BEVEILIGD TEGEN ELK WAPEN

“Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten des HEREN en hun recht van Mijnentwegen, luidt het woord des HEREN  (Jesaja 54:17).

We moeten het hele hoofdstuk goed lezen om te weten wie in dit vers met u en gij worden bedoeld. Het is te oppervlakkig om het vers zonder meer persoonlijk toe te passen. Het hoofdstuk begint met de ‘eenzame’ en de ‘gehuwde’. Dat heeft duidelijk betrekking op het Huis Israël dat met de scheidbrief is weggezonden en het Huis Juda dat gehuwd is gebleven. Jesaja ziet dan in de toekomst en maakt dan geen onderscheid meer. Op dezelfde wijze leidt Jeremia het Nieuwe Verbond in (hoofdstuk 31:31), waar hij eerst spreekt van beide huizen en dan verder alleen het Huis Israël noemt. De meeste christenen denken dan aan de Joden als de enig overgeblevenen van Israël, maar de Joden voldoen niet aan de Bijbelse gegevens over Israël, zoals de menigte van volken die uit Israël zou voortkomen.

De Assyrische ballingschap betrof bijna het gehele volk Israël, ook het grootste deel van het Huis Juda en zij voegden zich bij de talloze Israëlieten die reeds veel eerder waren weggetrokken uit het beloofde land. De blanke volken van Noordwest Europa zijn de nakomelingen van Israël en dus ook de volken die uit hun emigranten zijn ontstaan in Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika etc. Zij hebben onderling gevochten en zijn ook door andere volken aangevallen, maar ze zijn altijd uit de strijd te voorschijn gekomen en hebben zich hersteld. Zij zijn ook tot een zegen geweest voor andere volken door hun ontwikkeling op elk gebied en door de verkondiging van het evangelie.

De aanval van onze tijd is een aanval van binnenuit: Afval van het geloof en het verlaten van Gods Wetten. Het gevolg voor Israël in het Oude Testament was dat andere volken gingen overheersen en plunderen. Het is nu niet anders. Steeds meer vreemden van andere volken vestigen zich in ons midden en worden zelfs hartelijk welkom geheten en profiteren van de zorg die we voor onze eigen mensen hadden opgebouwd. Daardoor verarmen wij, maar ook deze aanval, die wij ‘tolereren’ zal uiteindelijk geen succes hebben. “Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de HERE (Jesaja 54:7-8). Als we de geschiedenis van Israël nagaan is het heel merkwaardig dat JHWH, de God van Israël, zich altijd weer als de trouwe God laat zien, die weliswaar zijn volk de gevolgen van de afval laat voelen, maar ook altijd weer herstelt en zegent, wanneer het volk zich bekeert en naar Hem vraagt.

Velen maken zich druk om de toekomst. Het eind van 2012 kan een gewel­dige ramp betekenen. Allerlei voorspellingen uit de oude culturen wijzen daarop en beïnvloeden ook christenen. We kunnen ons beter aan de Bijbel houden. In de profetieën van Jesaja vertelt de profeet ook over verschrikkelijke rampen die de aarde zullen treffen: “Zie, de HERE ontledigt en verwoest de aarde, keert haar onderst­boven en verstrooit haar inwoners.” (Jesaja 24:1). “De aarde barst geheel open, de aarde schudt hevig, de aarde wankelt vervaarlijk; de aarde wag­gelt zeer als een beschonkene en zwaait heen en weer als een nachthut; want haar overtreding drukt zwaar op haar; zij valt en staat niet weer op.” (24:19-20).

Midden in dit hoofdstuk ziet Jesaja iets anders: “Daarginds verheft men zijn stem en jubelt; over de majesteit des HEREN juicht men van de zee af. Eert daarom de HERE in de streken des lichts; in de kustlanden der zee de naam van de HERE, de God van Israël. Van de zoom der aarde horen wij psalmen: heerlijkheid voor de rechtvaardige”. (24:14-16). Als we de vet-gedrukte uitdrukkingen onderzoeken komen we in het gebied van Zebulon terecht en in onze streken. Mensen maken zich bang of worden bang gemaakt. Onze God verzorgde zijn volk van het nodige veertig jaar in de woestijn. Hij is niet veranderd. Jezus liet dat zien door duizenden mensen voedsel te geven. Hij is niet veranderd!

Vertrouwen we op Hem? Volgen we Hem? Leven we volgens Zijn wetten? Dat is nog steeds een rijk leven. Kijk naar alle rampen op aarde. Let op de mensen die alles in een ramp verliezen en weinig of geen voedsel hebben. Let op de miljoenen kinderen die van alles tekort komen en kijk dan om u heen in Nederland. We zijn rijk en leven in overvloed, ondanks de grote werkloosheid en de afnemende zorg.

Afval van het geloof en ongehoorzaamheid aan Gods voorschriften zijn het grote gevaar voor ons land. Ezechiël 37:1-14 beschrijft die toestand als een dal vol dorre beenderen. Daarin komt nieuw leven en Gods Geest als de profeet gaat profeteren. In ons land en in de meeste Israël-volken is de afval ook zo groot, dat het volk niet meer christelijk genoemd kan worden. De morele toestand is slecht en naar Gods wetten wordt niet meer geluisterd

Kerken fuseren, gebouwen worden afgebroken of voor andere doelen gebruikt. Het lijkt een dode zaak.

Misschien is de toestand nog niet ‘dor’ genoeg.

Bidden is niet genoeg, er moet geprofeteerd worden. De profeet zal opstaan en Gods Woord over zijn volk spreken en het nieuwe leven komt. Dat heeft JHWH beloofd en dat gaat Hij doen. Daar zien we naar uit en werken we aan mee. We verlangen er naar en hopen het te zien gebeuren. U ook?

G. van der Laan

Profetie

'Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten'. Amos3:7. 'En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt'. Joh.14:29. Gods woord zal waar worden, Hij toch is de auteur van de geschiedenis, welke Hij door uiterst betrouwbare mensen heeft laten opschrijven. In feite is er niets waarmede de profetie valt te vergelijken, want alleen God verkondigt van de beginne de afloop, en vanouds wat nog niet is geschied. Soms echter openbaart God enkele onderdelen van die kennis aan zijn knechten de profeten. Profetie zoals wij die kennen is een unieke zaak in de geschiedenis van de godsdiensten. Een profeet was geen waarzegger of voorspeller, maar een 'nabi', een ziener. God liet hem of haar een blik werpen in de nabije of verre toekomst.

Petrus heeft het begrepen en geloofd. 'En wij achten het profetisch woord daarom des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken'. 2 Petr. 1:19-21. (Zie ook 2 Tim.3:16, Hebr.1:1,2 en Hand.2:14-40). Ja, een lamp die schijnt in een duistere plaats. En door studie van de profetische boodschappen tot de ontdekking komen hoe zorgvuldig God Zijn plannen uitvoert. 'Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. Want hij heeft van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb'.  2 Petr.1:16,17.

Profetie is goddelijk woord over toekomstige geschiedenis, geschiedenis is vervulde profetie. Wanneer het geprofeteerde werkelijkheid wordt is dat een aanwijzing van de waarheid van de profetie.

Door profetie wordt de sluier over toekomstige gebeurtenissen weg­genomen. De profeten spraken allen in Gods naam. 'Toen kwam het woord des HEREN tot Samuël...'  1 Sam. 15:10, '...Kwam het woord des HEREN tot Nathan...' 2 Sam.7:4 '...en de HERE zeide tot mij...' Jer. 1:9,  'Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van zijn engel aan zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven'. Openb.1:1. Velen kregen de opdracht, dat wat zij hadden gehoord of gezien op te schrijven.

Wij mogen constateren, dat veel profetieën zijn vervuld. Hiervan is wel de allerbelangrijkste de eerste komst van onze Here Jezus Christus. Dat betekent dat gebeurtenissen, welke nog niet hebben plaats gevonden of situaties, welke zich nog niet hebben voorgedaan nog op vervulling wachten. En vooral die welke betrekking hebben op de wederkomst van onze Heer, 'Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vrede­vorst. Jes.9:5. En deze wederkomst is ten nauwste verbonden met de ondergang van Babel (het economisch systeem),  'het Romeinse Rijk' en dat van een 'Verenigd Europa' (Verenigde Naties). Aan de onvervulde profetieën wordt – in het algemeen gesproken – weinig of geen aandacht geschonken.

Veel voorgangers e.a. houden hun gemeenten voor dat profetieën – welke een groot deel van de Bijbel inhouden – de gemeenten niet tot voordeel kunnen zijn, tot op het moment van de vervulling. Dat is een ernstige misvatting. Dan is het zeer wel mogelijk, dat de vervulling van een voorzegde gebeurtenis aan de aandacht ontsnapt. Bovendien wordt vergeten dat profetie vaak een aaneenschakeling  is van gebeurtenissen, welke nog moeten plaats vinden en de eeuwen door een machtig instrument in de hand van God zijn geweest om Zijn volk te bemoedigen en te waarschuwen, vooral te midden van de donkerste uren. De profeten predikten overigens niet alleen maar heil, maar even zo vaak oordeel. Daar hadden zij zeker wel moeite mee. Denk maar aan Daniël aan het hof van Nebukadnezar. 'Toen  stond Daniël (...) voor een ogenblik verbijsterd en zijn gedachten veront­rustten hem.' Dan.4:19.  En de profeet Jona, die zich zelfs aan de goddelijke opdracht trachtte te onttrekken.

Het is dezelfde verwaarlozing van de profetie, welke wij vandaag zien onder christelijke leiders en kerkleden, die zich volkomen onbewust zijn van de betekenis van de 'tijden en gelegenheden' 1 Thess.5:1  waarin wij nu leven en van de nadering van de terugkeer van onze Heer en Heiland. Velen hebben de grootste moeite met het historisch karakter van de Bijbel.

En toch ... Het eerste mensenpaar vond troost door te vertrouwen op het zekere woord van de profetie na hun verdrijving uit het aardse Eden. Geloof in de profetie redde Noach en zijn gezin, terwijl de ongelovige wereld omkwam. (Gen.6:13-22). 'Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat geloof heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoord' Hebr.11:7. En van Abraham wordt gezegd: 'Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou'. Hebr.11:8.

Niet gezien en toch geloofd. Het was de profetie welke de eerste christenen ertoe leidde, samen in gebed, tien dagen te wachten tot de Heilige Geest over hen kwam. (Hand.1:4,5).

De verwachtingen, welke de aartsvaders, profeten en apostelen hadden over de heerlijkheid van de laatste dagen waren gebaseerd op profetie. Tijdens het beleg van Jeruzalem door de Romeinen in AD70 was er een gevechtspauze, waarin veel christenen (vooral Benjaminieten) de gelegenheid te baat namen om te vluchten. Zij herinnerden zich de woorden van hun Heer (Luc.21:20-22) en zeker ook die van de profeet Jeremia (Jer.6:1). De tijdsaanduidingen in de Bijbel zijn uiterst nauwkeurig. Bijvoorbeeld: Gabriël informeerde Daniël over de duur van de ballingschap (9:2) en over de komst van Jezus Christus. (9:24 ev.).

Later werden de hervormers bemoedigd toen zij in een gewelddadig conflict kwamen met het heidense en roomse Rome. En hoe vreemd het ook moge schijnen, het is de profetie die de gemeente moed gegeven heeft en nog steeds geeft om voort te gaan met hun pogingen het evangelie uit te dragen tot aan de einden der aarde. Een profetie letterlijk begrepen, maar tezelfdertijd belijdt die gemeente niet in letterlijke vervulling te geloven, omdat zij te onduidelijk is om te begrijpen of om maar enig praktisch effect te hebben op het geloof of levens­­houding. Het wordt de hoogste tijd om de bijbelse profetieën nu eens wat serieuzer te nemen dan tot nu toe. Zeker de aanwijzingen, welke Jezus zelf geeft over de 'laatste dingen', welke wij vinden in Matth.24, Marc.13 en Luc.21 en niet in de laatste plaats de gebeurtenissen welke rond Jeruzalem plaats zullen vinden zoals beschreven in Zach.14:1-7. Daarvoor moeten wij ons spiegelen aan de gedachte dat alle profetie een vaste plaats in de geschiedenis heeft; als het ware daarin is verankerd. En hierin wordt tevens aan de – tot nu verwaarloosde –chronologie een belangrijke plaats ingeruimd. Ja, geschiedenis, het Oude Testament. Paulus spreekt hierover in Antiochië. (Hand.13:6-41). En zijn slotwoord in vers 41: 'Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat gij voorzeker niet zult geloven, als iemand het u verhaalt'. Hij citeert hier Habakuk 1:5. Hij prijst niet voor niets de christenen in Berea, omdat deze zich gunstig onderscheidden van die te Thessalonica  'daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften  (dat is het Oude Testament) nagingen of al deze dingen zo waren'. (Hand.17:10,11). Een voorbeeld voor ons.

Onze generatie leeft in werkelijk bijzondere tijden, waarin alles aangeeft dat de huidige eeuw (aion) zijn einde nadert. Toch is in het goddelijk plan de openbaring van deze tekenen niet voor iedereen van onze generatie begrijpelijk, zoals tegen Daniël was gezegd dat alleen de wijzen het zouden begrijpen '...maar de verstandigen zullen het verstaan...' Dan.12:10. Dat betekent, dat alleen diegenen die verwachten en waakzaam zijn  het zullen inzien. Het is goed te weten, dat God de dingen, die Hij voor ons verborgen wil houden, heel dicht naast ons neerzet. Ziende blind en horende doof. Dat betekent voor de wijzen zal de openbaring duidelijk zijn, voor de ongelovigen/goddelozen en ook voor velen die zich christen noemen is er donkerheid. Zij die geloven slaan acht op het profetisch woord en wachten met volharding op de vervulling.

Intussen hebben wij ook te maken met valse en dwaze profeten, van wie er in de Bijbel enkele met name worden genoemd. Noadja (Neh.6:14), Hananja (Jer.28), Semaja (Jer.29:24-32). Hoe het de laatste twee genoemden is vergaan kunt u lezen in de opgegeven Bijbelgedeelten. Maar er waren echter nog veel meer van deze figuren. Zij waren geliefd bij het volk omdat zij het naar de mond praatten. Hun woorden werden eerder geloofd dan de waarheid. En zij verleidden velen. (Jer.9:5). Van deze valse profeten waren er kennelijk zoveel, dat God het gevaar van de boodschap van deze mensen zo belangrijk achtte, dat Hij zijn volk liet waarschuwen bij monde van de profeet Ezechiël. Ik citeer enkele verzen uit hoofdstuk 13. 'Zo zegt de Here HERE: Wee de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen, zonder iets geschouwd te hebben. Bedrieglijke dingen en leugenachtige waarzeggerij hebben zij geschouwd, die zeggen: zo luidt het woord des HEREN, terwijl  de HERE hen niet gezonden heeft; en dan wachten zij nog op de vervulling van het woord! Mijn hand zal zijn tegen de profeten die bedrieglijke dingen schouwen en leugen waarzeggen; tot de kring van mijn volk zullen zij niet behoren, in het boek van het huis Israëls niet ingeschreven worden, in het land Israëls niet komen, en gij zult weten, dat ik de Here HERE ben'. Ez.13:3,6 en 9.

En ook de profetessen spreekt hij aan: 'Daarom, zo zegt de Here HERE, omdat gij bedrieglijke dingen gesproken en leugen geschouwd hebt, daarom zie, Ik zal u! luidt het woord van de Here HERE. Ik zal uw sluiers verscheuren en mijn volk uit uw hand redden, het zal niet langer tot een prooi in uw handen zijn. En gij zult weten dat ik de HERE ben. Daarom zult gij niet langer bedrieglijke dingen schouwen en waarzeggerij plegen; Ik zal mijn volk uit uw hand redden. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben'. Ez.13:21en 23. Zie in dit verband ook Jer.23:11, 16, 21, 22; 2 Petr.2:1; Joh.4:1-6 en Judas:4-16).

En de valse profeten zijn nog onder ons: 'De Verenigde Naties zijn nodig voor vrede', 'de Verenigde Naties zijn de hoop voor deze wereld'. Helaas, de Verenigde Naties zijn niet meer dan een moderne toren van Babel, welke eens zal vallen. 'En hij riep met sterke stem, zeggende; Gevallen, gevallen is de grote (stad) Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid'. Openb.18:2,3, (14:8). Wij zien het in onze wereld gebeuren. Nog steeds wordt er gezegd: 'Vrede, vrede terwijl er geen vrede is' . Jer.6:14, (Ezech.13:10).

Ook wil ik nog wijzen op de verkeerd begrepen en/of verkeerd verklaarde profetieën. Kort voor het jaar AD 70 dachten de Joden, dat de Messias zou komen om hen te verlossen van de Romeinse overheersers. Maar Jeruzalem werd verwoest en velen kwamen om of werden verbannen. En in 1948 waren aller ogen gericht op de proclamatie van de staat Israël als een vervulling van goddelijke profetie. De 6-daagse oorlog in 1967 resulteerde in een grote overwinning welke eveneens werd gezien als een vervulling van profetie en een bevestiging van Gods beloften. Met het gevolg dat bijna de gehele christenheid en een menigte anderen zich haastten om die zogenaamde kleine natie te helpen. Weer een vervulling van profetie? De werkelijke vervulling kunnen wij vinden in Ezech.37:26-28. En dat is nog toekomst.

Toch moet nog wel worden vermeld, dat er veel Joden zich bewust zijn te behoren tot een klein deel van Juda en geloven dat de hereniging met de 'verloren tien stammen' nog moet volgen en dat zij pas onder leiding van de Messias naar het heilige land mogen terugkeren. En  zij roepen het uit: 'Zoek dat volk'. Maar niemand luistert.

Dan is er nog de zgn. vergeestelijking.  Onbekendheid met de Bijbel is het drama van deze tijd. En als gevolg daarvan heeft de vergeestelijking op een verschrikkelijke manier toegeslagen. Dat is een ernstig verlies voor onze cultuur. En het geschiedde... Vergeestelijking! Het volk is blind (Jes.43:8) en de leiders zijn blind: 'De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn als stomme honden, die niet kunnen blaffen, dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief' Jes.56:10. Die vergeestelijking is niet plotseling verschenen. Augustinus wist er meer van, de Jezuïeten wisten en weten er meer van. Omstreeks de 16de eeuw publiceerde de Spaanse Jezuïet Francis de Ribera een commentaar om de gedachte af te leiden van de profetieën over Babel en de antichrist als zouden deze begrippen op de kerk van Rome betrekking hebben, zoals de Reformatoren dit zagen. Hij deed dit door de profetieën  datumloos te maken. Hiermede introduceerde hij de zgn. Futuristische School: Een verklaring van de profetieën kan alleen gegeven worden door deze te vergeestelijken en mocht er nog een tijdsbepaling mogelijk zijn, dan wordt deze naar de verre toekomst opgeschoven. Dit systeem van verklaren is door de Reformatie heengegaan en in de 19de eeuw geïntroduceerd  in de protestantse kerken. Deze interpretatie van de profetie is door veel christenen geaccepteerd. En hiermede zijn zij de richting kwijt en bang de profetie te gebruiken om hun geloof in Gods woord te bevestigen. Een bijkomend gevolg is, dat men van het wereldgebeuren weinig of niets meer begrijpt. Onze reactie hierop? Met de Bijbel open en met de hulp van de God van Israël kunnen wij inzicht krijgen in het geweldige werk waarmee God  op deze aarde bezig is. Maar wel blijven bidden en studeren.

De woorden, die onze Heer richtte tot Zijn generatie zijn met gelijke kracht op onze generatie van toepassing. 'Want de HERE heeft een geest van diepe slaap over u uitgestort, en Hij heeft uw ogen, de profeten, toegesloten, en uw hoofden, de zieners omhuld. Zo werd het gezicht van dit alles voor u als de woorden van een verzegeld boek, dat men aan iemand geeft, die lezen kan, terwijl men zegt: Lees dit eens; maar hij antwoordt: Ik kan niet, want het  is verzegeld. Of het boek wordt gegeven aan iemand die niet lezen kan, terwijl men zegt: Lees dit eens; maar hij antwoordt: Ik kan niet lezen'. Jes.29:10-12. Het volk Israël heeft niets geleerd van voorgaande generaties. De echte leiders werden verworpen, wat het volk tot zonde werd gerekend. (Ex.32:32, Lev.6:17). En wij? De moderne Israël-naties is geen bescherming gegarandeerd als zij zich niet afscheiden van andere naties. (Jes.26:20,21).

'Geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid; maar wast op in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid'. 2 Petr.3:17,18.

'Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwigheid, èn nu èn in alle eeuwigheid! Amen' Judas :24,25.

J.Alberts

 

 

WIE IS UW GOD?

door

Bertrand L. Comparet

 

De Bijbel is het verslag van de eeuwenlange oorlog tussen onze God, Jahweh en de rebel Satan, die is voortgezet tussen hun kinderen. Bent u verbaasd dat Jahweh en Satan beiden kinderen hebben? Dit is niet spreekwoordelijk uitgedrukt, beiden hebben letterlijke kinderen die in de wereld van vandaag leven en respectievelijk de leiders zijn van menselijke strijdkrachten aan de kant van het goede en die aan de kant van het kwade. Het thema van de hele Bijbel wordt verklaard in Genesis 3:15, waar Jahweh tegen Satan zegt: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”. Hetzelfde Hebreeuwse woord ‘zeh-ra’, wat zaad of kinderen betekent, wordt in beide gevallen gebruikt. Satan zou net zulke letterlijke kinderen hebben als Eva. Jahweh zei dat Hij vijandschap zou zetten tussen Satans kinderen en Eva’s kinderen. Dat is zo geweest door alle eeuwen heen tot vandaag toe.

Lucas 3:38 vertelt ons dat Adam de zoon van Jahweh is, dus de kinderen van Eva die ze bij Adam kreeg, zijn daarom de kinderen, of nakomelingen van Jahweh. Kan iemand zo volkomen blind zijn niet te zien dat deze oorlog nog steeds voortduurt tussen de kinderen van Satan en de kinderen van Jahweh?

 

Satan was eens een engel van zeer hoge rang en met groot gezag. Klaarblijkelijk was hij toen de bestuurder van de planeet Aarde, mogelijk ook nog veel meer. Toen rebelleerde hij tegen Jahweh en werd de hemel uitgegooid en zijn gebied werd beperkt tot deze aarde. Wij lezen hierover in Jesaja 14:12-15: “Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden: ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen. Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve”. Openbaring 12:7-9 zegt: “En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand­houden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem”. In Lucas 10:18 zegt Yashua: ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen”.

Iets van Satans macht schijnt hem echter gelaten te zijn voor een bepaalde tijd. Yashua spreekt drie keer over Satan als de prins van deze wereldorde in Johannes 12:31, 14:30, 16:11.

De apostel Paulus spreekt ook over Satan als de god van deze eeuw (aeon) die de geest verbindt van mensen die niet geloven. Nog steeds rebellen, ofschoon aan de aarde gebonden, willen Satan en zijn engelen dat de mensen hen als goden vereren. Veel van de heidense goden van Azië en Afrika kunnen gemakkelijk worden nagetrokken en geïdenti­ficeerd als duivels, Satan en zijn volgelingen. De Bijbel verwijst ook naar dit feit in Leviticus 17:7  “En zij zullen hun offers niet meer brengen aan de veldgeesten, die zij overspelig nalopen”. Deuteronomium 32:17 zegt: “...zij offerden aan boze geesten...aan goden die zij niet hebben gekend”. Opnieuw in II Kronieken 11:15, Want hij (Jerobeam) stelde zich priesters aan voor de hoogten, voor de veldgeesten, en voor de kalveren die hij gemaakt had”. In het Nieuwe Testament waarschuwt Paulus hiertegen in I Korintiërs 10:20, “...dat hun (heidenen) offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan Jahweh en ik wil niet dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten”.

Aan ons geloof werd de vaste vorm gegeven, die wij nu in de Bijbel hebben, in de tijd toen de kinderen van Israël na de exodus op weg waren naar hun nieuwe thuis in het Beloofde Land. Zij gingen naar een land waar ze zouden zijn omringd door duivelaan­biddende heidenen. Het grote gevaar bestond dat zij geleidelijk aan de gewoonten van de volken om hen heen zouden overnemen en zich laten overhalen tot afgodendienst. Om dit te vermijden gaf Jahweh de kinderen van Israël bij herhaling ernstige waarschuwingen tegen zulke samensmelting met heidenen en verbood hen zelfs de namen van heidense goden te noemen. In Exodus 23:13 lezen wij: “Ten aanzien van alles, wat Ik u bevolen heb, zult gij op uw hoede zijn; de naam van andere goden zult gij niet noemen, hij zal uit uw mond niet gehoord worden”. In Jozua 23:6,7 werd tegen Israël gezegd: “Weest zeer standvastig in het onderhouden en volbrengen van alles wat geschreven staat in het wetboek van Mozes, opdat gij daarvan niet afwijkt naar rechts of links, en u niet inlaat met deze volken, die nog bij u overgebleven zijn, de naam van hun goden niet belijdt of daarbij zweert, noch hen dient of u voor hen nederbuigt”.

In Psalm 16:3-4 worden koning Davids woorden zo mooi uitgedrukt in Smith and Goodspeed’s vertaling van de Bijbel: “Wat betreft de goden die in het land zijn en de verhevenen, ik heb geen welbehagen in hen. Hun beelden zijn vele, anderen vereren hen, maar ik wil hun plengoffer van bloed niet uitstorten, noch wil ik hun namen op mijn lippen nemen”. Wie dan ook, of het nu een mens is of een god, wordt geïdentificeerd door zijn naam. Het was noodzakelijk voor de Israëliet de heidense goden en hun namen te vergeten, zij mochten niet vereerd worden. Hieruit wordt ook duidelijk hoe belangrijk het is dat wij de juiste naam kennen van onze God. Het is belangrijk voor Satan geweest ons daarover in onwetend­heid te laten. Al 2500 jaar heeft Satan grotendeels succes gehad verwarring te stichten over de naam van onze God. Het zal u verbazen om te ervaren wie u al jaren in uw gebeden heeft aangesproken. U bedoelde het natuurlijk goed en in uw hart heeft u stilzwijgend aangenomen dat u bad tot de enige ware God. Maar met grote waar­schijnlijkheid heeft u iemand anders aangesproken, zoals we zullen zien.

In Exodus 3, zoals u zich zult herinneren, nadat Mozes uit Egypte was gevlucht, dat Jahweh hem later in de woestijn ontmoette, waar hij vanuit het brandende braambos tot Mozes sprak. Jahweh vertelde Mozes dat Hij de nood van het volk Israël in Egypte had gezien en hun klachten kende, daarom wilde Hij hen uit de hand van de Egyptenaren bevrijden en hen brengen naar een land waar ze zichzelf konden zijn. Toen zei Hij tegen Mozes: “Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden”. Mozes wist echter wat voor personage deze farao was en hij wist ook dat de kinderen van Israël bitter geworden waren en sceptisch vanwege hun lijdensweg en ze zouden Mozes niet geloven als hij hun vertelde dat hij was gekomen om hen te bevrijden. Zij wisten heel goed dat niemand van zichzelf macht genoeg had om met succes een groep ongewapende, niet getrainde en ongedisciplineerde slaven uit handen van farao’s leger te houden. Nee, dit kon alleen gedaan worden met de kracht van God, maar welke God? De Israëlieten leefden te midden van de Egyptenaren die vele goden vereerden en als het een van hen zou zijn, zou dan een Egyptische god hen helpen tegen Egyptenaren die de tempels bouwden en de priesters leverden? Hoe moest Mozes het volk op zo’n manier achter zich zien te krijgen, dat zij hem zouden geloven en hem volgen op de weg uit Egypte? Wij lezen dan in Exodus 3:13, “Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam - wat moet ik hun dan antwoorden?” Inderdaad, een heel belangrijke vraag!

Jahweh zei tegen Mozes hen te vertellen wie hem had gezonden. U kunt het echter niet in uw Bijbel vinden, omdat de oude documenten verbasterd zijn door de Joodse schrijvers, en vertalers van de Bijbel daarvan niet op de hoogte waren. Sommige van de moderne Engelse vertalingen echter gebruiken de juiste termen, bv. Smith and Goodspeed’s American Translation en Rotherham’s Emphasized Bible. Exodus 3:14-15 is merkwaardig en onbe­grijpelijk in de NBG: “Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden. Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De HERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht”. Deze vertaling verbergt feitelijk de naam van Jahweh. Hier volgt de correcte vertaling in Rotherham’s Translation: “En Mozes zei tot God: Zie! Zo zeker als ik ga naar de zonen van Israël en zeg tegen hen: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, zo zeker zullen zij tegen mij zeggen: Hoe is zijn naam?, wat zal ik dan tegen hen zeggen? En God zei tot Mozes: Ik zal zijn die Ik behaag te zijn en Hij zei, aldus zult gij tot de zonen van Israël zeggen: Jahweh, de God van uw vaderen, God van Abraham, God van Isaäc en God van Jakob heeft mij tot u gezonden. Dit is mijn naam voor eeuwig en altijd en zo wil Ik aangeroepen worden generatie na generatie”.

Hier wordt de naam van Jahweh bekendgemaakt. Merk op hoe een juiste vertaling alles opheldert. Het betekenisloze -Ik ben die Ik ben- wordt -Ik ben die Ik behaag te zijn-. Letterlijk: Ik zal zijn de Verlosser van mijn volk en de Redder van allen die aldus tot Mij komen. Ik zal zijn het Lam van God aan het kruis van Calvarië en de Koning der koningen als Ik terugkom.

De persoonlijke naam van God, Jahweh, hier voor de eerste keer onthuld, want in Exodus 6:1-2, correct vertaald door Rotherham, lezen wij: “En God sprak tot Mozes en zei tot hem: Ik ben Jahweh. Ik ben aan Abraham, Isaäk en Jakob verschenen als God, de Almachtige (El Elyon), maar met mijn naam Jahweh ben Ik hun niet bekend geweest”. Jahweh stond erop dat zijn volk zijn naam zou kennen, zou weten Wie het was die zij vereerden als hun God. Die naam echter is consequent uit de Bijbel geschrapt, zodat het volk die niet zou kennen. Laten we enkele van de passages lezen en de juiste naam op zijn plaats terugzetten, waar de schrijvers en vertalers de tekst hebben vervalst. Jesaja 52:5–6,“Thans echter, wat vind Ik hier? luidt het woord van Jahweh. Want om niet is het volk weggevoerd, zijn overheersers maken getier, luidt het woord van Jahweh, en voortdurend, de gehele dag, wordt mijn naam gelasterd. Daarom zal mijn volk te dien dage mijn naam kennen, dat Ik het ben, die spreek: zie, hier ben Ik”. Ezechiël 39:7, “Ik zal mijn heilige naam bekendmaken onder mijn volk Israël; Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten dat Ik ben Jahweh, de Heilige van Israël”.

In het originele Hebreeuws wordt de persoonlijke naam van Jahweh 5.410 keer in het Oude Testament gebruikt. Toch is die naam nergens in de Bijbel (NBG) te vinden, of het zou een enkele keer de verbasterde naam Jehova moeten zijn. Yahweh stond erop dat zijn volk zijn naam zou kennen om de goede reden dat zij zouden weten Wie te vereren. Lees bijvoorbeeld Leviticus 19 en 20 waar elk gebod wordt gegeven met de nadruk op de autoriteit van Degene die het geeft: “Ik ben Jahweh, uw God”. Er was ook een zelden gebruikte kortere vorm, Yah.

Bijvoorbeeld in Psalm 68:5 - “Zingt Gode, psalmzingt zijn naam, baant de weg voor Hem die door de vlakten rijdt; Yah is zijn naam, juicht dan voor zijn aangezicht”.

Omdat Jahweh zo dikwijls in het Oude Testament zijn volk voorhield dat zij zijn naam zouden kennen, hoe is het dan mogelijk geweest dat die naam zo succesvol werd verborgen? Voor het antwoord hierop moeten wij een stukje teruggaan. Genesis 3:15 beschrijft het thema van de hele Bijbel, want daar zegt Jahweh tegen Satan: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, tussen uw zaad en haar zaad”. Satans kinderen, dit is niet figuurlijk uitgedrukt, maar werkelijk levende mensen, hebben gevochten tegen Jahweh’s volk vanaf die dag tot nu toe.  Wij hebben gezien dat zij dikwijls hebben geprobeerd ons uit te roeien door geregisseerd geweld, maar ze zijn daar nooit in geslaagd, omdat Jahweh ons altijd te hulp is gekomen. Toen zag de listige Satan in dat zijn enige hoop op een complete overwinning moest komen op een andere manier. Ons geloof ondermijnen, totdat wij heidenen zouden worden of atheïsten, zodat wij het recht niet meer zouden hebben de hulp van Jahweh in te roepen. Daarom heeft Satan herhaaldelijk zijn toevlucht genomen tot infiltreren en corrumperen van onze christelijke instellingen.

Toen het koninkrijk werd gedeeld en Jerobeam het noordelijke onafhankelijke tienstammen­koninkrijk Israël oprichtte, verviel de nieuwe natie al snel in afgoderij. I Koningen 12:31 vertelt ons dat koning Jerobeam “tempels maakte op de hoogten en priesters aanstelde uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden”. Verloedering van de religie in walgelijke afgodendienst volgde spoedig door het voorbeeld van de door de mens aangestelde priesterkaste. Dit brengt in herinnering hoe de kwaadaardige koningin Izebel vierhonderdvijftig priesters van Baäl ten tonele voerde, die het land in de afschuwelijkste afgoderij stortten, totdat de moedige profeet Elia hen doodde, zoals we kunnen lezen in  I Koningen 18. Deze episode eindigde met de ballingschap van het koninkrijk naar Assyrië.

In het zuidelijke koninkrijk Juda ging het al niet anders. II Koningen 21 vertelt hoe deze boosaardigheid van de zonen van Satan leidde tot zulk een climax onder koning Manasse in Jeruzalem, dat Jahweh uiteindelijk besliste het koninkrijk in ballingschap naar Babylon te sturen. Jeremia 7:17-18 noteert Jahweh’s veront­waardigde uitroep: “Ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? De kinderen rapen hout, de vaders steken vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin des hemels en zij brengen plengoffers aan andere goden teneinde Mij te krenken”. Dat dit te wijten was aan de infiltratie van de kinderen van Satan is duidelijk, want Jesaja 3:9 zegt: “Het wezen van hun gelaat (Friese vert. en KJV) getuigt tegen hen en hun zonde verkondigen zij onverholen evenals Sodom en verbergen het niet”. Al de oude monumenten die Israëlieten uitbeelden laten een volk zien met rechte neuzen. Als deze kwalijke leiders Israëlieten waren, dan zou er niets zijn in hun gezicht dat hen als boosaardig zou identificeren. Zij werden geïdentificeerd door hun grote haakvormige neuzen als Kanaänieten, die later Joden werden  genoemd. “Het wezen van hun gelaat getuigt tegen hen” zoals Jesaja al heeft gezegd. Deze Kanaänieten waren geïnfiltreerd in het priesterdom en verbasterden de religie van de Israëlieten, waardoor ze de vreselijke Babylonische gevangenschap veroor­zaakten. Beiden Ezra (2:61-63) en Nehemia (7:61-65) laten zien dat de infiltratie van het priesterschap door deze vreemdelingen gewoon doorging na de terugkeer uit Babylon. Dus zegt Jeremia 5:26: “Want er worden onder mijn volk goddelozen gevonden; men loert, zoals vogelvangers bukken; zij zetten een strik - mensen vangen zij!” Nu bereiken wij het hart van de aloude samen­zwering die de naam van Jahweh uit de Bijbel nam en vijfentwintig eeuwen lang verborg voor zijn volk.

Ongeveer een generatie voor de aanvang van de Babylonische ballingschap, begonnen deze geïnfiltreerde en corrupte priesters de nieuwe traditie dat de naam van Jahweh te heilig was om uitgesproken te worden. Dit idee was onbekend voor ongeveer 650 BC. De naam werd gebruikt in de gewone taal, evenwel met eerbied. Archeologen hebben veel oude brieven  ontdekt in de ruïnes van steden als Lachisch, die gewoonlijk begonnen met de formele aanhef: “Moge Jahweh de reden zijn voor mijn heer goede berichten te horen”. Maar in die tijd begonnen de priesters, wier gelaat tegen hen getuigde, met de traditie dat de naam van Jahweh nooit meer mocht worden genoemd. In feite voerden ze het zover dat de Talmud eiste dat niemand behalve de hogepriester de naam eens per jaar mocht uitspreken en dan alleen op een fluistertoon. Maar de geschriften van het Oude Testament bevatten de naam meer dan 5.410 keer, wat konden ze daaraan doen? Als zij vervalsingen zouden maken van de nieuw geschreven manuscripten, zouden er altijd oude manuscripten genoeg bestaan om te bewijzen dat de nieuwe veranderd waren. Dus bevalen zij  de mensen dat waar zij het woord Jahweh in de Schriften vonden, zij het niet als zodanig mochten uitspreken. Welke naam moest ervoor in de plaats komen en waarom? Satan had er al voor gezorgd dat de heidenen van het Midden Oosten hem met de naam Heer aanspraken. Gewoonlijk was dit het woord Baäl, wat meester of heer betekent. U weet hoe dikwijls u verwijzingen in de Bijbel kunt vinden naar de heidense verering van Baäl. Als de priesters het volk hadden geleerd Baäl uit te spreken in plaats van Jahweh, zou het bedrog te doorzichtig zijn geweest. Dan zou het volk zich hebben gerealiseerd dat het verleid werd tot afgodendienst en duivelaanbidding en dat zouden zij nooit geaccepteerd hebben. Maar de Hebreeër heeft een ander woord voor meester of heer, dat is aw-done en daarvan afgeleid is ad-o-nay, wat mijn heer betekent.

De corrupte priesters konden het volk niet misleiden door hen te laten zeggen Baäl, waar zij Jahweh lazen, maar zij bereikten het beoogde resultaat toen zij het volk vertelden dat de naam van God zo heilig was, dat die nooit geuit mocht worden en in plaats daarvan mochten zij mijn heer zeggen, Adonay. Het volk had niet in de gaten dat dit een andere manier was om Baäl aan te roepen, dus werd deze gewoonte geadopteerd.

Eigenlijk werd de oude Hebreeuwse taal geschreven met een ander alfabet dan wat wij nu kennen, het oude Hebreeuwse alfabet wordt dikwijls Fenicisch genoemd. Na de terugkeer uit Babylon brachten zij een nieuwe schrijfvorm mee, dezelfde letters zoals die heden ten dage nog voor de Hebreeuwse taal worden gebruikt. Deze tweede vorm van het Hebreeuws wordt geschreven met uitsluitend medeklinkers, als een soort steno. Zij werden op de lijn geschreven en van rechts naar links. Uiteindelijk moest men ook klinkers ontwikkelen, omdat het gebruik van alleen medeklinkers soms moeilijkheden veroorzaakte wat de betekenis betreft. Er was geen ruimte om de klinkers tussen te voegen op de lijn, dus toen het gebruik van klinkers noodzakelijk bleek, werden zij onder de lijn bijgeschreven. Dit was een handige oplossing voor de nieuwe traditie om nooit meer Jahweh te zeggen, maar altijd Adonay ervoor in de plaats te stellen. De naam Jahweh werd geschreven met de letters YHWH. De Kanaänitisch Joodse priesters zorgden dat de klinkers van het woord Adonay onder de lijn werden geschreven overal waar Jahweh op de lijn stond, niet om een gewijzigde vorm van Jahweh op te voeren, maar als een herinnering aan de voorlezer van het manuscript Adonay te zeggen in plaats van Jahweh. Dit was gebruikelijk tot in de middeleeuwen. De vergissing de twee woorden te combineren in één samengesteld woord werd pas gemaakt in 1520 AD toen een onwetende monnik met de naam Galatinus de twee woorden aanzag voor één en alle manuscripten in het klooster waar hij woonde, kopieerde met dit ene woord: Jehovah.

Dit is niet en was nooit de naam van God. In de moderne Engelse vertalingen van het Oude Testament door Rotherham gebruikt hij de juiste naam Jahweh. In de Amerikaanse vertalingen van Smith en Goodspeed gebeurt dit op enkele plaatsen, maar in het voorwoord verklaren de vertalers dat zij weten dat de juiste naam Jahweh is. In hoofdstuk III van de introductie van Moffat’s vertaling is op te maken dat de auteur Jahweh als de juiste naam aanmerkte, maar dacht dat zijn werk meer in de smaak zou vallen als hij die niet gebruikte.

 

Adonay een synoniem voor Baäl. Toen eenmaal het volk eraan gewend was om te zeggen dat zij de Heer vereerden, duurde het niet lang voordat het werkelijkheid werd. Afgoderij met al zijn verdorvenheid werd algemeen toen het grootste deel van het volk de diensten in de tempel verwaarloosde. Maar ook de tempeldiensten vervielen in heidendom. De natie bevond zich op een hellend vlak op weg naar vernietiging, omdat zij de Heer Baäl vereerden, in plaats van de enige ware God, Jahweh.

Heeft u zich nooit het hoofd gebroken over de vele verzen in de Bijbel waarin Jahweh zegt dat Hij het volk niet toestaat zijn naam te misbruiken? Bijvoorbeeld in Jesaja 52:5 waar Hij zegt: “...voortdurend, de gehele dag, wordt mijn naam gelasterd”. In Ezechiël 39:7 zegt Hij: “Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen”. Waar had God het over? Het feit dat aan het volk werd geleerd te zeggen dat zij de Heer, Adonay, synoniem voor Baäl vereerden. Daarom zegt Jahweh in Jeremia 23:26-27 : “Tot hoelang? - is er iets in het hart van de profeten, die leugen profeteren en profeten zijn van de bedriegerij van hun hart, die erop bedacht zijn mijn volk mijn naam te doen vergeten door hun dromen, die zij elkander vertellen, evenals hun vaderen mijn naam hebben vergeten door de Baäl?” Toen het volk zei dat Adonay God was, was dit in feite hetzelfde als wanneer zij hadden gezegd dat Baäl God was. Zo werd de naam van Jahweh gelasterd door het volk.

In de vroege vertalingen werd deze verandering door de schrijvers overgenomen. In de Septuagint, de vertaling van het Oude Testament in het Grieks, gemaakt in Alexandrië - Egypte in het jaar 300 BC gaven de vertalers niet de originele naam YHWH weer, noch de naam voorzien van de klinkers, Adonay, daaronder geschreven, maar vervingen het gewoon  door Kurios, het Griekse woord voor Heer. Hiëronimus’ vertaling in het Latijn, in het algemeen Vulgaat genoemd, nam het Oude Testament over van de Septuagint en verving de naam van God door Dominus, wat eveneens Heer betekent.

Deze veranderingen, beide in het Oude en Nieuwe Testament, waren uiteraard niet goed te keuren. In feite stelde Jeremia het al zo heftig aan de kaak, dat ik denk dat de vertalers weloverwogen verwarring zaaiden. Jeremia 8:8 zegt: “Hoe durft gij zeggen: Wij zijn wijs en de wet van Jahweh is bij ons? Voorwaar, zie, bedrieglijk heeft de leugenpen der schrijvers die vervaardigd!” De juiste vertaling uit het Hebreeuws van Rotherham, Moffat, Smith en Goodspeed luidt: “Hoe kunt gij zeggen: Wij zijn wijs en de wet van Jahweh is bij ons? wanneer, zie, de leugenachtige pen van de schrijvers die hebben veranderd in een leugen”. Ook Jesaja 43:27 zegt terecht: “...uw woordvoerders hebben tegen Mij over­treden”. Als u nog steeds twijfelt over het verschil van uitdrukken, het verschil is dat Satan door de heidenen werd omschreven als de Heer, in het Hebreeuws gewoonlijk het woord Baäl. Denk er nu eens over na als u de woorden van Psalm 23 herhaald, wilt u dan werkelijk zeggen: ‘Baäl is mijn herder, mij ontbreekt niets’, of ‘Baäl is mijn licht en mijn heil’ uit Psalm 27? Dat is wat de leugenachtige pen van de schrijvers u laten doen. Ja, Jahweh is geduldig met u geweest, omdat Hij uw meest geheime gedachten kent en weet dat uw bedoelingen goed zijn. U was er niet van op de hoogte dat er met de Bijbel in uw boekenkast is geknoeid door de priesters van Satan. Jahweh weet dat u oprecht in Hem gelooft en Hem dienovereen­komstig vereert, zelfs als u de vergissing maakt het woord Heer te gebruiken, het equivalent van Baäl.

Wij naderen heel dicht het einde van het tijdperk waarin zulke vergissingen nog gemaakt kunnen worden en nog getolereerd worden ook. Alleen koppige verblinden weigeren de tekenen van de tijden te zien. Crises ontwikkelen zich niet alleen internationaal, maar ook binnen de naties; een situatie die duidelijk leidt tot zulke catastrofes dat onze Verlosser zegt: “En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort” Matteüs 24:22 - Marcus 13:20.

Wij hebben de tijd al bereikt dat wij alles in het werk moeten stellen om te leven volgens de wil van Jahweh. Er zijn Schriftgedeelten die met nadruk over dit onderwerp spreken tot onze eigen tijd. Neem bijvoorbeeld Hosea 2:15-16: “En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord van Jahweh, dat gij Mij noemen zult: (Ishi) mijn Man, en niet meer: mijn Baäl”. Vroeg of laat moeten wij het feit onder ogen zien, dat wij de naam of titel hebben gebruikt van een heidense god, die in werkelijkheid Satan is. Hier moet een reiniging op volgen, zodat wij Jahweh zullen aanroepen in zijn eigen waarachtige naam. Hier spreekt God over in Ezechiël 39:7 waar Hij zegt: “Ik zal mijn heilige naam bekendmaken onder mijn volk Israël. Ik zal mijn heilige naam niet meer (door hen-KJV) laten ontheiligen: en de volken zullen weten, dat Ik Jahweh ben, de Heilige in Israël”. In vroeger tijden wist het volk Israël zijn naam en gebruikte die in hun aanbidding en eredienst. Daarna volgde de wijziging door de schrijvers, die het gebruik van Gods naam onderdrukten en uiteindelijk zelfs de kennis ervan en die vervingen door Heer. Dit kan niet voor altijd zo doorgaan, want Jahweh zegt: “Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen”.

Denkt u niet dat het tijd wordt dat wij met deze hervorming beginnen? Micha 6:9 zegt: “Hoort! Jahweh roept tot de stad - en heilzaam is het uw naam te vrezen” (and the man of wisdom shall see Thy name-KJV). Als wij wijs willen zijn, wordt het tijd om te veranderen. Zelfs met goede bedoelingen bij het gebruik ervan, Heer is niet de juiste naam.

Het hele boek van de profeet Joël behandelt de verschrikkelijke gebeurtenissen die de eindtijd afsluiten. Het is de dag van Jahweh, als onze God komt om een eind te maken aan de boosaardigen en al hun gewoontes en instituties. Wij weten door de geschriften van de andere profeten wie hiermee te maken hebben. De volgende wereldoorlog is het begin van dit laatste conflict tussen goed en kwaad, tussen Jahweh en Satan. Wij weten ook hoe verschrikkelijk deze universele oorlog zal zijn en hoe wanhopig wij Jahweh’s hulp nodig zullen hebben om te overleven. Joël 2:32 vertelt ons: “En het zal geschieden, dat ieder die de naam van Jahweh aanroept, behouden zal worden”. Is het niet verstandig een start te maken met het aanleren van de nieuwe aanspreektitel en de juiste naam van God te kennen en te gebruiken, zodat het een gewoonte wordt? Jahweh heeft ons zijn naam gezegd en geen vertaling, in welke taal dan ook, kan daar verandering in brengen. In deze eindtijd mag er geen twijfel over bestaan wie uw God is!

Wij moeten de vraag, door Elia aan het volk Israël gesteld, nog onder ogen zien: “Hoe lang  zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien Jahweh God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na” I Koningen 18:21, of zoals Jozua tegen het volk zei: “Kiest dan heden wie gij dienen zult, maar ik en mijn huis, wij zullen Jahweh dienen!” Jozua 24.

 

Laten wij dan ook net zo frank en vrij zeggen:

MAAR IK EN MIJN HUIS, WIJ ZULLEN JAHWEH DIENEN!

 

Uit: Kingdom Identity Ministries

Vert. Tj.Wijsman-Everaarts

 

 

WEDEROM, MIJN VOLK

Het boek Hosea over de lotgevallen

der beide Israëlvolken (3)

door H. Siliakus

 

4 ISRAËLS WEGVOERING

Eén van de meest bedroevende maar toch ook wonderlijke keerpunten in de geschiedenis van Israël is de wegvoering in de Assyrische ballingschap van het tienstammenrijk. Het is een gebeurtenis die vaak verkeerd beoordeeld wordt (velen weten zelfs niet van een Assyrische ballingschap), als gevolg waarvan de meeste christenen vandaag de Joden ten onrechte voor het gehele volk Israël aanzien.

De Assyrische ballingschap, hoe zwaar deze straf ook was, betekende niet dat Efrain-Israël (de tien stammen) als volk ophield te bestaan, maar dat zij een nieuwe episode in haar bestaan als volk inging. Een episode van ‘verborgen zijn’ voor de wereld, maar herkenbaar voor hen die de profetie van de Bijbel nauwgezet bestuderen en zich in de geschiedenis van de volken verdiepen. Maar er ligt een zegen in het verborgen en onbekend zijn! Dit ‘verborgen zijn’  en onwetend van de eigen identiteit zou een grote zegen voor dit Israël betekenen (uiteindelijk ook een zegen voor de hele wereld). Wij kunnen het vergelijken met het verborgen verblijf van Jozef in Egypte. Bovendien zou dit verborgen zijn haar bewaren voor zelfverheffing (“Wij zijn het uitverkoren volk”) en voor kwalijke bejegening (haat, vijandschap) door de heidense volken.

Voor deze beide gevaren werd Juda (het Joodse volk) niet bewaard (vgl. Joh.8:33; 1 Thess.2:15-16). Door hun blijvende verwerping van de Messias kregen de Joden het nog moeilijker. Efraïm-Israël, het ‘verborgen Israël’, zou echter eeuwenlang ‘zeker wonen’. Eerst in het laatste der dagen komt daarin verandering. Dan zal gebeuren wat in Psalm 83:3-4 geschreven staat.

Ook in de profetieën van Hosea komt duidelijk naar voren, dat het niet ‘gedaan’ is met het Israël van de tien stammen nadat het is weggevoerd in ballingschap. Er komt weer een tijd van ‘heil’ voor dit volk. Wij mogen hieraan niet voorbijgaan, maar eerst willen wij zien wat Hosea over het begin van de ballingschap geprofeteerd heeft.

De wegvoering in de Assyrische ballingschap was de uiteindelijke straf die over Israël voltrokken werd. In deze wegvoering komen wij de drie aspecten van de straf tegen die we in het vorige hoofdstuk noemden. Het betekende ‘verstrooiing’. Zij werden verstrooid, verspreid onder de heidenvolken als schapen zonder herder. Het betekende ‘verlating’. Zij verloren de bijstand van God. Daarom konden zij de vijand niet weerstaan. Het betekende ook ‘verstoting’. Niet langer zouden zij Gods volk zijn. Als een vrouw met een scheidbrief werden zij weggezonden, zoals eens Ahasveros Vasthi zou verstoten (Ester 1:19). In Jeremia 3:8 wordt ook letterlijk van het tienstammenrijk Israël, dat God “haar de scheidbrief gegeven had”.

Wij beginnen met te wijzen op een verband dat God zelf legt tussen de uiteindelijke straf die Israël trof en één van de zonden die Israël bedreef. Hosea 7:8-11 vertelt ons dat Efraïm zich vermengde met de heidense volken zoals Egypte en Assyrië. Zij namen hun gewoonten, zeden en afgoderij over. En voordat ze het beseften waren ze reeds in de macht van deze volken. In vers 10 wordt het vermengen met de heidenen, de wereld en de goddelozen hoogmoed genoemd. Wereldgelijkvormigheid, dat zich vaak openbaart als een ‘niet onder willen doen voor de wereldling’ is hoogmoed! Dat moeten we goed tot ons laten doordringen.

De eerste straffen die tot waarschuwing hadden moeten dienen betekenden tegelijk een steeds grotere verzwakking van Israël. Dat gebeurde met het overgegeven worden aan de macht van vreemden en ook met de misoogsten waardoor het land getroffen werd. Als gevolg daarvan (zie Hosea 2:8-10), kwam Israël in een economische crisis te zitten en kwam er een eind aan het losbandig leven van feestvieren en vrolijk zijn. Maar  de ‘grote klap’ moest toch nog komen. Het schijnt begonnen te zijn met een veldslag in het dal van Jizreël, waarover verder niets bekend is (Hosea 1:5). Deze slag ging waarschijnlijk vooraf aan de val van de hoofdstad Samaria, de ‘dag van het einde’ na een beleg van drie jaar (2Koningen 17:6) in 722 v.Chr. Herhaalde malen heeft Hosea over deze fatale dag gesproken als over de ‘dag der bezoeking’. Visitaties of bezoeken van God zijn niet altijd lieflijk en aangenaam. Er zijn bezoeken die een zegen inhouden, maar er zijn ook Goddelijke bezoeken die oordeel brengen. Vaak wordt een oordeelsbezoek door een zegenende aanwezigheid van God voorafgegaan. Zo was hetin Hosea’s tijd en zo zal het zijn in de eindtijd. Vergelijk:

                                      zegen:                                     oordeel:

In Hosea’s tijd               verhoogde activiteit                 daarna:

                                      van profeten                            de wegvoering

In de eindtijd                   Spaderegen -                           daarna:

                                      opwekking                              de gerichten

Als Hosea over het bezoeken door God schrijft, bedoelt hij bezoeken ten oordeel. Zie Hosea 2:12; 4:9; 9:7 en 12:3. De benauwdheid waarin Efraïm-Israël terecht zou komen wordt in Hosea 13:13 vergeleken met de smarten van een barende vrouw. Samaria zal verwoest worden en haar inwoners zullen door het zwaard vallen (14:1). Het land zal treuren (4:3), het volk wordt uitgeroeid en het priesterambt wordt afgenomen (4:6). Het koninkrijk Israël zal ophouden te bestaan (1:4). Israël zal door zijn ongerechtigheid vallen (5:5). Efraïm wordt tot verwoesting (5:9), hij zal worden verpletterd ((5:11).

Bij dit alles moeten we steeds denken dat Assyrië slechts het middel in Gods hand is tot tuchtiging van Israël. Er staat dat God ‘Zijn net’ (dat is Assyrië) over Israël zal uitspreiden en haar zal tuchtigen (7:12). In 8:3 wordt gezegd dat de vijand Israël zal vervolgen, maar in 8:14 wordt er weer de nadruk op gelegd dat het God is Die met zijn vuur de steden van Israël zal verteren. God zal Israël van zijn kinderen beroven (9:12). Efraïm is verslagen (9:16). God zal Efraïm zijn smaad vergelden (12:15). In 13:15 wordt gesproken over een ‘oostenwind’, een verdorrende wind, ‘een wind des HEREN’, die heel het land Israël zal doen verdorren. Wellicht wordt hiermee gezinspeeld op Assyrië als ‘de macht uit het oosten’, maar wordt hier tevens aangegeven welke richting Israël uiteindelijk uitgedreven zal worden, namelijk westwaarts.

Een opmerkelijke tekst is verder Hosea 10:8. Wat de Israëlieten zouden meemaken ten tijde van de ineenstorting van het rijk, zou een voorafschaduwing kunnen zijn van de paniek die er zal zijn (eveneens onder de Israëlvolken)  als God in de eindtijd een krachtdadig einde maakt aan de oorlog van Gog (Openb.6:16; Lucas 23:30).

We hebben tot nu toe stilgestaan bij de gevolgen van de ‘verlating, het verliezen van de Goddelijke ontferming voor Israël. We gaan nu verder met de teksten die gaan over de ‘verstrooiing’. De val van het rijk werd namelijk gevolgd door een wegvoering van vrijwel al de bewoners (slechts enkele armen bleven achter). Dit onderdeel van de definitieve straf komt voor het eerst tot uiting in de naam Jizreël (Hosea 1:4), wat ‘verstrooiing ‘ betekent. Deze naam drukt eigenlijk het tegenovergestelde uit van de naam Israël (die spreekt van overwinning), al is er klankovereenkomst tussen beide namen. De straf wordt voor de eerste maal omschreven in Hosea 1:6. God zal het Huis Israël wegvoeren. In 2:5 zegt God dat Hij het Israël door ‘doornen’ en een ‘muur’ onmogelijk zal maken nog langer eigen wegen te kiezen. De weg die zo voor Israël opengaat, is de weg van wegvoering en ballingschap. Ongeveer hetzelfde beeld wordt gebruikt in 10:10-11. God zal Israël en ook Juda binden en leiden in (St.Vert.) ‘twee voren’. Twee voren: dat wil zeggen twee verschillende lotsbestemmingen! En Hij zal hen tot dienstbaarheid brengen gelijk twee runderen. “Volken zullen tegen hen verzameld worden” (vers 10). Dit meervoud heeft naar alle waarschijnlijkheid niet alleen betrekking op de Assyriërs en de Babyloniërs, als de twee verschillende volken die respectievelijk Israël en Juda wegvoerden, maar ook op de volken die na de Assyriërs zich tegen Israël zouden keren waarmee God Israël steeds verder zou leiden op de door Hem bepaalde weg.. In 4:16 wordt Israël met een ‘losbandige koe’ vergeleken en wordt gezegd dat de HERE Israël zal ‘weiden als een lam in de ruimte’. Deze ‘ruimte’ is duidelijk het uitgestrekte gebied waar doorheen Israël zou trekken en dwalen nadat zij door de Assyriërs uit hun land zouden zijn weggevoerd. De os of de stier is een embleem van Israël (vgl. Deut.33:17). Maar als alle heerlijkheid en kracht van Israël is geweken, wordt zij een  koe of een vaars genoemd. Merkwaardig is het dat aan Engeland vroeger wel de bijnaam van ‘John Bull’ gegeven werd. Zou dit op een verband duiden met Israël?

In Hosea 4:17 wordt van Efraïm gezegd: “laat hem varen” Daarmee wordt niet alleen op zijn onbekeerlijkheid gedoeld, maar ook  op de tocht die dit volk zou maken door de ‘volkerenwoestijn’. Ook het aspect van de ‘verstoting’ komen wij hier tegen: “Laat hem varen (met zijn afgoden)”. Van dit verstoten is ook sprake in 5:6, waar gezegd wordt dat God zich van Israël zal onttrekken zodat ze Hem tevergeefs zullen zoeken. In 5:14 staat dat God Efraïm en ook Juda zal wegvoeren. Vervolgens lezen wij in 8:8-10 dat Israël ‘verslonden ‘ is en ‘onder de heidenen geworden’ dat is in de gebieden van de heidenen terecht gekomen (vers 8), omdat zij wilden samen gaan met Assur (vers 9). De heidenen waarmee zij hoereerden, zullen zich tegen hen verzamelen en dit op last van ‘de koning der vorsten’, God (vers 10). Assur is de roede die God gebruikt. In 9:3 wordt gezegd dat Efraïm niet in ‘des HEREN land’, Palestina zal blijven, maar symbolisch wederkeren zal naar Egypte, dat wil zeggen hij zal door Assur weggevoerd worden. Voor alle duidelijkheid wordt dan nog gezegd in 11:5, dat Israël niet opnieuw naar Egypte maar naar Assur zal worden gevoerd. En ten slotte wordt in 13:3 meegedeeld dat na deze wegvoering Efraïm-Israël als een morgenwolk, als een dauw, als kaf van de dorsvloer en als rook uit de schoorsteen zal verdwijnen. Is het dan helemaal afgelopen met Israël? Wij zullen zien, dat het dan slechts om een voorlopig einde gaat!

Iets van wat dan nog in het verschiet ligt, willen wij hier alvast onthullen. In Hosea 2:12 lezen wij dat God over Israël zou bezoeken ‘de dagen van de Baäls’. Dit gaat over de tijd dat Israël de Baäl afgoden gediend heeft. Als deze tijd aan Israël bezocht wordt, zal een verband bestaan tussen de tijd van Israëls hoererij met de Baäls en de tijd van haar ballingschap, of beter gezegd: haar strafperiode. Wij hebben hier zo goed als zeker te doen met een ‘strafmaat’. Zo’n verband bestaat er namelijk ook tussen de tijd van Juda’s ballingschap in Babel en Juda’s ongehoorzaamheid. Zie 2Kronieken 36:21. De zeventig jaren in Babel waren voor het niet-houden van zeventig sabbatjaren (eigenlijk een zonde van ongeloof!), wat neerkomt op 70 x 7 = 490 jaren van ongehoorzaamheid, dat is ongeveer vanaf Sauls tijd (die werd gekroond in 1095 v.Chr.) tot de val van Jeruzalem in 588 v.Chr., 507 jaar later. Efraïm-Israël diende de Baäls sinds de dagen van Achab (1Koningen 16:31) dat is ongeveer 197 jaar (van 919 tot 711 v.Chr.). Rekenen wij, omdat de reden die opgegeven wordt voor Israëls ballingschap een zwaardere zonde was, niet met een strafperiode van een zevende deel, zoals voor Juda gold, maar van een zevenvoud, dan zou de straftijd voor Israël tot omstreeks 658 na Chr. Hebben geduurd.. Van 722 v.Chr., 7 x 197 = 1379 jaar verder, brengt ons in het jaar 657/658 van onze jaartelling. En dan zijn we in de tijd aangekomen, dat in West-Europa een geestelijk ontwaken plaats heeft. In de 7de eeuw gaan opnieuw predikers vanuit Engeland en Ierland in geheel West-Europa het evangelie prediken en begint  het christendom zich hier voorgoed te vestigen.

Wat wij hier willen vaststellen is, dat God om redenen die wij kunnen vermoeden (Israël moest ten zegen worden voor alle volken), kennelijk Israël eerst zwaar strafte, om haar daarna genadig te zijn, maar daarentegen Juda eerst licht strafte, om het daarna voor lange tijd te verlaten.

Dat Juda al zo snel mocht terugkeren naar het eigen land hield ook verband met de komst van de Messias, die uit Juda geboren moest worden in het heilige land. Maar de Joden hebben Hem niet aangenomen  (Johannes 1:11). Daarom kon God niets meer met hen beginnen. Uiteindelijk ‘heeft het afgekeerde Israël haar ziel gerechtvaardigd, meer dan het trouweloze Juda (Jeremia 3:11). In de geschiedenis is veel vertroostends te vinden! De historie is ‘His story’. God openbaart zich in de tijd (Openbaring 1:8).

Wij sluiten dit hoofdstuk af met een korte weergave van de enkele teksten die in het boek Hosea gewijd zijn aan de ballingschap van het Juda-deel van Israël. Zoals wij weten had de wegvoering van Juda pas ongeveer 130 jaar na de wegvoering van Israël plaats. Het Assyrische rijk was toen al ondergegaan. Juda, d.w.z. wat ervan was overgebleven (grote delen van Juda zijn samen met de tien stammen door de Assyriërs weggevoerd), werd door de Babyloniërs gedeporteerd.

Hosea         1:7      Juda wordt verlost, dus gaat eerst in ballingschap.

          5:6              Juda zal ook vallen.

          5:10            Gods toorn komt over de vorsten van Juda.

          5:14            Juda gedeeltelijk weggevoerd samen met de 10 stammen.

          6:11            Ook Juda zal oogsten wat zij zaaide, de oogst is het oordeel.

          8:14            God zendt een vuur, ook in Juda.

          10:10-11     Ook Juda zal gebonden worden om weggeleid te worden.

          12:3            Ook Juda zal worden ‘bezocht’.

Uit de enkele afzonderlijke vermeldingen over Juda in dit toch overwegend aan Israël gewijde boek blijkt, dat Juda toch ook door God niet vergeten wordt. Tevens echter blijkt dat het een heel andere weg door de geschiedenis zal gaan dan Israël. “Wie is wijs? Die versta deze dingen!”, zo eindigt het boek Hosea (14:10). Ja, let op wat God doet.

Wordt vervolgd

 

 

 

Boekenlijst

Nederlands Israël Boekenfonds

Postbus 30009                  Postrekening 1302680 of 1212779

1303 AA Almere                E-post gvanderlaannld@netscape.net

Tel. 036-5296956 of 06-55818234              

C-09

Collins, AHet leven van Jezus Christus@

i   2,45

C-10

Vrolijk, AMigraties van de Tien Stammen door Europa@

i   0,80

C-11

Filmer, ASamenvatting van de Migraties van Israël@

i   0,60

C-13

Smit, AZijn de Joden geheel Israël?@

i   0,40

C-15

Van Dijk, AGods Koninkrijk Israël@

i   0,85

C-17

Van der Laan, AWie heeft recht op Palestina?@

i   1,25

C-20

Hill Elder, AJozef van Arimathea@

i   2,25

C-21

Van Ekeren, ADe verbonden met Israël@

 i  1,70

C-22

Milo, AStonden Zijn voeten op Engelse bodem?@

 i   1,50

C-23

Van der Laan, AOns volk een deel van Israël?@

i   1,75

C-24

 

Smit, AKunnen Nederlanders Israëlieten zijn?@

 

i   0,40

C-26

Van der Vecht, A@Profetieën Israël, Joden en de Kerk@

 i   0,50

C-28

Smit, ABenjamin, Zoon van de Rechterhand@

i   0,80

C-29

Houghton, AWat God aan Israël beloofde@

i   0,35

C-31

Van der Heide, AIsraëlitische herkomst Nederlanders?@

i   0,50

D-01

Smit, AWapens, Vlaggen en Zegels van Nederland@

i   0,65

D-02

Smit, ADe Koninginnen uit het Huis van David@

i   0,40

D-03

Ewing, AWaarom de Bijbel varkensvlees verbiedt!?@

i   0,40

D-05

Van Loon, AHet Evangelie van Paulus aan de Galaten@

i   1,70

D-06

Vrolijk, AHet boek der Openbaring in historisch licht@

i   1,80

D-07

Milo, AClaudia en Pudens@

i   2,25

D-09

Mattison, AOp deze Rots@

i   1,70

D-10

Van der Laan, AJEZUS, God en/of Mens@

i   0,80

D-13

McGaw, AWie was Melchizedek?@

i   0,65

D-14

Bill Britton, AJonathan en Zadok@

i   0,35

D-15

Panin, AWonderen der Bijbelgetallen@

i   0,65

D-30

Kotzee, AHersenspoeling en Kunstmatige Intelligentie@

i   0,70

D-31

Den Admirant, ANederland in de spiegel van Jona@

i   0,65

D-32

Van Zetten, AIsraël. Joden en Heidenen in Romeinen@

i  0,65

D-33

F.W.C.Neser, ADaniëls 70ste week@

i   0,85

E-05

Van der Vecht, @De Israël-visie in vraag en antwoord@

i   2,25

E-06

Alberts, AConcordantie over de Israël-visie@

i   2,25

E-10

 

Den Admirant, @Israël & Juda, eenheid & verscheidenheid@ dl 1

 

i 17,90

E-11

idem, deel 2

i 17,90

F-24

Snijders, “’t Was Anders”, Willibrord en Bonifatius

i 15,90

I-03

Milner, ARoyal House of Britain, an enduring Dynasty@

 i 21,50

M226

Smit, ATwee Naties zullen zich scheiden@

i   4,75

M323

Smit, ABestaat er een Plan?@

i   2,25


Diep geworteld (4)

Onze herkomst wijst op onze toekomst

Laten wij eens kijken waar wij vandaan komen

 door Pieter Botha

Hoofdstuk 3

Jeremia 31:31-36

AZie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël  sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnen­ste leggen en die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. Zo zegt de HERE, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee op­zweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is HERE der heerscharen: Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord des HEREN, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen.@

In dit gedeelte zien we Gods beloften: AZo zegt de HERE, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is HERE der heerscharen: Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord des Heren, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen.@ (Jere­mia 31:35-36).

Al deze zaken bestaan heden nog voor ons, daarom bestaat Israël nog, want elke dag gaat nog steeds de zon op. En met dat wonderbare verhaal houden wij ons bezig.

Jeremia 23:5-7

AZie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en ver­standig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de Here onze gerechtigheid.  Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten uit het land Egypte heeft doen optrekken, maar veeleer: Zo waar de HERE leeft, die het nageslacht van het huis Israëls heeft doen optrekken en die het heeft doen komen uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdre­ven had; en zij zullen op hun eigen grond wonen.@

Er komen dagen, dat Israël in hun eigen land zal wonen, na hun vertrek uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had. Als wij naar vandaag kijken, is het nu de tijd voor de finale ontplooiing, wij zullen Gods machtige hand in beweging zien komen, om Zijn Woord van belofte te vervullen. Want God heeft de wacht gehouden over Zijn volk, want God is getrouw tot op vandaag toe.

Tot zover hebben wij gekeken naar onze wortels, de titel van deze artikelen is ADiep geworteld@, want onze herkomst bevestigt onze toe­komst zoals beschreven is door de profeet Jeremia en de andere profeten.

Wat hebben wij tot nu behandeld? We hebben gezien dat na de zondvloed in het land van de Sumeriërs het hedendaagse Iran, er een groep van mensen is verschenen, waar men allemaal over gesproken heeft, namelijk die Akkadiërs, de >blanken van de bergen= en dit groepje die door de omlig­gende volken genoemd werden APa-Hanok@ of >huis van Henoch= en verder is uitgebreid door Noach en zijn drie zonen. En die Pa-Hanok zijn later bekend geworden in de omgangstaal als de Feniciërs. Als wij ons voorgeslacht willen opsporen, dan moeten wij de sporen van de Fenicië­rs volgen.

In dit hoofdstuk zullen stilstaan bij een specifieke groep van de Fenicië­rs, die de aardbol ingrijpend veranderd hebben. Namelijk de Hebreeuwse lijn van de Feniciërs. Let op: onder de Feniciërs vinden we niet alleen het nageslacht van Sem, maar ook van Jafet en van Cham, zij werden allemaal Feniciërs genoemd. Er was een Jafetitische tak,  ook Chamitische tak en een Semitische tak onder deze Feniciërs.

Uit Cham zijn er volken ontstaan met negatieve karaktertrekken, denk aan Kanaän en Kus, waaruit Nimrod is voorgekomen, de gewelde­naar. In deze Chamitische lijn vinden we het verlangen, zich te vermengen met de zwarte rassen onder wie zij verspreid waren, nadat God bij Babel de taal verward heeft. Jafet, waar is hij te­rechtgekomen? Want dat is belangrijk, omdat hun geschiedenis zeer nauw verweven is met de Semitische lijn. Jafet en Israël zijn tot aan vandaag in veel opzichten zeer moeilijk te onderscheiden, voor het onge­oefende oor en oog en voor iemand die zijn geschiedenis niet kent, maakt men  gemakkelijke de fout om te denken, dat Jafet vandaag de huidige Europese bevolking is.

 Uit Jafet=s nageslacht komt Gomer, Magog, Tubal, Jawan. Namen die we aan het einde van de geschiedenis weer tegen komen in de grote strijd tussen Gods volk Israël en satan. Dan staat een groot gedeelte van het nageslacht van Jafet in directe strijd met God. Jawan wiens naam terug te vinden is in de Britse eilanden, zoals hun naam vermeld staat op de oude landkaarten. Tarsis ook uit het nageslacht van Jafet. Die vestigde zich in het Zuidelijke gedeelte van Spanje. Daaraan kunnen we zien waar we de Jafetiten aan­treffen in grote delen van Europa. De Schrift zegt: AJafet zal wonen in de tenten van Sem”, en Jafet zal zelfs zover gaan om de God van Sem te aanbidden.

Maar wij zullen ons bezig gaan houden met de zaadlijn van Sem. Uit Sem komt voort Heber, de voorvader van de Hebreeërs. Heber, waarvan de oorspronkelijke betekenis is >zwerver of avonturier=. Heber die onder de omliggende volken bekend gestaan heeft als Chabiru. Uit Heber komt Peleg, Zijn nakomelingen waren Semieten, en één van Pelegs kinderen was Abraham. Deze had drie vrouwen: Ketura, Hagar en Saraï, waaruit weer verschillende kinderen geboren zijn, die ook weer Semieten zijn. Want uit Hagar komen de Ismaëlieten/Arabieren en deze zijn vandaag gemakkelijk te herkennen in de wereld. Uit Ketura de oos­terse volken zoals de Indiërs

Aan hen kan men de Arische trekken goed herkennen. Maar de belang­rijkste lijn is die van Saraï, waaruit Isaäk en Jakob zijn voorgekomen en daar zullen wij ons in het vervolg op gaan richten.

Maar let goed op: Hagar, Ketura en Sara, al de kinderen van Peleg en Heber, waren allemaal Hebreeërs. Maar God selecteerde uit al deze lijnen één familie: Isaäk en Jakob, waarmee Hij  verder gaat en Zijn Ver­bond met Abraham verder zal uitwerken.

De door God uitverkoren familie uit Isaäk en Jakob, staat later in de Bijbel bekend als Israël. Dit is van het grootste belang om te weten. Want Israël betekent immers ARegeren met God@, een titel en opdracht, die God eerst aan Adam heeft gegeven. Dus God is weer terug bij de zuivere lijn van Adam naar Jakob.

Bedenk nog steeds dat de goddeloze buren van Israël, hen niet bij deze naam kenden, zij hadden immers geen omgang met de God van Israël, Israël stond onder andere namen bekend. Nu maken onderzoekers de ernstige fout, om Israël te zoeken onder de naam Israël. Maar daar zullen zij hen niet onder vinden. Mensen die de Schrif­ten niet kennen en onderzocht hebben, zullen verward raken. Nee, de geschiedkundigen zullen de andere namen van Israël tegen komen. Akka­diërs,  Chabiru, Beth-Sak = huis van Isaäk, maar niet de naam Israël. Want ‘Israël’ is niet opgetekend in de wereldse geschiedenisboeken.

Wat is er gebeurd met Jakob? Hij verhuist door de droogte en voedsel­schaarste naar Egypte. Wanneer vond dit plaats? 1702 v.Chr gaat een schamele zeventig zielen uit het gezin van Jakob naar Egypte, waar zijn zoon Jozef onderkoning was. De eerste farao was hun goed gezind, ze mochten wonen in de beste streek van Egypte, het land Gosen, waar zij verbleven tot aan de exodus toe, die in 1486 v.Chr plaats vond. Dat beslaat ongeveer tussen de 215-216 jaar, dat zij fysiek in Egypte, in het land Gosen waren. De Bijbel vertelt ons dat deze zeventig zielen zijn uitgegroeid tot een volk, dit wil dus zeggen, dat deze groep mensen in bijzondere vruchtbare omstandigheden leefden in het land Gosen, gunstig voor grote gezinnen. Want wat was de uiteindelijke opdracht aan Adam?

Genesis 1:28

AEn God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.@

We lezen Genesis 46:26-27. Waar we de getallen kunnen vinden.

AAlle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, zijn afstammelingen, behalve de vrouwen der zonen van Jakob, het gehele zielental was 66. En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren waren, waren twee in getal. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen was 70.@

Numeri 26:51

ADit waren de getelden der Israëlieten: 601 730.@

Nee, getalsmatig hoeven wij ons niet te vergissen: zeventig zielen komen binnen en een heel volk verlaat Egypte. Waar gingen zij heen? Naar Kanaän. Dit land was maar 16000 vierkante kilometer groot, ong­eveer als Nederland, iets kleiner. Men kan de kaart van de huidige joodse staat Israël op de Nederlandse kaart leggen en men ziet wat er overblijft. Het was een goed land, vruchtbaar, een land van melk en honing zegt de Schrift.

Als men naar de kaart van Israël kijkt, dan ziet men dat men van daaruit gemakkelijk weg kan trekken. Als hun voorvaderen die zulke reislusti­ge mensen waren, koloniliseerders en avonturiers, waarom zouden zij die na de exodus in Kanaän waren aangekomen, dan ook niet dezelfde karak­tereigenschappen hebben bezeten en hetzelfde gedaan hebben als hun voorvaderen. In onze geschiedenis ziet men dat de West Europeanen dit wel hebben gedaan, zij hebben na hun aankomst in West Europa verdere reislustige stappen ondernomen, waardoor grote continenten zijn ont­staan. Denk aan Amerika, Canada, Australië. Zuid-Afrika, enz. Het is dus logisch dat tussen die vijfhonderd jaar vanaf de uittocht uit Egypte, tot aan de scheuring van Israël zij zich verder zouden voortbewegen. De vraag is: waarheen?

Eerst in de omstreken van de Middellandse Zee, tot zij uiteindelijk kwa­men in de Britse eilanden Maar daar zijn zij niet stil gaan zitten, maar hebben zich verder uitgebreid naar die landen die we al hebben genoemd en nog zoveel andere landen. Wat belangrijk is het volgende. Dat wij de totale groei in ontwikkeling, die men in Europa aantreft, deze zeer oude beschaving kunnen terug herleiden naar Israëlieten van vóór de balling­schappen, die reeds in Europa waren binnen­getrokken. Waarom is dit belangrijk?

De vijanden van de Israël-waarheid willen erg graag reageren, als wij spreken over Israëlieten, die na de ballingschappen naar Europa zijn getrok­ken, waar zij uiteindelijk de Noordwest Europese natiën vormden. Zij zullen snel  zeggen: AWij kunnen bewijzen dat voor Israëls ballingschap, er al volken waren, zoals de Duitsers, Saksen, Franken, Lombarden, Kelten, dit kan veel verder teruggevoerd worden dan 721 v. Chr, toen de Assyrische ballingschappen plaatsvon­den”. Wat zeggen wij dan? 

De Bijbel vertelt ons niets van deze volkeren, maar alleen over het vertegenwoordigende groepje in Palestina. Dus over de tien en de twee stammen en wat er met hen zoal gebeurd is. Zij verhaalt niets over de vele anderen, die zich verder in Europa verspreid hebben. Dit was niet de taak van het Woord, omdat dit toen niet belangrijk was. Maar voor ons is dit nu wel belangrijk! Want we geloven Gods Verbond met Israël en daarom is het van groot belang  onze geschiedenis te kennen, om te zien hoe wonderlijk God met zijn kinderen door de vele eeuwen heen gehandeld heeft. En ook om de mensen die kritiek leveren op onze Israël waarheid, een antwoord te kunnen geven over het tijdperk van de verhuizing van Egypte naar Kanaän en de latere scheuring in Israël tot twee koninkrijken.

In die vijfhonderd jaar hebben belangrijke gebeurtenissen plaatsgevonden waarvan we kennis moeten nemen. Want daar ligt de basis voor de vier grote rijken, die een geweldige opbloei gekend hebben in die vijfhonderd jaar. Vanaf het moment dat de Hebreeërs Palestina binnen trokken.

Toen de twaalf stammen van Israël Kanaän in bezit namen,  honderd jaar daarna, vinden we in de geschiedenis dat de Fenicische beschaving, zoals de wereld dit kent, in zijn gouden eeuw van ontwikkeling was. Een geweldige ontwikkeling, niet alleen onder de Feniciërs, maar ook onder de Hethieten, Grieken of Helenen. We moeten goed onthouden, dat de Grieken, de Feniciërs en een groot deel van de Hethieten, direct kunnen worden teruggevoerd naar het Woord van God, waar wij ze kennen als de Hebreeërs. Bij hun intocht hebben zij een groot vermogen en invloed gehad, om zich te verspreiden en zij heb­ben de bestaande culturen opgewerkt naar hoger peil, Nu is het ook interessant dat in 970 v.Chr, toen de glorie van Israël taande, in dezelfde tijd ook de glorie van de Feniciërs is gaan tanen, ook van de Hethieten en de Grieken. Deze gebeurtenissen  staan in verband met elkaar. Waar ligt Fenicië? Op elke goede kaart kan men zien, dat dit ligt in Sidon op de kust van de Middel­lands Zee. Zij zijn nooit een echt volk geweest, het gold slechts als een plaatsaanduiding. De Feni­cische volken, die uiteindelijk Israëlieten waren, hebben in dit gebied dat als Fenicië bekend gestaan heeft, gewoond en geleefd, er was dus niet echt sprake van een Fenicisch volk, maar als gebiedsaanduiding. Dit verklaart dan voor ons, dat die Feniciërs hun grote havens in Sidon hadden, tijdens hun geweldige opbloei. Zij waren nakomelingen van Beth-Sak = huis van Isaäk.

Wat was Israëls opdracht bij de intocht van Kanaän?

Numeri 33:51-53

ASpreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij de Jordaan over­trekt naar het land Kanaän, Dan zult gij al de bewoners van het land voor uw aangezicht verdrijven en al hun beeldhouwwerk vernietigen; ook zult gij al hun gegoten beelden vernietigen en al hun hoogten verwoesten. Gij zult het land in bezit nemen en daarin wonen, want aan u heb Ik het land gegeven om het in bezit te nemen.@

Deuteronomium 20:16-18

AMaar uit de steden van deze volken die de HERE, uw God, u ten erfdeel zal geven, zult gij niets wat adem heeft, in leven laten, Maar gij zult ze volledig met de ban slaan, de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten, en de Jebusieten, zoals de HERE uw God, u geboden heeft, Opdat zij u niet leren te doen naar al de gruwelen, die zij voor hun goden doen, zodat gij tegen de HERE, uw God, zoudt zondi­gen.@

Wie waren al deze volken? Nageslacht van Cham en Jafet. Israël moest dit nageslacht volledig uitroeien. Maar wat doet Israël? Zij gebruiken een typische karaktertrek, zoals wij ook vandaag onder ons volk aantreffen. Wat deed Israël met Gods op­dracht om apart te blijven, zo ook Nederland?

Lees Richteren 3:5-7.

ADe Israëlieten dan woonden te midden der Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten; Zij namen zich hun dochters tot vrouw en gaven de eigen dochters aan hun zonen en dien­den hun goden. De Israëlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN, zij vergaten de HERE, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera=s.@

In plaats ze met de banvloek te treffen, gingen zij er onder wonen en gingen zelfs hun goden dienen en trouwden zelfs met hen. Wat doet Nederland? Precies hetzelfde. We tellen twee miljoen vreemdelingen, waarvan al 16% met ons volk is gehuwd. Driehonderd Moskeeën en dan de klap op de vuurpeil: onze koningin opende één van de grote Bhoedatempels in Europa, in Amsterdam.

Wat was het gevolg voor Israël?

Deuteronomium 29:25-28

AEn men zal antwoorden: Omdat zij verlaten hebben het verbond van de HERE, de God hunner vaderen, het verbond dat Hij met hen gesloten had toen Hij hen uit het land Egypte leidde, En omdat zij andere goden zijn gaan dienen en zich daarvoor hebben neergebogen, goden, die zij niet gekend hebben en die Hij hun niet toebedeeld had, Daarom is de toorn des HEREN tegen dit land ontbrand om daarover heel de vervloeking te brengen, die in dit boek opgetekend staat: De HERE heeft hen in toorn en grimmigheid en grote verbolgenheid uit hun land gerukt en hen weggeslingerd naar een ander land, zoals dit thans het geval is.  De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen.@

Daarom heeft God toegestaan dat Israël verstrooid is geraakt, op de hele bewoonde aarde, nu moeten wij oppassen, dat wij deze verspreide Israë­lieten, niet als verheven wezens moeten zien. Want zij zijn vervallen geraakt van hun glorie en hun naam Israël is verbeurd verklaard. Van Heer­ser met God, hoofd der volken, is zij geworden de staart der volken. Omdat zij achter ander volken en goden zijn aangegaan zijn zij weer voor een deel verbasterd geraakt, weer zien wij hier satans aanslag tegen Gods zaad op aarde. Onze hedendaagse leiders in staat en kerk handelen precies zo als onze voorvaderen, die deze verschrikkelijke straf moesten ondergaan.

Na het tijdperk, waarin Israël weigerde om Gods bevelen uit te voeren, moesten zij weg, nadat zij eerst gescheurd waren in twee rij­ken. Wat doet het huis van Israël het Noordelijke rijk? Zij gaat door in haar boosheid van kracht tot kracht, totdat God de uiteindelijke vloek van verbanning in werking laat treden. Het huis van Achab heeft een van Israë­ls meest boze koningen voortgebracht, koning Omri, wiens naam u in de geschiedenis nog herhaaldelijk tegen zult komen, niet omdat deze zo goed was, maar om zijn boosheid. En het volk van Omri was berucht om haar boosheid.

En wat gebeurt er later met Juda en Benjamin? Precies hetzelfde of nog erger zelfs. En God was verplicht ook hen in ballingschap te laten gaan, naar Babel. Wat gebeurt er in de geschiedenis? Israël verdwijnt uit de geschiedenis, weg is Israël, als in een wolk van mist verdwenen. En op dat ogenblik tasten de geschiedkundigen ernstig mis in hun onderzoekingen.

Waarom is Israël verdwenen?

Tot zover hebben we gesproken over Gods zaadlijn door Heber, Abra­ham, door Saraï, Isaäk en Jakob. Dit was vóór de ballingschap en dit is erg belangrijk. Waarheen zijn deze Israëlieten verstrooid? Behalve hun wegvoering naar Assyrië en Babylon, moeten wij weten, dat de Syrische bedreiging onder Tiglath Pilezer in 745v. Chr, niet plaats vond als een ondoordachte overrompeling. Van 745 en de volgende vijfentwintig jaar, waren de Assyriërs een constante bedreiging voor Israël, pas in 721 jaar v.Chr zou de opvolger van  Tiglath Pilezer, Salmanasser en later Sargon II, Israël wegvoeren naar Assyrië

Wat is er gebeurd tijdens die Assyrische bedreiging, een macht die God heeft opgewekt tegen Israël. Een grote groep Israëlieten, die in Pale­stina woonde, is naar het Westen getrokken, zij zagen de oorlog aankomen en zijn weggegaan.  Tijdens deze periode vindt men in Italië twee Hebreeuwse stammen: de Etrusken en de Ombriërs, zij vestig­den zich als Hebreeërs in Italië. Dit was de Israëlietentrek. Een grote groep trok naar het Noor­den van Spanje, want in het Zuiden woonden reeds de Jafetieten en in het Noorden rondom de Ebrorivier, trof men een grote groep Israëlitische Hebreeërs aan.

Dan Griekenland. We weten dat de hedendaagse Grieken niet dezelfde zijn als die van vroeger. Griekenland had in dezelfde tijd als Israël, een groot aanzien. Hun geschiedenis kan men terugvoeren tot de Danieten, de stam van Dan. In het Fenicisch kan men de letters D en T omwisselen en dan komt de naam van de Trojanen voor de dag, hun oorspronkelijk stamvader was Helen, wat volgens de Griekse overlevering niemand anders was dan Sem. De Grieken werden ook Helenen genoemd.

Griekenland is ook tot val gekomen en dit ge­beurde in het jaar 1001 v.Chr, ongeveer in dezelfde tijd dat Israël ten onder ging.

Wordt vervolgd

 

     
     
  Site Map