voor een groep mensen, betekent dat nog niet dat zij allemaal hetzelfde ‘horen’. Het zijn wel dezelfde geluiden die bij iedereen van het gezelschap binnenkomen, maar ze verstaan niet allemaal hetzelfde. Dat is afhankelijk van de gedachten waar elk mee bezig is en de opvattingen die men heeft over het gesprokene. Gods Geest dicteert niet maar inspireert en dat werkt bij iedereen verschillend, zonder dat het iets van de waarheid afdoet.

Dan zitten we ook nog met de vertaling. Als we iets vertalen uit een andere taal naar het Nederlands, dan moeten we in onze taal zo duidelijk mogelijk weergeven wat er in de oorspronkelijke taal stond. Het laatste woord van de tekst boven dit artikel is ‘wereld’. Ik vergelijk even 12 verschillende vertalingen op mijn computer. Tien geven ‘wereld’, een geeft ‘tijd’ en een geeft ‘eeuw’. In het Grieks staat er ‘aaion’. Dat Griekse woord heeft een tijdsbetekenis. Wij kunnen bij de uitdrukking ‘voleinding der wereld’ ook denken aan de aarde en dat betekent het Griekse woord beslist niet. Als wij spreken over ‘de wereld van vandaag’ is dat ook een tijdsbepaling, we bedoelen dan de toestand in de wereld nu. Het zou beter zijn geweest als men vertaald had met  een woord als ‘tijdperk’. Het betekent in geen geval het einde van de aarde.

De discipelen stellen twee vragen:

1 Wanneer zal het gebeuren? en

2 Wat is het teken?

Als we Jezus’ antwoord goed lezen zien we dat Hij het heeft over het einde van de tijd waarin wij leven en over het einde van de tijd waarin de discipelen leefden. Dat laatste einde vond plaats met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 van onze jaartelling. Dat was voor de mensen van Jeruzalem en Judea werkelijk het einde van hun ‘wereld’.

Als we kijken naar wat Jezus als antwoord op hun vragen zegt, kunnen we ook zien wat op onze tijd slaat. Het begint over verleidingen. Wel die zijn overal om ons heen en velen worden ook van het geloof afgeleid. Dan zijn er oorlogen en oorlogsdreigingen; de wereld is er vol van! Hongersnoden en aardbevingen worden genoemd en ook die nemen in aantal toe in onze dagen en betreffen de hele wereld.

Vervolging en verdrukking noemt de Here Jezus. Dat neemt in onze dagen ook toe, hoewel er tijden zijn geweest dat dit ook heel erg was. Echter ook hier zien we weer, dat het niet meer regionaal, maar overal ter wereld toeneemt. In vele streken waar christenen tot voor kort vredig konden leven in de buurt van mensen die een andere godsdienst hadden, worden ze nu gediscrimineerd, worden hun kerken verwoest en hebben vooral mensen die zich tot het christelijk geloof bekeren het vreselijk moeilijk.

Het kenmerkende is dat thans alles wereldwijd plaats vindt. De moderne communicatiemiddelen maken het mogelijk dat we direct kunnen weten wat er overal ter wereld gebeurt. Bovendien zijn vele middelen tot publicatie, zoals de pers, de radio en de televisie in handen van een kleine groep machthebbers, die alle macht naar zich toe trekken en alles op aarde tot een eenheid willen smeden, die zij dan beheersen. Ook dat kunnen we in de Bijbel terugvinden en het wonderlijke is dat de Bijbel er ons bij vertelt dat hun macht maar heel kort zal standhouden. Wel hebben zij dan meegewerkt aan de voorbereiding van de komst van werkelijke eenheid in de wereld. Dat wordt een eenheid die niet rust op de macht van enkelen die alles ten eigen bate aanwenden, maar op de macht van Eén, die zijn macht gebruikt tot vernietiging van het kwaad en tot opbouw van een nieuwe wereld waarop gerechtigheid heerst en Zijn dienende Liefde de basis van de samenleving gaat worden. Velen geloven niet meer in deze toekomst, maar die toekomst komt wèl!

Jezus heeft beloofd dat Hij zorgt voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en in deze wereld van leugen en bedrog, blijft  Hij de Waarheid!

G. van der Laan
 

 

MIJN VADERS HUIS (2)

door

James P.S. Templeton

Een Nieuw Verbond

“Zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan? Ja, Ik zal een weg in de woestijn maken, rivieren in de wildernis” (Jesaja 43:19).

Het Nieuwe Verbond, bezegeld met het bloed van Christus, stelt God in staat een nieuw ding te doen en door de heilige Geest bij mensen in te wonen. De gemeente is Vaders huis geworden en is ook zo beschreven.

De apostel Paulus schrijft:

“Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.” (Efeziërs 2:19-22)

Het geestelijk huis waarin God woont

De gemeente van God is het geestelijk huis waarin God woont. Het is belangrijk voor christenen om goed voor hun lichaam te zorgen om de volgende reden:

“Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!” (1Korintiërs 3:16-17).

Paulus bevestigt dit later nog eens:

“Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.” (2Korintiërs 6:16).

De grote gedaanteverandering

De heilige Geest zal de broze menselijke lichamen transformeren door bij hen in te wonen. Wij claimen de heilige Geest door geloof en Hij stelt ons in staat ons leven in orde te brengen. Sir Isaac Newton zei: “Ik kan mijn telescoop nemen en miljoenen en miljoenen mijlen de ruimte in kijken. Ik kan hem opzij leggen en mij in mijn kamer terugtrekken en de deur sluiten. Dan buig ik mijn knieën voor een ernstig gebed. Op deze manier zie ik meer van de hemel en kom dichter bij God dan door middel van alle telescopen en andere materiële werktuigen op aarde”.

Het laatste huis is de gemeente

“En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.” (1Petrus 2:4-5).

Antichrist in de gemeente

Het is in ditzelfde laatste huis waarin satan de antichrist heeft geplaatst:

“Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.” (2Tessalonicenzen 2:3-4).

De plaatsvervanger van Christus

Dit is doorgaans een beschrijving van de antichrist in de persoon van de paus, niet ‘tegen’ maar ‘in plaats van’ Christus, de remplaçant of plaatsvervanger van Christus. Betreffende de antichrist schrijft Johannes:

“Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is.” (1Johannes 2:18).

Volgens Vine’s Expository Dictionary is het Grieks voor antichrist ‘antichristos’ en kan zowel ‘tegen Christus’ als in plaats van Christus’ betekenen of misschien als deze twee betekenissen gecombineerd worden, ‘iemand die de gedaante van Christus aanneemt, maar Hem in werkelijkheid bestrijdt’. De paus beweert niet tegen Christus te zijn. Maar veeleer namens Jezus Christus op aarde te spreken. Vrome rooms-katholieken zien de paus als vertegenwoordiger van Christus op aarde.

De godslasterlijke mis

Het lijkt erop dat iedere priester tijdens de mis zichzelf boven Christus en God verheft. Zij doen voorkomen groter te zijn dan God als zij de opgeheven wafel en wijn veranderen in wat wordt gezien als het feitelijke lichaam en bloed van Christus, die God is. Het pausdom heeft letterlijk de tekst in Daniël 7:25 vervuld:

“Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Aller­hoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd”.

Pontifex Maximus

De rooms-katholieke kerk, geregeerd door de ‘Pontifex Maximus, is verant­woordelijk voor de dood van meer dan vijftig miljoen martelaren. Zij vervingen de feesten van de Bijbel door heidense festivals. Zij veranderden ook de wetten van God. Zij verwijderden het tweede gebod betreffende gesneden beelden en deelden het tiende gebod in twee. Het gebod de Sabbat te houden, werd ook vervangen.

Het geheimenis der wetteloosheid

Zelfs in de dagen van de apostel Paulus werd deze vorm van Babylonische Baäl­verering al geleidelijk in de kerk ingevoerd.

“Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.” (2Tessalo­nicenzen 2:5-8).

De rooms-katholieke kerk was als Heilig Romeins Rijk pas in staat totale macht uit te oefenen na de ineenstorting van het Heidense Romeinse Rijk van de keizers. Over dit rijk wordt hier geschreven als ‘hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is’. Het Romeinse Beest werd vervangen vanwege zijn wreedheid en afgodische beeldendienst, zoals ook eenmaal de rooms-katholieke kerk met haar valse leerstellingen en dogma’s.

Het beeld van het Romeinse Rijk

Dit was het tweede beeld, beschreven in Openbaring 13. Johannes schrijft:

“En het verleidt hen, die op de aarde wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest, dat de wond van het zwaard had en weer levend geworden is. En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden.” (Openbaring 13:14-15).

Leugenachtige tekenen en wonderen

De grote misleiding is heel wezenlijk, want ofschoon prominent in de rooms-katholieke landen, het is ook gangbaar geworden in alle Israëlnaties. De leugen­achtige tekenen en wonderen worden door satan gebruikt om de menigte te misleiden. Paulus beschrijft deze bovennatuurlijke macht die zich in de kerk manifesteert als volgt:

“Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerech­tigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden.” (2Tessa­lonicenzen 2:9-10).

In plaatsen als Lourdes en verscheidene andere heilige plaatsen die aan Maria zijn gewijd, hoort men over wonderen die in feite bedrog zijn. Mensen beweren huilende en bewegende beelden te zien, anderen ervaren stigmata in handen en voeten. Er zijn geen grenzen aan het aantal bovennatuurlijke tekenen die door de kerk worden geclaimd. Paulus beschrijft ze duidelijk en toont hoe en waarom de mensen worden bedrogen.

“En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid. Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.” (2Tessalonicenzen 2:11-13).

Het Laatste Huis

Dit is zo schitterend dat Paulus schrijft:

“en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.” (Efeziërs 1:19-23)

De apostel Petrus beschrijft getrouwe leden als levende stenen in dit laatste huis.

“En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. Daarom staat er in een schriftwoord: Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.” (1Petrus 2:4-6).

Hier is de gemeente een koninklijk priesterschap geworden en degenen die ‘Lo-Ammi (niet het volk van God) zijn genoemd, zijn geworden ‘het volk van God’, zoals God zelf heeft verklaard:

“Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet, zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God.” (Hosea 1:9-10).

Later in zijn brief beschrijft Petrus dit priesterschap:

“U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.” (1Petrus 2:7-10).

Uit deze verzen kan dus worden opgemaakt dat Gods reddingsplan een speciale betekenis heeft voor de volken van Israël voor wie onze Here Jezus speciaal is gestorven:

“Maar een van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen.” (Johannes 11:49-52).

 

Tot zover het Voorlaatste huis en het Laatste huis. We zullen ons nu bezinnen op het Levende huis. We hebben het al even aangeroerd; de ‘gemeente van de levende stenen’ is in feite het Levende huis. Het is Gods woonplaats zoals we hebben laten zien, “… in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest”  (Efeziërs 2:22).

Toen Jezus deze woorden sprak, had Hij het niet over een plaats of verblijf in de materiële zin van een gebouw of een stad, maar Hij sprak in feite over het koninkrijk van God dat werkelijkheid zou worden op aarde.

“Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen –anders zou Ik het u gezegd hebben– want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.” (Johannes 14:1-3).

Een ontmoeting in de wolken

Als wij ons afvragen hoe en wanneer deze gebeurtenissen plaatsvinden, komt Paulus met het antwoord:

“Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achter­blijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achter bleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen. Vermaant elkander dus met deze woorden.” (1Tessalonicenzen 4:15-18).

Wij zullen allemaal bij elkaar zijn

Wij (de gelovigen) die in die tijd leven zullen degenen die in Christus zijn ontslapen niet voorgaan, want wij zullen verenigd worden in de wolken, zoals wordt bevestigd in de volgende tekst:

“Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zo­dat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.” (Hebreeën 11:39-40).

Een koninkrijk dat alle koninkrijken verbrijzelt

“Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heer­schappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid,” (Daniël 2:44).

Beloningen

Tegengesteld aan wat sommige mensen denken, zegt de Bijbel duidelijk dat christenen zullen worden beloond als Christus terugkomt:

“Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naar dat zijn werk is.” (Openbaring 22:12).

Deze beloning zal zijn heerschappij in het koninkrijk. Dit is de erfenis van een gelovige:

“Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.” (Romeinen 8:16-17).

Christus zal regeren in zijn koninkrijk met degenen die zijn erfgenamen zijn, nu verheerlijkt. De titels, gegeven aan deze gezamenlijke erfgenamen met Christus, maken duidelijk dat zij zullen regeren over de aarde en dit wordt bevestigd in het boek Openbaring.

“en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters (letterlijk: en maakt ons een koninkrijk en priesters) voor zijn God en Vader gemaakt; Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden!” (Openbaring 1:6).

Dit belangrijke thema wordt herhaald in het lied van de verlosten.

“En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.” (Openbaring 5:9-10).

De Heer leerde de discipelen hierover in de gelijkenis van de ponden waarin zijn dienaren bij zijn tweede komst voor hun trouw beloond worden.

“En het geschiedde, toen hij terugkwam, nadat hij de koninklijke waardigheid verkregen had, dat hij die slaven, aan welke hij het geld gegeven had, bij zich liet roepen om te weten, wat ieder met zijn handel bereikt had. En de eerste verscheen en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden winst gemaakt. En hij zeide tot hem: Voortreffelijk, goede slaaf; omdat gij in het minste getrouw geweest zijt, heb gezag over tien steden. De tweede kwam en zeide: Uw pond, heer, heeft vijf ponden opgebracht. Hij zeide ook tot hem: En gij, wees heer over vijf steden.” (Lucas 19:15-19).

Verheerlijkte geestelijke wezens

In het koninkrijk zullen gelovigen verheerlijkte lichamen hebben en als hun Heer in staat zijn zich te verplaatsen zonder door de materie gehinderd te worden. De profeet beschrijft de bediening die zij zullen vervullen en schrijft over de regering van Christus en het millennium:

“Want gij volk, dat op Sion, in Jeruzalem, woont, gij zult niet blijven wenen. Hij zal u zeker genadig zijn op uw luid geroep; zodra Hij dat hoort, zal Hij u antwoorden. De Here heeft u wel brood der benauwdheid en water der verdrukking gegeven, maar uw leraars zullen zich niet meer verbergen, doch uw ogen zullen uw leraars zien; en wanneer gij rechts of wanneer gij links zoudt willen gaan, zullen uw oren achter u het woord horen: Dit is de weg, wandelt daarop.” (Jesaja 30:19-21).

Stralend in het koninkrijk

Een levendige beschrijving van deze verheerlijkte wezens wordt gegeven in het evangelie naar Mattheüs:

“Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders” (Mattheüs 13:43).

Het ‘Koninkrijk huns Vaders’ is hun Vaders huis. Er is geen tempel daarin, zoals er geen tempel is in de hemel op dit moment. De gemeente, Gods tempel, is het lichaam van Christus en daarom deel van Christus. Dit is voorzegd in Openbaring 21:22, waar staat:

“En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam”.

Erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus

Christus bedoelde zeker dat de ‘erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus’ met Hem zouden regeren in het koninkrijk van God op aarde. Met andere woorden: de woningen of woonplaatsen in het huis van de Vader zijn ambten, taken, diensten in het koninkrijk. Degenen die met de Heer zijn als Hij komt worden beschreven als:

“Dezen (de vijanden) zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen, want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen.” (Openbaring 17:14).

Oorlog voeren in gerechtigheid

De visioenen van Johannes beschrijven het op de volgende wijze:

“En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods. En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen. En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen en Here der heren.” (Openbaring 19:11-16)

Het lijkt erop dat Christus uit de hemel naar beneden komt, de heiligen ontmoet in de lucht en onmiddellijk daarop oorlog gaat voeren tegen zijn vijanden, zodat Hij uiteindelijk de wereld kan regeren met een ijzeren roede. Enkele verbazing­wekkende visioenen kondigen dit aan.

Charles E. Taylor in zijn boek ‘Jesus is Coming’, hoofdstuk ‘Signs in the Sky’ schreef: “In Bombay India hielden op een avond honderd meisjes van een missiehuis een christelijke dienst op straat, toen zij allemaal in de lucht een immense halve cirkel van vurige letters zagen. In hun eigen taal lazen zij: Jezus komt spoedig’.

‘In Zweden keerden driehonderd mensen naar huis terug na een gebedsavond, toe zij plotseling een hand zagen, die wees naar woorden in grote letters in de lucht geschreven: Zie, Ik kom spoedig’

‘In York, Pensylvania, merkte dr. H.E. Kline, die om twee uur bij een patiënt geroepen werd, een ongewoon heldere ster op. Op enige afstand daarvan zag hij duidelijk een kruis met een zilverachtige glans aan een kant en een vuurrode gloed aan de andere kant. Er boven was een diadeem, een kroon van sterren. Dr. Kline belde zijn familie en ook zij observeerden dit merkwaardige fenomeen totdat het verdween’.

 

Dit alles brengt ons er toe de verwachting te koesteren dat wij spoedig de vervulling zullen meemaken van de beschrijving van Jezus over de laatste gebeurtenissen in het evangelieverhaal van Mattheüs (24:30):

“En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid” .

Uit Bible Truth 9/10 2003

Vert. Tj.Wijsman-Everaarts

 

 

WEDEROM, MIJN VOLK

Het boek Hosea over de lotgevallen

der beide Israëlvolken (2)

door H. Siliakus

 

3 ISRAËL IN HOSEA’S DAGEN

In het eerste hoofdstuk van zijn boek lezen wij dat de profeet Hosea met ‘een vrouw der hoererijen’, een hoer dus, moest trouwen (vers 2). Wij krijgen hier een indruk van hoe ver God kan gaan in wat Hij vraagt van zijn dienstknechten. Hosea gehoorzaamde en nam zich een zekere Gomer tot vrouw (vers 3). Deze Gomer moest het Huis Israël, het tienstammenrijk, uitbeelden, dat zich in geestelijke zin ook als een hoer gedroeg en haar Man, de HERE, ontrouw geworden was. De naam Gomer betekent ironisch genoeg ‘volmaakt’. Wij zullen hierbij in haar geval als type van het volk Israël, te denken hebben aan ‘volmaakt in het kwaad’! Verder kan er in deze naam een aanduiding verborgen zijn, dat God een voleinding zou gaan maken met het volk Israël. Merkwaardig is dat de eerste ballingschapsnaam van Israël, Gimira of Gomri (van ‘het Huis van Omri’, in hoofdstuk 5 komen wij hierover nog te spreken) in het Hebreeuws op dezelfde wijze wordt geschreven als Gomer: Gmr (het Hebreeuws kent geen klinkers).

 

In het derde hoofdstuk lezen wij dat Hosea een andere overspelige vrouw moet huwen (vers 1). Dat het hier om een andere vrouw moet gaan, leiden wij af uit het feit dat God zegt: “Ga wederom henen…”. Er is ook een klein nuance-verschil: hier wordt niet gesproken over een hoer, maar over een overspeelster. Het is duidelijk, deze andere vrouw moet het type zijn van het andere deel van Israël, het Huis Juda of het tweestammenrijk, waarmee het toch minder ernstig gesteld was in de dagen van Hosea. Met dit zinnebeeldige ‘dubbelhuwelijk’ (dat overigens ook in werkelijkheid gesloten moet zijn, want het boek Hosea spreekt erover als ware gebeurtenissen uit het leven van Hosea) wordt onmiskenbaar aangesloten bij de feitelijke toestand waarin het ene volk Israël zich toentertijd bevond: na Salomo was het gesplitst in twee rijken en volken, Juda en Israël (de rijksscheuring). Deze tweeheid was er echter al vóór de rijksscheuring. Wij komen haar reeds tegen in Davids tijd: de eerste zeven jaar van zijn regering was David alleen koning over Juda (toen nog zonder Benjamin), terwijl Isboseth koning was over Israël (2 Samuel 2:9-11). Toch is zij zelfs van nog oudere datum. Psalm 114:1-2 leert ons dat zij reeds bestond tijdens de exodus uit Egypte (wij vernemen hier tevens dat Juda een meer geestelijke roeping had, waarin zij later opgevolgd is door de Nieuwtestamentische gemeente, het ‘nieuwe heiligdom’). Ezechiël 23 spreekt zelfs reeds over twee verschillende volken Israël en Juda in Egypte (vers 3). In dit hoofdstuk worden deze, net zoals in Hosea voorgesteld door twee vrouwen: Ohola (=Israël) en Oholiba (=Juda). Zie vers 4. In de woestijn Sinaï, op de trektocht van Egypte naar Kanaän onder Mozes, bij de berg Horeb, werd het huwelijk gesloten tussen God en deze beide ‘vrouwen’ (“Zij werden de Mijne” Ezechiël 23:4). Het ‘feest’ waarvan Mozes tot de farao sprak (Exodus 5:1), was een ‘bruiloftsfeest’! Tot in de eindtijd zal de gescheidenheid tussen Juda en Israël voortduren. Dan zal er evenwel ook een hereniging komen, na een tijd van grote benauwdheid (zie Deuteronomium 33:7 en Ezechiël 37:19-22).

 

Terug echter naar de Oudtestamentische tijden. Zij dienen ons een droevige geschiedenis op. Beide vrouwen werden hun Man en God spoedig ontrouw. En deze ontrouw en welke vormen ze had aangenomen in de nadagen van de beide rijken, wordt beschreven onder anderen in het boek Hosea. Zoals in de inleiding al werd aangegeven, gaat het in Hosea in het bijzonder over het tienstammenrijk, hoewel ook over Juda wordt gesproken, maar minder vaak. De sterkste nadruk valt in deze beschrijving van Israëls zondige staat op de ‘geestelijke hoererij’, die bedreven werd, de afgodendienst, de eigenlijke ontrouw. Deze droevigste van alle zonden, die eigenlijk al het andere ‘omspant’, wordt in een groot aantal teksten genoemd: Hosea 1:2; 2:1, 3-4, 11-12; 4:1, 15, 17; 5:3-4, 7; 6:7, 10; 7:4-10; 8:4-6, 10-11; 9:1; 10:1; 12:12; 13:1-2. Zij komt in bijna elk hoofdstuk aan de orde.

 

Enige opmerkingen bij deze teksten:

Ad 2:1             Hier worden de afzonderlijke Israëlieten als kinderen van de ‘moeder’ Israël aangesproken.

Ad 2:11-12      Israël kwam er zelfs toe de zegeningen van het land aan de afgoden en met name de Baäls toe te schrijven.

Ad 4:1             Men is geneigd te denken, dat het in het vierde hoofdstuk, evenals in het derde over Juda-Israël gaat. Als er over een ‘volk met een priesterambt’ wordt gesproken (zie vers 6), lijkt het voor de hand te liggen om alleen aan Juda te denken. Toch is dit niet juist want wij moeten bedenken, dat geheel Israël (Juda en Efraïm) bij de berg Horeb tot een ‘priesterlijk koninkrijk’ is gemaakt (Exodus 19:6). Efraïm-Israël bleef daartoe behoren ook na de scheuring van het rijk. Immers, God bleef ook het tienstammenrijk als Zijn volk beschouwen. Er wordt in Hosea 4 trouwens gesproken over het ‘priesterambt van Israël’, wat iets anders is als het Levitische priesterschap. Het betreft hier niet de enkele Levitische priesters onder het volk, maar de roeping van elke Israëliet om ‘bemiddelaar van het heil’ te zijn.

Ad 4:15                       Efraïm wordt hier verweten Juda met zich mee te trekken op de weg der zonde, iets wat ook vandaag nog voorkomt onder christenen en wat ons herinnert aan Eva, die ook Adam ertoe bewoog van de verboden vrucht te eten (Genesis 3:6).

Ad 4:17       Als wij niet willen luisteren zegt God op een gegeven ogenblik tot ons: “Ga uw gang maar!” Maar wij zullen de wrange vruchten van onze ongehoorzaamheid plukken!

Ad 5:7             ‘Vreemde kinderen gewonnen’ wil zeggen: een boos en overspelig geslacht is opgestaan. Daarom komt het oordeel (‘de nieuwe maand’)

Ad 7:4-10   Hier treffen wij een niets verbloemende beschrijving aan van de diepgezonken geestelijke en zedelijke staat van het volk: hoog wordt het vuur van de begeerte en van de vleselijke lusten opgestookt. Waarschijnlijk hebben wij hier ook te denken aan seksuele losbandigheid. Vers 7 leert ons, dat het bovendien een tijd was van veel bloedvergieten. Merk overeenkomsten op met onze tijd!

Ad 8:4-6   Ook de kalverendienst, ingesteld door Jerobeam I, was kennelijk nog springlevend. Dit was een halfslachtige (compromis-) godsdienst, een eigenwillige godsdienst. Het moest een dienst voor de HERE voorstellen en geen afgodendienst, maar het was toch afgodendienst. Ook vandaag houden vele christenen er een ‘kalveren’dienst op na.

Ad 10:1    Afgoderij wordt hier afgeschilderd als een uiting van grenzeloze zelfzucht. Dat Israël hier wordt vergeleken met een wijnstok is overigens niet toevallig. De wijnstok is een symbool voor het Israël van de tien stammen, de vijgeboom is het symbool voor Juda, de twee stammen (zie bv. in Lukas 21:29-30). Later in deze studie gaan wij wat uitgebreider op deze symboliek in.

Ad 13:1-2 Hier weer een verwijzing naar de kalverendienst te Samaria. Verder wordt hier meegedeeld, dat Efraïm ‘is gestorven’. Dit hebben wij in Nieuwtestamentische zin te verstaan. Bedoeld word dat Efraïm-Israël door haar onophoudelijk zondigen geestelijk gestorven is (vergelijk Efeze 2:1, 5 en Kolossensen 2:13).

 

Niet alleen Efraïm-Israël, maar ook Juda-Israël maakte zich schuldig aan afgoderij. Over de zondigheid van Juda lezen wij in Hosea 3:1 (hier hebben wij immers van doen met de tweede vrouw). Juda had het voorrecht dat de tempel des HEREN zich op haar grondgebied bevond (in de hoofdstad Jeruzalem). Maar al leefden zij dicht bij het heiligdom, toch kwamen ook zij tot afgoderij. Dit leert ons dat, al komen wij onder het gehoor van de beste predikers en al behoren wij tot een gemeente waar de tegenwoordigheid Gods ervaren wordt, wij nochtans verre van God kunnen zijn. Dit is het geval als er geen sprake is van persoonlijke heiliging en toewijding.

 

Hoewel geestelijke hoererij vrijwel alle overige zonden insluit en wij ons reeds uit de bovengenoemde teksten een goed beeld hebben kunnen vormen van de staat van verval waarin met name Efraïm-Israël, het tienstammenrijk, zich bevond, willen wij thans toch ook nog even stilstaan bij enige andere zonden van Israël die genoemd worden. Het is namelijk beslist nodig en nuttig om wat meer dan oppervlakkige kennis te hebben aangaande de kenmerken van geestelijk verval. In onze dagen neemt de afval van het geloof eveneens steeds ergere vormen aan. Daarom is het goed dat wij de symptomen kennen die het begin van afval aankondigen en die ons al in een vroeg stadium kunnen waarschuwen!

Voorts hebt u er misschien moeite mee zomaar ineens wat vormen van afgoderij te noemen. Dan is het van belang kennis te dragen van enige ‘begeleidende’ zonden, die gemakkelijker te signaleren zijn. In het algemeen kunnen wij stellen, dat afgoderij daar begint waar God van de eerste plaats in het leven wordt verdreven. Afgoderij is dus niet alleen maar een beeld aanbidden. Het gaat veel dieper! Het zijn al die dingen die in een mensenleven de plaats innemen die God alleen toekomt, alsook die dingen en machten waaraan meerdere eer dan aan God wordt gegeven. Als hiervan sprake is, dan is er ook sprake van één of meerdere andere zonden.  Van deze ‘begeleidende zonden’ worden in het boek Hosea genoemd:

            Ondankbaarheid         Hosea 2: 7

            Losbandigheid            Hosea 2: 10;  4: 11, 16, 18;  7: 5

            Rebellie                      Hosea 4: 4;  7: 13

            Geen Godskennis       Hosea 1: 4, 6;  5: 4

            Hebzucht, inhaligheid  Hosea 4: 18

            Zelfzucht                   Hosea 4: 1;  10: 1

            Ongevoeligheid voor Goddelijk vermaan, onbekeerlijkheid

                                             Hosea 7: 10-11, 14-16;  8: 14

            Geveinsd God dienen Hosea 7: 13-14;  8: 13;  12: 1a

            Zelfverzekerdheid       Hosea 12: 9

 

Het zijn stuk voor stuk zonden die voortkomen  uit het verdringen van God van de eerste plaats in het leven. Vergelijk dit alles met wat in 2 Timotheus 3:1-5 over de eindtijd wordt gezegd.

 

Na geestelijk verval komt echter ook zedelijk verval. In het boek Hosea worden vervolgens nog die grove en uitgesproken zonden vermeld, die kenmerkend zijn voor zedenverval en zedenbederf. Daaruit kunnen wij eens te meer opmaken, dat het Israël van de tijd van Hosea een beschaving op weg naar de ondergang was. Over losbandigheid spraken we al. Het is een zonde die op de grens van het geestelijk en het zedelijk verval ligt. Het zedelijk verval komt vooral tot uiting in vloeken, liegen, doodslaan (moord), inbreken (diefstal), overspel en ontucht. Al deze zonden werden op grote schaal bedreven in Israël (Hosea 4:2). Vooral in de stad Gilead werd veel bloed vergoten en ook de priesters (dit zullen wel de kalverendienst priesters zijn geweest) maakten zich schuldig aan moord (Hosea 6: 18-19; 12:12a). In sommige steden kon men niet eens meer veilig over straat gaan, vanwege se straatschenderij (Hosea 7:1). Wat een overeenkomst met onze tijd! Bedrog en corruptie in de handel tierde welig (Hosea 12:8). Een meer algemene analyse van de droevige geestelijke en zedelijke toestand vinden wij op een vijftal plaatsen in het boek:

Hosea 4:7-8   zij verlustigden zich zelfs in de ongerechtigheid

:9 en >10:13 een kernachtige samenvatting van alle wandaden

12:2               waar over de ‘goede’ contacten gesproken wordt die men onderhield met de eidense naties Assyrië en Egypte, maar waar niets goeds uit voortvloeide

13:12             vergelijk Maleachi 3:14-16

Zo ver was Israël afgegleden, dat het zich geheel aan de zonde had overgegeven en zich aan de satan had verkocht. Vandaar dat er in Hosea 4:19 staat geschreven: “Een wind heeft hen gebonden in zijn vleugelen”  Gebondenheid door de wind duidt op demonische bezetenheid. ‘Wind’ is symbool voor ‘geest’ (vergelijk Johannes 3:8 en Efeze 4:14).

 

God, in Zijn grote liefde, gaat nooit meteen over tot straffen en nooit onaangekondigd. In het vorige hoofdstuk ging het al over profeten die God tot Israël en Juda zond en die het volk opriepen tot bekering en waarschuwden voor de oordelen van God. Verwijzingen naar de bedieningen van deze godsmannen komen wij in Hosea op twee reeds eerder genoemde plaatsen tegen (Hosea 6: 5 en 9: 7-8). In Hosea 4: 5 lezen wij echter, dat zelfs het profetenambt in de dagen van Hosea bezoedeld was. Dit kwam door het in steeds in groter getale optreden van valse profeten. Bekend is dat er reeds in Achabs tijd vele van zulke profeten waren en hoe grote tegenstand de profeet Jeremia van de zijde van deze valse profeten moest ondervinden. Ook deze dingen herhalen zich in onze tijd.

 

Een ander facet van Gods handelwijze als Hij gaat straffen is, dat Hij er nimmer onmiddellijk toe overgaat de definitieve straf te voltrekken, maar altijd eerst met enige voorafgaande, lichtere straffen komt, die eveneens dienen tot waarschuwing, Zo gebeurde ook met Israël. Hosea noemt een viertal voorafgaande straffen, die Israël tot inkeer hadden moeten brengen, wat echter niet gebeurde.

*  In Hosea 13: 7-8 lezen wij in de eerste plaats hoe God zich in het algemeen tegenover Israël ging opstellen (als een verscheurende leeuw) en wat derhalve een geestelijke verklaring is voor de rampen die Israël begonnen te treffen. Uit dit gedeelte kunnen wij ook afleiden wat een van die straffen inhield. God gaf Israël over in de macht van vreemde, heidense volken: het ‘wild gedierte des velds’ zou hen verscheuren (zie ook Hosea 7:9). Van oude tijden af was dit trouwens al gebeurd als Israël ongehoorzaam was. Het vond reeds plaats in de tijd van de richteren (zie Richteren 2: 14-15) en Mozes had Israël hiervoor al gewaarschuwd (Deuteronomium 28: 32-33, 43-44). Ook de psalmdichter maakt er melding van (Psalm 106: 40-42). Overigens had men in Hosea’s tijd ‘het paard van Troje’ zelf binnengehaald. In een dwaze poging God te ontlopen zochten zij steun bij Egypte en Assur. (Hosea 5: 13; 7: 8, 11; 12: 2). Let weer op de overeenkomsten met onze tijd. In de oorspronkelijk christelijke naties van het Westen krijgen vreemdelingen het steeds meer voor het zeggen, en antiwesterse machten krijgen in onze tijd de overhand, overal ter wereld.

*  Over een andere voorafgaande straf lezen wij in Hosea 2: 8 en 9: 2: Misoogsten! Ook al voorzegd door Mozes (Deuteronomium 11: 17; 28: 22, 38-40). De extreme weersomstandigheden die de christelijke volken vandaag, de een na de ander, treffen en die tot slechte of tegenvallende landbouwopbrengsten leiden, moeten ons tot nadenken stemmen!

*  Een derde straf waarmee God zijn ongehoorzame volk bezoekt wordt beschreven in Hosea 4:10. Wij omschrijven deze straf als volgt: onttrekking van Gods zegen aan alles. Niets zou meer bevredigen of voldoening schenken (verveling). Men zou eten, maar niet verzadigd worden. Men zou de ‘vrije liefde’ bedrijven, maar geen bevrediging meer vinden in de seksualiteit en er zouden steeds minder kinderen geboren worden. En als het eenmaal zo ver is, gaat het van kwaad tot erger: van vrije liefde tot tegennatuurlijke liefde (vergelijk Romeinen 2: 24-28). Dit zien wij ook in onze tijd. En zoals toen zien wij ook nu, dat het leven voor steeds meer mensen hoe langer hoe ondraaglijker, ja een ware marteling wordt, (zie Jesaja 28: 20).

*  Als vierde straf wordt ten slotte genoemd: het ontstaan van grote onderlinge verdeeldheid en verschrikking onder het volk (Hosea 10:2-7). Blijkens Jezus’ woorden in Mattheüs 10: 34-36 en 24: 10 zullen deze dingen zich in de eindtijd herhalen.

Deze vier straffen zond God ter waarschuwing, opdat het definitieve oordeel zou kunnen worden afgewend. Maar Hosea 7: 15-16 leert ons dat deze voorafgaande straffen geen enkele keer het goede tot gevolg hadden. Te vrezen is dat ook dit zich in onze tijd zal herhalen.

Nog even moeten wij terugkeren naar het symboliek huwelijk van Hosea. Uit het huwelijk van de profeet met de eerste vrouw (Gomer) werden drie kinderen geboren, twee zonen en een dochter. Deze drie kinderen en de namen die zij ontvingen, wijzen heen naar de uiteindelijke straf die Israël zou ondergaan en waarin, naar deze drie, drie afzonderlijke straffen kunnen worden onderscheiden.

+  Ten eerste verstrooiing. Hierop wijst de naam van het eerste kind, Jizreël (Hosea 1:4). Israël zou vertrooid worden onder de volken.

+  Ten tweede verlating of hulpontzegging, waarop de naam van de dochter wijst: Lo-Ruchama, wat betekent ‘niet ontfermd’ (Hosea 1:6). Geen ontferming meer voor Israël.

+  Ten derde verstoting of verwerping, aangekondigd in de naam van de tweede zoon, Lo-Ammi, hetgeen betekent ‘niet Mijn volk’ (Hosea 1:9). Israël zou niet langer Gods volk volk zijn.

Er zit in deze drievoudige straf een toeneming in gruwelijkheid. Bovendien merken we erin op, dat alle drie de Personen van de Goddelijke Drie-eenheid erbij betrokken zijn. Eerst worden zij verstrooid, dat wil zeggen uit elkaar geslagen, met het gevolg dat ieder zijns weegs gaat zonder enige samenhang. De liefdevolle zorg van God de Vader wordt niet langer ervaren. Daarna worden zij ook verlaten, zij verliezen de bijstand van God en worden aan hun lot overgelaten. Genade, die wondervolle bemoeienis waarin God de Zoon zich openbaart is niet langer meer hun deel. Vervolgens worden zij ook nog verstoten, zij zijn als niet meer bestaand voor God, verworpen. De gemeenschap met God, dat wonderbare werk van de heilige Geest, wordt niet meer gekend..

Wij hebben hier te maken met de straf, die met de nodige wijzigingen ook vandaag nog op de ongehoorzaamheid volgt, zich verhevigend naar mate men zich verhardt en de ongehoorzaamheid ernstiger vormen aanneemt. Het is het waard in dit verband Hebreeën 6:4-8 eens te overdenken. Op de voltrekking van deze drievoudige straf aan het oude Israël zullen wij in het volgende hoofdstuk nader ingaan.

 

“Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.”

 


Diep geworteld (3)

Onze herkomst wijst op onze toekomst

Laten wij eens kijken waar wij vandaan komen

 door Pieter Botha

 

De zondvloed

Voordat wij verder gaan, moeten we eerst een paar beginselen op een rijtje zetten, die van grote betekenis zijn voor verdere studie.

1. Om wie is God bekommerd? (Het woordenboek geeft aan: zorg, angst, zorg over hebben). Om de kinderen van Abraham! Als dit zo is, dan is God ook zeer bezorgd om het nageslacht van Adam. Daar­mee vinden tegelijk een vast patroon dwars door de hele Bijbel.

2. God houdt zich uitsluitend met Zijn eigen zaadlijn bezig, andere vol­ken buiten deze zaadlijn vindt men in de Bijbel slechts zelden, men vindt geen achtergrond van die volken die buiten Adam zijn. Over één volk weten wij erg veel en dat is Gods volk Israël.

3. Er bestaat een hoofdlijn: de uitverkiezing: de Adamitische lijn, dan de Aziër lijn, Neger lijn, de Mongoolse (Japan, China) lijn, de Indiaanse lijn. Wat vertelt Gods Woord ons vanaf Genesis tot Open­baring over deze lijnen? Niets! De Bijbel verklaart niets over deze volken en geeft hun geschiedenis niet aan ons door.

4. Aan wie heeft God zijn Wet gegeven? Eerst aan Mozes en daarna aan Israël (Psalm 147).

Dus God heeft vanaf Adam tot aan ons geslacht in één vaste lijn zijn Wet gegeven. Aan Zijn eigen kinderen!

Nu wordt het interessant, we leren dat Paulus zegt: AWaar geen Wet is, er ook geen overtredingen zijn!@ God heeft Zijn Wet gegeven aan Adam, Adam die ook genoemd word MENS. Komt van de term Amanu@. Manu betekent: In wie de denkende Geest van God geplaatst is. Dit is de mens. Dus de Bijbel houdt zich uitsluitend bezig met deze mens of Adamiet. Vanaf deze lijn wordt de selectie steeds nauwer, welke gevolg is van Genesis 6, waar het verhaal opgetekend staat van de gevallen engelen, die nageslacht verwekt hebben bij de dochters van Adam en zo het Adami­tisch ras verbasterden, waardoor God slechts met één mens, Noach en zijn gezin opnieuw moest beginnen, na de verschrikkelijke zondvloed, waarin het verbasterde engelengeslacht ten onder ging.

Genesis 6:5-7 Dit geeft gelijk het antwoord op de vraag:

AToen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.@

Hierin ziet men dat God uitsluitend spreekt van de Adamieten, die zich verbasterd hadden. God spreekt daar niet over de gevallen engelen, die zonen Gods genoemd worden. Sta daar eens bij stil.

Na Noach ziet men de vertakking tussen Sem, Cham en Jafet (deze zijn nog steeds blank en dan is er weer een selectie, maar nu via de lijn Sem en van Sem naar Abraham.  Uit zijn drie vrouwen komt weer nieuw nageslacht, maar steeds opnieuw selecteert God  nauwkeuriger en via Sara komt de lijn van uitverkiezing, zoals wij die nu kennen. En met deze uitverkiezing houdt de Bijbel zich uitsluitend bezig. Men kan het zien als de vorm van een trechter, groot van boven en zeer nauw aan de onderkant.

En dit brengt ons weer bij de zondvloed. Toets altijd het woord en kijk in welk verband het woord aarde/wereld gebruikt wordt. De Bijbel spreekt dan altijd over de bewoonde aarde. Dit is heel belangrijk! Over welk deel van die bewoonde aarde gaat het dan? Dan handelt het altijd waar Gods zaad woont, niet met de rest!

Lucas 2:1 (Staten Vertaling) geeft een goed voorbeeld als er over de bewoonde aarde/wereld gesproken wordt: AEn het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.@

Zijn toen de Negers van het continent Afrika opgeroepen om naar Palesti­na te gaan? Of een andere groep van volken? Nee, de nieuwe vertaling spreekt van een bewoonde wereld, waar Gods beeld op aarde woonde, die moesten opgaan naar Palestina. Paulus moest het Evangelie aan het hele mensdom verkondigen en heeft dit ook werkelijk gedaan! Was hij in Afrika, Groenland, Amerika, onder de indianen? Paulus kende zijn op­dracht zeer goed, hij moest gaan naar de verloren schapen van het huis Israëls.

Weer terug naar de zondvloed. Wat is er gebeurd tijdens de zondvloed? Nu moeten we ons zelfs eens wat afvragen. Was de hele aarde/wereld onder water? Of was het de bewoonde aarde waar de Adamiet leefde, die vermengd was en niet meer zuiver ATa­miem@ (oprecht in hun geslacht) waren, die onder water kwam? Er bestaan veel verschillende meningen hierover. Fundamentalisten zeggen: het staat in de Bijbel, dat de gehele aarde met water bedekt was. Tegenwoordig neemt men aan, dat het verhaal gegrond was op een werkelijke overstroming die zo=n honderdduizend vierkante km, van de vallei van de Eufraat tussen 5400 en 4200 v.Chr. onderwater heeft gezet. China en het laagland van Bengalen hebben dergelijke over­stromingen meegemaakt. Voor de oude volken moet het geleken hebben alsof de gehele aarde was verdronken. Maar laten wij eens kijken naar een redelijke verklaring:  De zondvloed heeft plaats gevonden op een beperkt deel van de aarde, de volgende  getuigen laten dit zien.

1. 2346 voor Christus vond de zondvloed plaats en dan tweeduizend jaar voor Christus wordt Abraham geboren in Ur der Chaldeeën. Was lag Ur? In Perzië, op de grens van het huidige Iran, Irak, de Perzische golf. Hoe ver is dit van de huidige staat Israël? Twee duizend jaar voor Christus wordt Abraham geroepen, om uit Ur te vertrekken om naar Kanaän te gaan. Voordat hij naar Kanaän ging, was hij eerst in Egypte, wat haalde hij uit Egypte? Graan. Nu komen twee belangrijke zaken om de hoek kijken.

2. Twee honderd jaar na de vloed was Abraham in Ur Chaldeeën (of ook Mesopotamië genoemd), dat in die tijd een dicht bevolkt gebied was, met een zeer hoge beschaving, maar Abraham gaat naar Egypte om graan te kopen. Dit betekent dat Egypte een voedselschuur voor de toenmalige bekende wereld was.

Als men bedenkt dat de Bijbel ons laat zien, dat de hoogste top van de hoogste bergpieken zestig voet onder water moeten hebben gelegen. Men kan dit herleiden vanaf de berg Ararat die achtduizend meter hoog is en vanaf zijn spits nog eens zestig voet. Dan moest de gehele aarde bedekt zijn met een waterlaag van negen kilometer dik. Dit zal betekenen, dat als al dit water op een natuurlijk manier verdampt moest worden, dit dan minstens een millennium zou duren om het weer bewoonbaar te maken en dat dit bewerkt kon worden tot akkerbouw. Maar tweehonderd jaar na de zondvloed, haalt Abra­ham graan in een hoogst ontwikkeld land, voordat hij naar Kanaän afreist.

3. In die tijd bezat Egypte een florerende dynastie van Farao=s onder Senisert III. Nu komen wij bij de Egyptische geschiedenis. Hun verle­den kunnen wij terugvinden tot drie duizend jaar voor Christus, toen ontstond de eerst Egyptische dynastie onder Faro Menhoe. De eerst zes dynastieën waren Ariërs-Adamieten, later daarover meer.

Onder Farao Menhoe is er een  Sedfeest ontstaan, deze feesten hielden in, dat elke farao op het dertigste jaar van zijn regering, zijn opvolger moest benoemen en deze moest dan samen met hem verder regeren totdat de oude farao stierf, want de koning sterft nooit is de filosofie achter dit feest. Om de daar opeenvolgende Sedfeesten zeker te stellen, werden deze feesten om de dertig jaar gehouden. Dit ligt vast in de geschiedenis, als een vast bewijs, vanaf 3001 en de daaropvolgende jaren, tot aan de laatste in 2575, was er geen onderbreking in deze feesten. Dan kan men uitreke­nen dat de zondvloed plaatsvond tussen het zesentwintigste Sed Feest van Farao Peppie

4. Nergens in de Egyptische geschiedenis wordt melding gemaakt van een zondvloed, er was een gewone voortgang van dagelijkse activiteiten.

5. Er zijn Bijbelcommentators die de universele vloedgedachten aanhang­en, die menen dat de piramide van Gizeh gebouwd is ongeveer driehon­derd jaar na de zondvloed, tweeduizend jaar voor Christus, door Sem of Mechizedek. Let goed op de volgende argumentatie!

Om deze piramiden te bouwen, moeten er mensen zijn geweest met gewel­dige kennis en er moeten tevens een enorme groep onge­schoolde Egyp­tenaren geweest zijn, om te helpen bij het aanbrengen van de enorme massa=s grote stenen. Verder moeten er zeer goed opgeleide steenhou­wers, metselaars, timmerlui, maar vooral werkmensen geweesdt zijn die de stenen over grote afstand moesten halen en na behandeling opbouwen. Dit heeft jaren van voorbereiding gekost. In de Egyptische geschiedenis is opgete­kend dat Farao elke twee maanden een nieuwe groep van honderdduizend arbeiders nodig had en dit is twintig jaar doorgegaan. Zo=n geweldig bouwwerk was dit, waar zij aan moesten werken. Dus als dit driehonderd jaar na de vloed gebeurde en al de Egyptenaren waren in de zondvloed omgekomen, waar haalt Farao Peppie II die niet verdronken is, al deze mensen dan vandaan? Een belangrijke opmerking: hun huid was in die dagen al bruin, drie honderd jaar na de vloed.

6. Professor Zeiss, een bekende Egyptoloog, is in de Thebes woestijn aan het graven geweest en heeft een graf van een farao uit achttiende dynastie geopend  ±1700 voor Christus. In die grafkamer waren op de muren prachtige tekeningen aangebracht, waarop zuivere Arische blanken te zien zijn, maar naast hen waren pikzwarte Afrikaners aan het werk, zo ook Mongolen en bruine Egyptenaren. Dit doet een mens zich afvragen als deze volken, deze vier groepen van volken, tot aan vandaag vertegen­woordigende hoofdgroepen van deze wereld waren zoals: de Kaukasische, Aziatische, Mongoolse, Negers, als deze groepen in de afgelopen zevenen­dertig eeuwen absoluut onveranderd zijn gebleven, is het dan logies om te bedenken dat in slechts zes eeuwen deze groepen zijn ontstaan, uit slechts acht blanke overlevenden uit de zondvloed?

7. De volgende getuige komt uit China. Dit volk heeft een heilig boek, hierin wordt verteld van een zekere Fuhi, die uit een regen­boog is gekomen, een man die een boot gebouwd heeft en allerhande dieren bij elkaar verzameld heeft, er wordt ook verteld dat de mensen niet naar zijn waarschuwing wilden luisteren en een geweldige watervloed is ontstaan, waardoor zij allen omkwamen. Zij vertellen dat de geboorte datum van Fuhi is 1056 na Adam, dan komen wij bij 3050 voor Christus. Nu de geboorte datum van Noach en Fuhi stemmen voor 100% met el­kaar overeen. Keizer Jahoe heeft 58 jaar na de vloed een oproep gedaan aan de rest van de bewoonde wereld, om te komen helpen bij deze geweldige watervloed die al achtenvijftig jaar onophoudelijk van de bergen naar beneden stortte. Wij kunnen dus zien, dat de Chinese geschiedenis ons helpt de Schrift te begrijpen, zij hebben de gevolgen van de zond­vloed ervaren, hun dorpen en steden, land, de grote rivieren, zijn onder zand en slip verdwenen tot op de huidige dag toe.

8. De tijd na de vloed in het jaar 2348 voor Christus, horen wij in de geschiedenis van de Indiërs en die van de Sumeriërs uit Perzië, dit was een bruin volk, een niet blank volk dat toen in Perzië woonde. Zij be­schrijven in hun geschiedenis, dat de Akkadiërs in Sumerië zijn aangeko­men. Akkadië betekent: >witte van de bergen=. Wanneer zijn deze daar aangekomen? Na de vloed! Maar al zeer snel wordt deze groep Akkadiërs ook Foeniciërs genoemd. Foenicië is de later Griekse term, want als men dit zal terug vertalen naar het Sanskriet, Zed,  Egyptisch of He­breeuws, dan staat er in die talen: Pa-hanok. Wie waren deze mensen?

>Pa= staat voor huis,  >hanok= voor Henoch. En wie waren de dragers van het huis van Henoch na de vloed? Noach en zijn gezin (zeven zielen). Daar komen die Pa-Hanok of die Foeniciërs vandaan.

 

De Foeniciërs

Nu zullen we even stilstaan bij dit bijzondere volk. In elk geschiedenis­boek wordt er veel geschreven over deze Foeniciërs, zij waren mannen van naam, zij hebben de geschiedenis van deze aardbol veranderd, daar­om moeten we bij hen stilstaan. Hun geschiedenis maakt ons dankbaar, omdat we weten dat wij als Israëlieten van hen afstammen.

De Bijbel laat ons zien, dat de mensen in Noach=s dagen hoog ontwikkel­de landbouwers waren, zij hebben de aarde voor het grootste gedeelte onderworpen en cultuurrijp gemaakt, geen ander volk in hun omgeving kon dit evenaren. Wat was Noach nadat hij uit de ark gekomen was? Landbouwer! Die Pa-Hanok mensen waren uitstekende landbouwers.

Deze Foeniciërs bezaten een paar zeer belangrijke eigenschappen, zij bezaten de beginselen van de wetenschap, wiskunde, sterrenkunde, land­bouw en taal, zij waren meesters op deze gebieden. Het is erg belangrijk om daar op te letten. Zij hebben met meesterschap al deze zaken beoefend op zeer hoog niveau. Geen ander volk kon hun dit nadoen!!

Deze Foeniciërs hebben zich van landbouwers ontwikkeld tot een grote zee­varende natie, tot een volk van kolonisten, het was een avonturiervolk, zij leefden zich uit en hebben met plezier de uitdaging van het leven aangepakt, niet omdat zij iets anders op het oog hadden, maar als uiting van hun lust er opuit te trekken. God heeft Israël immers geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Met de opdracht de aarde te onderwerpen! Deze opdracht zat in de genen van deze Foeniciërs.

Zij hebben bijvoorbeeld de zonjaren bepaald, de dag in 24 uren ingedeeld, zij hebben bepaald dat er 360 graden (kompas) zijn. Zij hebben ook de Zodiak meegebracht. Zij waren sterrenkundigen en volgens de Schrift weten wij dat onze Vader ons de sterren heeft gegeven als een teken, wij moeten dit begrijpen, niet zoals de occulte sterrenkijkers van vandaag, die hebben Gods sterren misvormd op gruwelijke wijze. Gods sterrenbeel­den geven Zijn grote Raadsplan weer. Maar helaas de kerken en hun leraren weten bitter weinig van deze zaken.

God laat Jeremia uitroepen:

AZo zegt de HERE, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is HERE der heerscharen: Als deze verorde­ningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord des HEREN, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen.@ (Jeremia 31:35-36).

Deze Foeniciërs hebben de betekenis van deze sterren gekend en hebben deze wetenschap samengevat in de Zodiak om in de verschillende stadia Gods Evangelie van Zijn Koninkrijk te ontvouwen. Zodiak betekent: AIn stadia ontvouwen@. In die Zodiak sterrenbeelden/groepen is altijd Gods grote Raadsplan voorgesteld, vanaf die tijd tot op heden. Gods Raadsplan is gegeven aan mensen met zuivere Adamitische/Arische gelaatstrekken. Wonderlijk als men daar op let!

Nog een belangrijk punt en dat is de Piramide van Gizeh

De grote piramide in Egypte is geplaatst door de Adynastie van Noach@. Door een man met een naam die is samengesteld uit de namen van Noach en Henoch tussen 4 en 300 voor de zondvloed, zo genoemd door de Egyp­tenaren. Hoe weten wij dat?  Weer vertellen de Indiase Veda=s aan ons, dat die Ariërs een monument hebben opgericht voordat het grote water kwam (zondvloed), om al wat God al gedaan heeft en wat Hij nog zal gaan doen voor het nageslacht, dit staat opgetekend in deze piramide. De in de piramide neergelegde Openbaring was gegeven aan het blanke ras en als resultaat van moeilijke experimenten in de bouw van verschillende typen van proefconstructies in piramidevorm, bereikte een afgezonderde kolonie van dit ras in Egypte de hoogste trap. De piramide werd gebouwd onder deskundige leiding van enkele hoogontwikkelden van het blanke ras, door primitieve Egyptische werkkrachten. En deze piramide staat er vandaag nog steeds. In Nederland zijn daar goede boe­ken over geschreven en in onze Israël wereld is dit goed bekend. Gods getuige staat vast om te laten zien wat Zijn bedoeling is met Zijn VOLK ISRAËL.

Dit brengt ons terug bij de figuur Henoch. In het apocriefe boek Henoch kunnen wij lezen hoe God aan Henoch de beginselen van wiskunde, natuurweten­schap sterrenkunde, de landbouw en de taal geleerd heeft. God heeft aan Henoch zelf geleerd om te schrijven. En Henoch heeft op zijn beurt dit aan zijn mensen overgedragen.

In de graftombe van de eerste farao Menhoe ±3001 voor Christus, zijn de inscripties niet in hiëroglyfen, maar in de Foenicische taal geschreven. Dat bewijst dat het oudste schrift niet de  hiëroglyfen is, maar een afleiding van het Foe­nicische schrift, dat Henoch van God heeft ontvangen. Wat was nu de moeder van al de talen? De Foenicische taal, hier komen uit voort  Grieks, Romeins, dus van uit de Pa-Hanok mensen. Deze groep mensen met de volgende namen, Akkadiërs, >Witten van de bergen=, Foeniciërs, >Pa-Hanok= bevonden zich uiteindelijk in de omgeving van Perzië nadat zij bij elkaar gekomen zijn in Babylon, met een absolute goddeloze gedachte, die wij kunnen lezen in Genesis 11:1-9 en dit zo kort na de zondvloed om hun ras te verzamelen, dat wat er over was gebleven, om vanaf daar tot een éénheid te ontwikkelen. En hier greep God weer in, met de taalverwarring. Hij heeft hen toen letterlijk verstrooid.

Genesis 11:2-9.

ADe gehele aarde nu was een van taal en een van spraak. Toen zij oost­waarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. En zij zeiden tot elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. Toen daalde de HERE neder om de stad en de toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien, En de HERE zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. Welaan, laat Ons nederd­alen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. Zo verstrooide de HERE hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. Daarom noemt men haar Babel, omdat de Here daar de taal der gehele aarde verward heeft en de HERE hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft.@

De Ferrar Fenton vertaling geeft een belangrijk feit door: uit de nage­slachten van Sem, Cham en Jafet zijn er zeer velen die zichzelf ingelijfd hebben in de volken van die tijd, om zich verder te ontwikkelen, ze zijn daar volledig in opgegaan. Nu zien wij, dat deze gebeurtenis van de toen­malig bekende wereld, de namen en karaktertrekken van het nageslacht van de families van Noach zijn. En vanaf dat punt kunnen wij de moder­ne, aan ons bekende volken opsporen, wat wij nu ook gaan doen.

De rassen van de wereld, na de ingreep van God, werden deel aan de families van Noach. Laten we eens naar de zonen van Noach kijken. Het Woord zegt: “Jafet zal wonen in de tenten van Sem”. Op deze manier werd de toekomst van deze twee broers/volken nauwgezet aan elkaar verbon­den. Met het gevolg, dat het nageslacht van Jafet, de God van Sem zal aanbidden.

Een kleinzoon van Jafet was Jawan en als men nu op een goede oude kaart van Engeland kijkt, dan ziet men dat Engeland Jawan wordt genoemd. En daar kan men van afleiden dat door de verstrooiing deze Jafetitische Foeniciërs[1] zich als eerste bewoners van de eilanden, achter de hekken van Hercules (straat van Gibraltar) geplaatst is, op het grote eiland Jawan, wat wij kennen als het Verenigd Koninkrijk. Er waren dus Jafetieten in Engeland. En nog een kleinzoon van Jafet, deze heet Tar­sus, (Lot nam op zijn vlucht een schip naar Tarsus). Tarsus ligt op het zuid­punt van Spanje. Dus nog een Jafetitische nakomeling vestigde zich in Spanje en zijn hoofdstad was Cadis, wat betekent: >stad van God= . Dus Jafet was de eerste mens die zijn woonplaats innam, nadat God hen had verstrooid en zich heeft uitgespreid rond de Middellandse Zee,  uiteinde­lijk tot in Engeland.

Nu kijken we naar Cham: Uit hem kwam de grootste rebel die de aarde ooit heeft voortgebracht: Nimrod. Toen Sem en Jafet waren vertrokken, heeft Nimrod dit gebied in zijn greep gevestigd en de stad Babylon gesticht, het Woord zegt: AEn het begin van zijn koninkrijk was Babel.@ (Genesis 10:10). Nimrod heeft de omringende volken overwonnen, heeft de Sumerische godsdienst als staats­godsdienst aangenomen en is Baäl gaan dienen. Later zullen we zien hoe Nimrod die heerste over Mesopotamië en de Chaldeeën, die met hun afgodendienst hun weg vonden tot in het hart van de R.K Kerk ( Later meer).

De lijn van Sem kunnen we doortrekken tot Arpagsad, Heber, Peleg, Abraham. Hier komt voor ons een bekende naam in zicht. Heber is de vader van de moderne Hebreeërs, welke naam betekent kolonisten. Is het niet prachtig hoe God namen kiest voor Zijn beelddragers? God heeft zo=n groot plan met Zijn nageslacht, het is ook zo=n gepaste naam!

Peleg is de vader van de Pelasgers, die ook Hebreeërs waren, we treffen hen aan van Italië tot aan Engeland. Dan uiteindelijk Abraham, waar komt Abraham vandaan? Uit de landstreek Ur, om later naar Kanaän te gaan. Toen Izaäk een vrouw zocht, woonde hij in Kanaän en zond Abraham zijn knecht om in Ur een vrouw voor Izaäk te gaan halen. Het moest iemand zijn uit zijn eigen volk, zeer belangrijk! Want daar waren nog zuivere Adamieten overgebleven.

Bedenk het volgende: de kinderen van de zonen van Noach, Jafet, Cham en Sem waren niet erg gehoorzaam, zij zijn niet allemaal zuiver in hun geslacht gebleven, zij hebben zich overgegeven aan de volken rondom hen, iets wat Israël later ook zal doen met alle ernstige gevolgen van dien. Het was maar een zeer klein percentage die raszuiver zijn gebleven, zodat God zijn mensen moest laten halen uit Ur de Chaldeeën. Want die andere Semieten, die al in die landen woonden, waren al vermengd en bezoedeld. Alleen Abraham was Tamiem = raszuiver en hij moest de uitverkiezende lijn van Izaäk zuiver houden.

Laten we stilstaan bij Abraham en bij onze Israël Waarheid. Allen die van Abraham afstammen, zijn niet allemaal Israëlieten! Hij had namelijk drie vrouwen: Saraï, Ketura, Hagar.

Hagar is de moeder van de hedendaagse Ismaëlieten. Ketura=s nageslacht is tot in de oer Indiërs en delen van China ingelijfd en van hen hebben zij de Europese gelaatstrekken overgehouden. Een groot deel van de Indiërs komt van Ketura.

Nu komen we bij Saraï en zij baarde alleen Izaäk, die Tamiem (zuiver) was want dit betekent: zonder vlek, perfect, volmaakt, zuiver. Van niet één van Abrahams andere vrouwen en hun kinderen werd dit gezegd zoals bij Izaäk, dat ook zij met een zuivere blanke vrouw moesten trouwen, zoals bij Izaäk vereist werd. Denk daar eens over na, want zo selecteert God in de geschiedenis van Zijn nageslacht, waaruit later zijn volk zal ontstaan.

Met Izaäk en Jakob sluit God een eeuwig Verbond, dat Jakob=s nage­slacht altijd van God zal zijn. Nergens in de Schrift vindt men dit gezegd van welk ander volk dan ook.  Wij zullen gaan zien dat wij direct onze herkomst kunnen terugvinden tot aan  Jakob. Ook door de geschiedenis.

Nu komt er iets wat van een geweldige betekenis is. Jakob=s nageslacht dat wij kennen als het Israël van de Bijbel, wiens naam betekent ARegeren met God@of Aprins met God@.

Bij die naam hebben de omliggende volken hen niet gekend, zij hebben de God van Israël ook niet gekend, waarom zouden zij die edele naam kennen of erkend hebben? Het nageslacht van Jakob werd door de buur volken gekend als Beth-Sak of Avebiry of Abirisch of Hebreeërs uit de lijn van Heber, het volk van Heber, zo hebben Israëls buren hen leren kennen.

Nu is het interessant als wij kijken toen de Exodus uit Egypte plaats vond. Wij vinden in de geschiedenisboeken de vraagtekens van slimme professoren, zij menen aan de hand van de opgeschreven ge­schiedenis te kunnen concluderen, of er ooit zo=n een uittocht heeft plaats gevonden. Maar in de opgetekende geschiedenis staat niet beschreven hoe Israël verlost is uit Egypte en van haar mars weg naar Kanaän. Maar er staat wel, dat een volk met de naam Avebiry of Abirisch, vanuit Egypte op weg was gegaan naar Palestina, want zij weigeren moedwillig de taalconnectie te maken met de Hebreeërs.

Toen Jakob en zijn familie in het jaar 1702 voor Christus naar het land Gosen gingen, waren zij met amper zeventig zielen, nu moet u goed opletten want nu wordt het interessant.

Genesis 46:26-27

AAlle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, zijn afstammelingen, behalve de vrouwen der zonen van Jakob, het gehele zielental was zesen­zestig. En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren waren, waren twee in getal. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen was zeventig.@

De exodus vind in het jaar 1486 plaats, ongeveer tweehonderdvijftien jaar later, na tweehonderd vijftien jaar in Egypte, waarvan in het laat­ste gedeelte onder zeer sterke dwingelandij .

Israël, op weg naar Kanaän. De landstreek Kanaän beslaat maar een zes­tienduizend vierkante kilometer, niet veel meer dan ons land (met woestij­nen en bergen).

Het gaat goed met hen in het land Kanaän, in het jaar 1445 v.Chr tot 970 v. Chr, de volgende 475 jaar ging het hun voor de wind. Toen begon de onge­hoorzaamheid, waaruit de scheuring van Israël ont­stond in twee huizen, Israël en Juda.

Nu vragen wij ons af, wat gebeurde er met deze mensen? Zijn zij daar vijfhonderd jaar gebleven.? Zij hebben Gods opdracht uitge­voerd, Avermeerdert u en vult de aarde@, dat was immers Adams opdracht!

Weet u nog dat zij, de Hebreeërs, avonturiers waren, mensen met de Geest van God, kolonisten in Gods opdracht? Zij woonden nu in een gebied waar vanuit zij gemakkelijk de wereld konden verkennen, bedenk, dit was voor Israëls ambtelijke ballingschappen.

Zo zijn er men­sen uit het geslacht van Izaäk met duizenden de wereld ingetrokken en zijn de landen rond de Middellandse Zee gaan bewonen en de bevolking daar gaan koloniseren. Dit alles in opdracht van hun God.

Zo zijn zij ook later West Europa ingetrokken en hebben dit in bezit genomen tot op de huidige dag. Dit is belangrijk, omdat die perso­nen die de Israël  Waarheid tegenstaan, zich te gemakkelijk beroe­pen op de Schrift, waarin zij dan het tegendeel willen bewijzen, door te zeggen dat in 721 v.Chr, zij na de scheuring van Israël, uit de balling­schap van Assyrië, naar West Europa zijn getrokken, maar wij kunnen bewijzen dat al twee duizend jaar daarvoor, Europa was bevolkt door zuiver blanken van Arische afkomst.

Die Israëlieten in Palestina, is de basisgroep waarmee God verder handelt op een wonderlijke manier, want deze twee groepen zullen elkaar in West Europa ontmoeten en zo hun opdracht uitvoeren.

 


Boekenlijst

Nederlands Israël Boekenfonds

Postbus 30009,     1303 AA  Almere

Postrekening   1302680   of   1212779

Telefoon: 036-5296956 of 06-55818234

C-02

Abrahams. “Betekenis van de Israël-waarheid”

    0,80

C-08

Van der Laan, “Israel en de Grieken”

    0,95

C-09

Collins, “Het leven van Jezus Christus”

    2,45

C-12

Binnendijk, “De Vergeestelijking van Israël ”

    0,80

C-13

Smit, “Zijn de Joden geheel Israël?”

    0,40

C-15

Van Dijk, “Gods Koninkrijk Israël”

    0,85

C-16

Smit, “Aan de Lezers van Troost Troost Mijn Volk”

    0,90

C-17

Van der Laan, “Wie heeft recht op Palestina?”

    1,25

C-18

Smit, “Dienaren van het Nieuwe Verbond”

    0,70

C-19

Van Zetten, “Het Israël Gods”

    0,70

C-20

Hill Elder, “Jozef van Arimathea”

    2,25

C-21

Van Ekeren, “De Verbonden met Israël”

    1,70

C-22

Milo, “Stonden Zijn voeten op Engelse bodem?”

    1,50

C-23

Van der Laan, “Ons volk een deel van Israël?”

    1,75

C-24

Smit, “Kunnen Nederlanders Israëlieten zijn?”

    0,40

C-27

Spruijt, “Nederland-Zebulon en iets over Urk”

    1,45

C-28

Smit, “Benjamin, Zoon van de Rechterhand”

    0,80

C-29

Houghton,  “Wat God aan Israël beloofde”

    0,35

C-31

Van der Heide, “Israëlitische herkomst Nederlanders”

    0,50

NGJG

Ingebonden jaargang van “Een Nieuw Geluid”

  13,75

E-05

Van der Vecht, “ Israël-visie in vraag en antwoord”

    2,25

E-06

Alberts, “Concordantie over de Israël-visie”

    2,25

E-07

Van Woelderen, “Wondere Parallel”

    5,50

E07+

Idem + DVD van de film

  10,00

E-10

Den Admirant, “Israël & Juda, eenheid en verscheidenheid 1”

  17,90

E-11

Idem, deel 2

  17,90

H-18

Yair Davidy, “Role to Rule, the Task of Joseph” (Engels)

  14,90

H-20

Yair David, “Origin” (Engels)

  11,50

H-21

Yair Davidy, “Ephraim”  (Engels)

  12,50

H-22

Yair Davidy, “Lost Israelite Identity”  (Engels)

  17,90

H-23

Yair Davidy,  ‘Joseph”  (Engels)

  12,50

M226

Smit, “Twee Naties zullen zich scheiden”

    4,75

JA-01

Den Admirant, “Op Weg naar de Troon”

  14,90

JA-02

Den Admirant, “Samen bidden voor héél Israël”

    6,40

JA-03

Den Admirant, “Door de bril van Israëls Profeten”

    2,25

Bij bestelling is opgave van het nummer in de eerste kolom voldoende. De prijzen zijn zonder verzendkosten. Die komen apart op de factuur. We hebben de ingebonden jaargangen van Een Nieuw Geluid ook klaar van vorig jaar.

 

 

Van Bestuur en Redactie,

 

Hartelijk dank aan allen die gereageerd hebben op het verzoek een bijdrage in de kosten van ons blad te geven. Daartoe hebben we in het eerste nummer van deze jaargang een acceptgiroformulier ingesloten.

We houden bij wie er betaalt en zullen later dit jaar opnieuw een formulier bijsluiten bij degenen die dan nog niet gereageerd hebben.

Het meeste werk aan ons blad doen we zelf. Daar gaat veel tijd in zitten. Artikelen die we via  het internet aangeboden krijgen kunnen we vlot plaatsen. Die controleren we op fouten, maar hoeven we niet helemaal uit te typen. Dat moet wel met artikelen die we van bestaande tijdschriften en boeken halen. Sommige moeten we vertalen, van andere de taal aanpassen aan een moderne stijl.

Dan volgt de opmaak van het blad en het uitprinten van een proefdruk om er nog fouten uit te halen. Dat doen we soms twee of drie maal en dan gaan we drukken. We werken met een dure printer die blad voor blad afrukt. Daarna gaan we (machinaal) nieten en vouwen. De randen snijden we af en dan kan het blad in een envelop.  We kijken naar de adressen en printen de etiketten die daarna op de enveloppen worden geplakt.  De bladen gaan in bundels van 20 exemplaren in een  of twee postzakken en die brengen we dan met de nodige gegevens naar het zakenpostkantoor, dat voor de verzending zorgt.



[1]

Wat zij ook waren zoals ook Cham en zijn nageslacht want hun vader was immers Noach en hun grootvader was Henoch en verder terug weer Pa-Hanok mensen. 


 

     
     
  Site Map