VEEL VRUCHT
“Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman.
Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage.” (Johannes 15:1-2).
Wij leven in een tijd van prestaties. Daarbij streven we naar succes en een goede carrière. In de Bijbelse tijd was het feitelijk niet anders. Die discipelen van Jezus hadden het er over wie wel de belangrijkste zou zijn. Jezus wees op het dienstbaar zijn.
In de eerste acht verzen van Johannes 15 gaat het over vrucht dragen. Jezus is de wijnstok en de Vader is de landman. In dat beeld is er maar één die macht heeft, de Vader, JHWH, de God van Israël.
Het beeld van de wijnstok zegt ook veel. De wijnstok kan geen vrucht dragen zonder de ranken en omgekeerd kan het ook niet. Wijnstok en ranken zijn van elkaar afhankelijk. Even verder in dit gedeelte zegt de Here Jezus: “Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht”.
Velen denken bij geloof en gebed veel te ontvangen. Dan draait het leven om onszelf. Wat wil ik graag! Bij vrucht dragen gaat het niet om ontvangen, maar om geven. Het mooie daarbij is dat er staat: die draagt veel vrucht. Dat is zichtbaar!
Er zijn ook ranken die geen vrucht dragen. Waar Jezus de wijnstok is en wij de ranken, betekent dit dat het niet voldoende is met Hem verbonden te zijn. Het is de bedoeling dat de wijnstok vruchten draagt. De ranken die geen vruchten dragen zijn nutteloos en worden verwijderd, ze voldoen niet aan hun bestemming.
De landman gaat zorgvuldig te werk. De voorschriften in de Bijbel voor de oogst van vruchten is dat er eerst een paar jaar voorbij moeten gaan voor de vruchten gegeten mogen worden. Pas dan zijn ze geschikt voor consumptie. Dat is ook zo als we tot geloof komen. Het geloof moet eerst verdiept worden, we moeten er in groeien. Dan kan er vrucht komen.
De Vader, de landman gaat echter verder. Als er vruchten komen gaat Hij ook aan het snoeien. Het eerste snoeien was het verwijderen van de nutteloze ranken. Dat is pijnlijk, want als je los komt van de wijnstok is het leven onmogelijk geworden. Het echte leven, het eeuwige leven is dan voorbij. Dat ligt niet aan de landman en ook niet aan de wijnstok, maar aan de rank die vruchteloos is. Het tweede snoeien betreft de ranken die wel vrucht dragen. Die worden heel precies gesnoeid, opdat er meer vrucht, veel vrucht komt.
Velen ervaren dat in het geloof. Ze hebben een actieve functie en dat gaat goed en dan komt er om de een of andere reden een eind aan en ze vragen zich misschien af of ze het niet goed hebben gedaan. Als ze met liefde het werk voor JHWH hebben gedaan, zal er iets anders komen, waar ze nog beter hun kracht en liefde aan kunnen geven. Het snoeien gaat immers om meer vrucht te krijgen.
Is die vrucht altijd resultaat op het werk? Dat hoeft niet direct zichtbaar te zijn. Persoonlijk spreek en schrijf ik al ongeveer 60 jaar over het evangelie van het Koninkrijk. Al die tijd heeft het mijn geloof versterkt en ik heb tegenover anderen van dit geloof mogen getuigen. Dat geeft nog steeds blijdschap in het leven. Maar je komt wel heel vaak alleen te staan. Aan de andere kant is er ook het besef dat duizenden mensen van de Israëlwaarheid gehoord hebben en er lectuur over bezitten. Als het Gods tijd is om de sluier weg te halen die over de afkomst van de volken ligt, zullen bij velen de ogen eindelijk open gaan. Zullen wij dan erkenning krijgen? Is dat belangrijk? Nee, het is belangrijk dat de Here Jezus erkenning krijgt voor het geweldige werk, dat Hij voor Zijn volk gedaan heeft, door het eerst te verlossen van de scheidbrief en het daarna – na de zeven straftijden – in de positie te stellen dat het evangelie de wereld rond kon gaan. De van oorsprong christelijke volken van Noordwest Europa en hun nakomelingen in alle werelddelen weten (nog) niet van hun afkomst. Wij kunnen ervan getuigen, maar wij kunnen niet overtuigen. Dat kan alleen de heilige Geest, die in de harten werkt.
Het is een groot voorrecht nu al te kunnen zien wat en waar Gods volk Israël is en daarvan te mogen getuigen. We zijn maar een kleine groep, maar JHWH werkt meestal met minderheden.
Daardoor begrijpen we ook beter de tijd waarin we leven. De wederkomst van de Here Jezus komt elke dag dichterbij. Daar zien we naar uit en dan zal blijken wat de vrucht van ons leven is geweest.
G. van der Laan
WEDEROM, MIJN VOLK
Het boek Hosea over de lotgevallen
der beide Israëlvolken (4)
door H. Siliakus
5 Omzwervingen en nieuwe woonplaats
Is er nog iets te zeggen over de tien stammen (Efraïm-Israël) na hun wegvoering in de Assyrische ballingschap?
De meeste Bijbelonderzoekers willen ons doen geloven, dat het enige dat nog te vermelden valt, is dat de tien stammen daarna ophielden als volk te bestaan en dat zij voorgoed uit de heilige geschiedenis verdwenen. Deze onderzoekers gaan hierbij kennelijk uit van de stelling ‘Wat ik niet zie, is er niet’. Maar zij zouden beter moeten weten!
Het huldigen van deze mening betekent bovendien, dat wij moeten geloven, dat vele onvoorwaardelijke beloften, die God aan Israël heeft gedaan en vele voorzeggingen uit de Schrift, niet vervuld werden of zullen worden. Mogen wij zoiets wel geloven?
Voornoemde Bijbelonderzoekers willen ons verder doen geloven, dat wij vanaf die tijd onder Israël alleen Juda-Israël hebben te verstaan. Is hiervoor echter enige grond? Hebben de tien stammen voor God na hun wegvoering definitief afgedaan? Als wij een willekeurige tekst als Hosea 11:8-9 opslaan, krijgen wij een heel andere voorstelling van zaken. Efraïm-Israël heeft na haar in ballingschap gaan beslist niet afgedaan voor God! En hetzelfde zeggen nog een hele reeks andere teksten, zowel in Hosea als in bijna alle profetische boeken van de Bijbel en het getuigenis van het Nieuwe Testament sluit hierbij aan (zie Rom.11:1-2a).
Om ons eerst tot Hosea te beperken, niet alleen wordt op een groot aantal plaatsen over een herstel van de tien stammen na hun wegvoering gesproken, de betreffende gedeelten vormen onmiskenbaar de hoogtepunten van het boek. Wij kunnen stellen dat Hosea’s boek handelt over het herstel van Israël! Het is de centrale boodschap van dit boek.
Overigens zou het feit, dat er afzonderlijke profetieën zijn voor Israël en Juda, ons al moeten doen vermoeden, dat er verschil is tussen die twee.
Wij zullen in dit en de volgende hoofdstukken al de bedoelde gedeelten uit het boek Hosea bekijken en wel zo, dat wij de lijn zullen gaan zien in het verloop van de geschiedenis van de tien stammen na hun wegvoering. Geschiedenis is “profetie in demonstratie”. We zullen daarbij ook uit andere delen van de Bijbel aanhalen, vooral uit de profetieën.
Al eerder vermelden wij de drie aspecten van de straf die aan Israël werd voltrokken: verstrooiing, verlating, verstoting. In deze volgorde worden zij genoemd in Hosea 1, naar de drie kinderen die achtereenvolgens geboren werden. De verzen 11 en 12 laten zien dat die drie vloeken eenmaal opgeheven zullen worden. Dat gebeurt in dezelfde volgorde. Eerst komt er een eind aan de verstrooiing, daarna aan de verlating en ten slotte wordt de verstoting ongedaan gemaakt. Met andere woorden: eerst vinden de Israëlstammen weer een vaste woonplaats. Daar gaan zij, nog levend als heidenvolken, onmiskenbaar weer Gods bescherming genieten en vervolgens begint God hen weer als Zijn kinderen aan te nemen. Vanaf het ongedaan maken van de verstrooiing, kunnen we zeggen, is de ballingschap van Israël bezig opgeheven te worden.
De periode van de ballingschap die onmiddellijk volgt op de wegvoering, kunnen wij de tijd van de omzwervingen of migraties noemen. Volgens 2 Kon.17:6 (zie ook 1 Kron. 5:6) werden de tien stammen door de Assyriërs weggevoerd naar Halah en Gozan, aan de rivier de Habor, een zijrivier van de Eufraat, een streek op de grens van het huidige Turkije en het huidige Syrië, en naar Medië, aan de Kaspische Zee, in het huidige Iran (zij werden dus al meteen in twee groepen verdeeld). Maar zij bleven daar niet. In Hosea 8:8 lezen wij dat Israël, de tien stammen, in de gebieden van de heidenvolken zou verzeild raken. Hosea 9:17 preciseert wat het lot van Israël zou zijn en zegt dat Israël zal ‘omzwerven’ onder de heidenvolken, wat wil zeggen van de ene plaats naar de andere gaan (De verwerping van God, waarover het ook gaat in dit vers, zal maar tijdelijk zijn).
Wij moeten ons daarbij kennelijk een ‘trektocht’ voorstellen, want in Hosea 12:10 wordt de tijd die dan aanbreekt voor de tien stammen vergeleken met de woestijnreis onder Mozes. Uit deze tekst kunnen wij ook afleiden, dat het Israël van de tien stammen gedurende zekere tijd weer als een nomadenvolk zou moeten leven. Trouwens ook al eerder in Hosea wordt –als het gaat over de tijd na de wegvoering– herinnerd aan het verblijf in de woestijn aan het begin van Israëls geschiedenis, namelijk in 2:13, waar we zien dat God met de wegvoering van de tien stammen toch een liefdevolle bedoeling had; het woord ‘lokken’ duidt daar op. In Ezechiël 20:35-36 wordt het verblijf van Israël in de ‘woestijn van Egypteland’ gesteld tegenover het verblijf in de ‘woestijn der volken’. Deze laatste woestijn is dus zinnebeeldig bedoeld. In Jeremia 31:2 staat dat Israël na haar wegvoering genade zal vinden ‘in de woestijn’.
Uit het feit dat de uitdrukking ‘de woestijn der volken’ niet alleen in het boek Hosea gevonden wordt, volgt dat het hier niet om een toevallige vergelijking gaat. Het is als het ware een herhaling van de geschiedenis. En er moeten ook overeenkomsten zijn tussen de eerste woestijnreis en de omzwervingen en tochten van het Israël van de tien stammen door de 'woestijn der volken’. Op zijn minst wel één, namelijk dat het niet allemaal op niets uitloopt (Israël lost op in de heidenvolken), maar dat aan het eind van de woestijntijd dit Israël als volk een nieuwe woonplaats, een nieuw Kanaän, zal hebben bereikt! De vraag is dan: Waar hebben wij deze nieuwe woonplaats te zoeken?
Ook hierover vinden wij in het boek Hosea enige aanwijzingen. Wij zullen die onderzoeken in samenhang met wat andere profeten hebben voorzegd.
Om te beginnen moeten wij dan op de merkwaardigheid wijzen, dat God reeds tot David door de profeet Nathan gesproken heeft over een nieuwe woonplaats voor Israël. Dit lezen wij in 2 Samuel 7:10 en 1 Kronieken 17:9: “Ik zal een plaats bepalen voor mijn volk, voor Israël, en het planten …..” (De Statenvertaling geeft hier fout de voltooide tijd!).
Toen Israël in Palestina zekerder leek te wonen dan ooit tevoren en daar haar ‘gouden eeuw’ ingegaan was, sprak God reeds over een nieuwe woonplaats voor het volk! Het zou een plaats zijn waaruit het niet meer verdreven zou worden en waar het niet meer zou worden verdrukt (zoals in Palestina na David en Salomo wel is gebeurd).
Wij zullen thans dit nieuwe land, ‘de bestelde plaats’, met behulp van Schriftgegevens lokaliseren. Wij ontdekken dan het volgende:
a) Dit land moet ten noorden van Palestina gelegen zijn:
Jer.3:12: Het ‘afgekeerde Israël, de tien stammen, woont in het noorden.
Jer.3:18: Israël woont in de eindtijd in het noorden.
Jer.31:8: Israël woont in het land van het noorden.
b) Dit land moet ten westen van Palestina gelegen zijn:
Hosea 12:2: Efraïm volgt de oostenwind, dus trekt westwaarts.
Zie ook: Hosea 13:15 en Jesaja 27:8.
c) Dit land zal aan het einde der aarde (continent) en aan de zee gelegen zijn.
Numeri 24:7: Israël zal aan vele wateren wonen.
Jes.41:9: Israël wordt gegrepen van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken.
Jer. 31:8: “Zie Ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden der aarde” (van het continent).
Hosea 11:10: “Zij zullen achter JHWH aan gaan, als een leeuw zal Hij brullen. Wanneer Hij brult zullen zonen (van Israël) uit het westen (van de zee af) bevend komen.
Als wij al deze gegevens combineren, komen wij tot de conclusie, dat de nieuwe woonplaats van Israël Noord-West-Europa moet zijn. Het zijn deze streken die ook meestal bedoeld worden als er sprake is van de ‘eilanden’ of ‘kustlanden: Engeland, Ierland, IJsland, Nederland, Vlaanderen, West-Duitsland, Noord-Frankrijk en de Scandinavische landen. Vooral in het boek Jesaja worden de volken van deze ‘eilanden der zee’ –wat ook te vertalen is als ‘kustlanden van het westen’– herhaaldelijk genoemd en toegesproken. Weliswaar worden ook nog wel andere gebieden genoemd, waarnaar de Israëlieten getrokken moeten zijn, maar dan schijnt het toch om kleinere groepen te gaan, die hoegenaamd geen deel hebben aan de lotsbestemming van het Israël van de laatste dagen (hier bedoeld in de ruimere zin van de Nieuwe Bedeling).
Daarbij is het mogelijk, dat onder die kleinere groepen ook Joden (van Juda-Israël) begrepen worden, die later ook verstrooid werden. Dit kan bv. het geval zijn in Jesaja 11:11, waar aan het eind van de reeks de ‘eilanden of kustlanden der zee’ genoemd worden. Egypte, Patros (Zuid-Egypte), Ethiopië, Elam (Perzië), Sinear (Chaldea) en Hamat (Syrië) zijn plaatsen waarheen Judeeërs (later genaamd Joden) verstrooid werden. Het gaat in dit gedeelte dan ook over Efraïm èn Juda (zie vers 12 en 13). Er wordt daar van Juda gezegd, dat het naar ‘de vier einden der aarde’ verstrooid zou worden.
Verder moeten wij er rekening mee houden dat na de verzameling van Israël in de eilanden en kustlanden van West-Europa, grote groepen Israëlieten naar andere werelddelen zijn doorgetrokken, naar Noord-Amerika, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw Zeeland. Hierop wordt bv. gedoeld in Jes.49:19-21 (de plaats wordt te eng), in Hosea 2:22a (God zal Israël uitzaaien) en ook reeds in Numeri 24:7 (aan vele wateren zullen zij wonen). Niet altijd zal met de ‘eilanden’ de nieuwe woonplaats van Israël bedoeld worden. Bij de “vergelegen eilanden” (de verre kustlanden) van Jesaja 66:19 zouden wij kunnen denken aan de Indonesische archipel!
Eenmaal in Noord-West-Europa aangekomen, zou Israël zeer machtig worden. Wij konden dit reeds opmaken uit 2 Sam.7:10 (en 1 Kron.17:9). Ook in de profetie van Bileam (Numeri 24:7) komt dit tot uiting. Wij lezen erover in Jesaja 49:22-26 en ook in Jeremia 31:7, waar Israël het ‘hoofd der heidenen’ of ‘hoofd der volkeren’ genoemd wordt. Wij zullen hierbij moeten denken aan de vervulling van de zegen aan Abraham, Izaäk en Jakob, waarvan wij een beschrijving vinden in Hosea 2:20-22. In deze zegen ligt de ‘eerstgeboortezegen’ van Izaäk en Jakob aan Efraïm opgesloten. Deze zegen spreekt over ‘een menigte van volkeren’ (Genesis 48:19). Tot een menigte van volkeren, een gemenebest van volken, zou Efraïm uitgroeien, terwijl tegelijkertijd aan Manasse (de oudste zoon van Jozef) werd beloofd dat hij tot een ‘groot volk’ zou worden. We merken nu reeds op dat de menigte van volkeren die aan Efraïm werd toegezegd (in dit geval aan Efraïm als afzonderlijke stam en dus niet als een pars pro toto voor alle tien stammen) zijn vervulling heeft gekregen in het Britse gemenebest van volken. Het grote volk van Manasse vinden wij terug in de Verenigde Staten van Amerika.
De zegen die aan Abraham werd gegeven, moet worden onderscheiden van de eerstgeboortezegen. Aan Abraham had God al eerder beloofd, dat zijn zaad tot een menigte van volken zou worden (Genesis 17:4-6). De zegen aan Abraham is niet de eerstgeboortezegen en heeft daarom betrekking op alle stammen van Israël: zij zullen allemaal uitgroeien tot volken, terwijl Efraïm krachtens zijn eerstgeboortezegen als enige afzonderlijke stam zelf ook nog eens tot een ‘gemenebest van volken’ zou worden.
We kunnen bij een menigte van volken behalve aan het natuurlijk zaad van Abraham, ook denken aan het geestelijke zaad. Het is mogelijk dat als God de vergelijking maakt ‘het het zand der zee’ Hij het natuurlijk zaad bedoelt, en als Hij spreekt over de ‘sterren des hemels’, verwijst naar het geestelijk nakomelingschap. (zie Genesis 22:17). In Romeinen 4:11-18 worden dan misschien beide soorten genoemd. Wij houden ons bezig met het natuurlijk zaad, waarbij we ook zullen zien dat velen daarvan ook geestelijke kinderen van Abraham zijn geworden.
Het natuurlijk zaad zou tot vele volken worden, die zich vermenigvuldigen en zich hebben verspreid over de gehele aarde. Profetieën als Hosea2:22a en Jesaja 49:19-21 sluiten aan bij de beloften die God gedaan heeft aan de aartsvaders.
Tot hiertoe hebben wij de Bijbel laten spreken. De vraag is nu of de trek van Israël vanuit haar eerste ballingschapoord naar Noordwest Europa, zoals in de profetie van de Bijbel is beschreven, ook bevestigd wordt door de geschiedenis. Is het werkelijk zo gebeurd?
In de Assyrische spijkerschrift inscripties, waarin ook de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen wordt vermeld, wordt het tienstammenrijk Israël niet Israël genoemd, maar Bit Humria en de Israëlieten Khumri, wat later vervormd is tot Cimiri (zie ook wat er staat op bladzijde 86 over Gomer, de naam van Hosea’s vrouw). Deze naamgeving is illustratief voor wat het voor Israël betekende niet meer Gods volk te zijn. (Lo-Ammi, Hosea 1:9). Voor de omliggende volken heette het tienstammenrijk al sinds lang niet eens Israël meer. Bit Humria is afgeleid van Beth-Omri (=Huis van Omri) en Omri, de vader van de goddeloze Achab, was de koning die de staatsinrichting en de wetgeving van Israël op een heidense, wereldse leest schoeide (zie Micha 6:16). De Mozaïsche wet werd opzij geschoven. Israël was in alle opzichten een heidens volk geworden. Alleen de Bijbelschrijvers bleven het volk nog Israël noemen, maar bij de omringende volken was dit Israël sinds de revolutie van Omri bekend als het Huis of het land van Omri. Onder de naam Khumri of Cimiri hebben de Israëlieten na hun wegvoering ruim honderd jaar in de twee genoemde streken gewoond, gebieden die eveneens door de Assyriërs waren geannexeerd.
Toen kwam de val van Ninevé in 612 v.Chr. en daarmee het einde van het Assyrische rijk. In de verwarring die toen ontstond, schijnt het deel van de Israëlieten dat woonde aan de rivier Habor dit land in noordwestelijke richting te hebben verlaten.
Dit wegtrekken wordt beschreven in het apocriefe boek 4 Ezra 13:40-46. Zij zijn ‘getogen door de enge ingangen van de rivier Eufraat naar het land Assareth of Arsareth, lezen we daar. Waarschijnlijk heeft op dit gebeuren de profetie van Micha 2:13 betrekking. De hiergenoemde ‘doorbreker’ moeten de Babyloniërs
samen met de Mediërs en de Scythen) zijn geweest, die Nineveh innamen en verwoestten. De ‘poort’, in de eerste plaats een figuurlijke aanduiding voor de ‘weg der bevrijding’ voor de tien stammen (die toen bekend stonden als de Cimiri), is ook letterlijk op te vatten, namelijk als verwijzing naar de ‘enge ingangen van de Eufraat’, de nauwe delen waar de Eufraat ontspringt. Volgens een andere profetie, Nahum 2:2, zou met de val van Ninevé de verlossing van Israël beginnen.
Een gedeelte van de Israëlieten die aan de Habor woonden, was trouwens al eerder uit die streek vertrokken. De Assyrische inscripties maken melding van een opstand van de Gimira (Cimiri) in 679 v.Chr. onder leiding van een zekere Teuspa. En uit Griekse bronnen weten wij, dat groepen van dezelfde naam in diezelfde tijd in Klein-Azië (het tegenwoordige Turkije) binnendringen. Naar hun Griekse naam worden zij Cimmeriërs genoemd.
Zoals wij uit het apocriefe boek 4 Ezra weten, trokken de Israëlieten (als Cimiri of Cimmeriërs) naar het land Arsareth. Het is vrijwel zeker, dat dit een gebied is in het huidige Roemenië, waar een rivier stroomt die nog altijd de naam Siret of Seret draagt (een zijrivier van de Donau). Ar-sereth betekent ‘gebergte van de Sereth’. Vanuit het gebied van de Sereth zijn zij vervolgens omstreeks 500 v.Chr. verder westwaarts getrokken om in West-Europa te verschijnen als Kimbren (in meer noordelijke streken, zoals Noord-Duitsland) en als Kelten (in meer zuidelijke streken, zoals Zuid-Duitsland en Frankrijk. Groepen Kimbren en Kelten staken ook over naar Engeland en Ierland.
Behalve deze Israëlieten zijn er ook andere groepen naar West-Europa getrokken. De Israëlieten die in de steden der Meden woonden zijn na de ondergang van Assyrië als Scythen langs verschillende wegen Zuid-Rusland binnengevallen. De naam Scyth betekent zoiets als ‘zwerver’ of ‘tentbewoner’. Het Hebreeuwse woord ‘sukkoth’ of –zonder klinkers– ‘skth’ betekent ‘tent’. In Hosea 12:10 sprak God tot Israël: “Ik zal u weer doen wonen in tenten”. Later laten deze Scythen ook nog van zich spreken als Gothen. Verder is een aantal Germaanse stammen, zoals de Angelen, de Saksen, de Schotten, de Juten en anderen ook van deze Scythen afkomstig.
Een verhaal apart vormen de zogenaamde ‘zeemigraties’ van de Israëlieten die al voor de ballingschap aanvingen, waarschijnlijk reeds tijdens Israëls verblijf in Egypte. Uit de volkstellingen in de woestijn kunnen wij afleiden, dat een groot deel van de stam Simeon in die tijd is ‘verdwenen’ (Vergelijk Numeri 1:23 met 26:14). Door de Middellandse Zee, via Griekenland en Spanje, kwamen groepen Israëlieten, onder anderen Iberiërs, naar Ierland. Op de kaart van de omzwervingen vindt u de verschillende hier beschreven trektochten aangegeven.
Uit dit beknopte overzicht kan duidelijk zijn geworden dat de geschiedenis de Bijbelse profetieën aangaande noordwestwaartse trek van Israël bevestigt en dat gesteld mag worden, dat het oude Efraïm-Israël voortleeft in de Angelsaksische en Keltische volkeren rondom de Noordzee, waaronder Nederland, en hun broedervolken elders in de wereld (in Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika).
Een groot aantal andere profetieën zal ‘tot leven’ komen, waaronder de zegeningen voor de afzonderlijke stammen, uitgesproken door Jakob en Mozes. Ons inzicht in de heilsgeschiedenis zal worden verdiept, als wij de Israël-identiteit van deze volken voor waar aannemen.
Wordt vervolgd
Diep geworteld (5)
Onze herkomst wijst op onze toekomst
Laten wij eens kijken waar wij vandaan komen
door Pieter Botha
Laten we eens bij Griekenland stilstaan
Wat is er men Dan gebeurd? De eerste stam op zijn trektocht door Europa. Dan en de stam Simeon zaten in het Zuidwesten van Palestina tegen de kust aan en ten Noorden van hen lagen Juda en Benjamin. De Danieten waren afgesneden van de rest van hun stamgenoten. Men kan in Richteren 18 lezen, dat Dan een ander stuk land is gaan zoeken, om daar te wonen en zo zien wij dat hij naar Sidon is gegaan en daar voor zichzelf een nieuw tehuis heeft gemaakt, (dat wordt nog steeds gezien als Foenicië) in de plaats Laïs, die ze verwoestten en weer opbouwden onder de naam Dan. Ze zaten nog steeds aan de kust, maar meer noordwaarts. Daar vandaan hebben de Danieten zich stelselmatig verder noordwaarts bewogen en uiteindelijk zijn ze aangekomen in de Dardanellen. Opvallend is de weg van Dan, we sporen hen op door de naam van hun stam. Donau, Dan ieper (Dnjepr) Dan-wine, Don en Donets (rivieren in Oost Europa), Danzig, Danmark (grensplaats van Dan) (Denemarken), geven aanwijzingen. Overigens verlieten veel Denen, Danmark. Wij komen hen later tegen als Noormannen in Normandië.
Niet iedereen van Dan is uit Palestina vertrokken, alleen een groep avonturiers. Een groot gedeelte is overgebleven. Die zijn later ook weer in ballingschap weggevoerd. Dus alleen een vertegenwoordigend deel van Dan is eerder vertrokken en hun sporen hebben wij hier genoemd.
We zullen nu stilstaan bij de geschiedenis van Engeland en wat later bij Ierland. Ook hier spelen de Danieten een grote rol. In het jaar 1001 voor v. Chr. heeft Brutus van Troje, zijn reis naar Brittannië en zijn geschiedenis haarfijn opgeschreven. Brutus is de eerste Hebreeuwse Foeniciër, die voet aan wal zette in Albion, een wit eiland dat later bekend werd als Engeland.
Wie was Brutus? We kijken eerst naar zijn naam: Brutus . In het Foenicisch bestaan geen klinkers Brutus zal gespeld worden op de volgende manier: Br=ts, = verbond, ook in het Hebreeuws. Brt/ain = verbondsland. En Brutus betekent >man van het verbond=
Waar men ook goed op moet is letten is het volgende: Brts, kan ook geschreven worden als: Prt omdat beide letters omgewisseld kunnen worden. Dit komt omdat de taalwetenschap pas in de afgelopen "300 jaar verfijnd is geworden. Daarvoor waren er geen duidelijke taalregels, men schreef zoals men sprak.
Brutus van Troje, waar komt hij vandaan? Bedenk, we hebben het nog steeds over de geschiedenis van vóór de ballingschappen. Hij komt uit Juda, zijn stam. Want Juda heeft een buitenechtelijk verhouding gehad met een meisje met de naam Tamar, zijn schoondochter en uit deze verbintenis is een tweeling geboren, Zerach en Peres en de vroedvrouw gebruikte een rood scharlaken draad, om de eerstgeborene mee aan te duiden. Wie stak als eerste zijn hand naar buiten? Zerach, en hij krijgt dit rode lint om zijn pols. Maar Peres werd als eerste geboren.
Genesis 38:27-30.
AToen het nu de tijd was, dat zij baren zou, was er een tweeling in haar schoot. En toen zij baarde, stak er een zijn hand uit, en de vroedvrouw nam die, bond om zijn hand een scharlaken draad en zeide: Deze is het eerst gekomen. En toen hij zijn hand weer introk, daar kwam zijn broeder, en zij zeide: Hoe krachtig zijt gij doorgebroken, en zij gaf hem de naam Peres. En daarna kwam zijn broeder aan wiens hand de scharlaken draad was, en men noemde hem Zerach.@
Dus volgens de wet is Peres als eerstgeborene aangewezen en wat doet het Woord? Het laat de Zerach lijn vallen en vertelt ons alleen de Peres lijn, waaruit uiteindelijk David geboren zal worden en Jezus de Messias.
Wat wordt er van Juda gezegd? Hij zal altijd de koninklijk scepter dragen. En de Israël volken van een vorstenhuis voorzien.
Nu kijken we weer naar Zerach, die ook groot zal worden, waaruit ook verschillende koningshuizen voort zullen komen, maar de koningslijn van Jezus komt uit Peres.
Zerach had vijf zonen: Zimri, Ehan, Heman, Kalkol en Dera (of Dara). Darda wordt door Josephus genoemd. Darda, Dardanus. Deze werd ook genoemd: Darius, Tarius, hij was de stichter van Troje in het jaar 1520 v. Chr. dus voor Israëls exodus, want deze vond plaats in 1486 v. Chr. En Darda uit de Zerach lijn, heeft voor de exodus Troje gesticht.
Wat wil ons dat zeggen? Dat die mensen in Egypte ook niet stil zijn gaan zitten, uit hen zijn er ook heel wat gaan reizen. Zij hebben zich elders gevestigd, uiteindelijk vinden wij koning Priham en zijn zoon was Troes, Aenias en zijn kleizoon was Brutus.
Brutus de achterkleinzoon van Dardanus, woonde in Troje, totdat Troje ten val kwam. Toen moest Brutus met zijn vader en grootvader vluchten en waar gingen zij heen? Naar hun familie in Italië, de Etrusken, waar zij zijn gaan wonen. Om het verhaal kort te houden het volgende: Brutus schiet tijdens een jachtpartij per ongeluk iemand dood en moet dan vluchten en waarheen vlucht hij? Terug naar Troje. En hij vindt zijn volk nog steeds onderdrukt door de Grieken. De koning van de Grieken was Vandarsus. Brutus was de man die Troje bevrijdde van de overheersing door de Grieken. Brutus verslaat Koning Vandarsus, maar deze wordt niet gedood op voorwaarde, dat hij het Trojaanse volk zal laten vertrekken en Brutus eist 324 schepen vol met alles wat zijn volk nodig had, om te overleven. Hij verlaat Troje en vaart dan later door de pilaren van Hercules, maar hij zet eerst voet in het Hebreeuwse deel van Spanje, waar hij Cornia een volksgenoot ontmoet, die besluit met zijn volk met Brutus verder te trekken. En zij komen aan in Totnes, in het Oosten van Engeland. Cornia en zijn mensen staan later bekend als die van Cornwall.
Toen Brutus daar aankwam, waren er al mensen aanwezig, zij waren dus niet de eersten, hun geschiedschrijvers spreken van gevechten, die zij daar geleverd hebben met reuzen, deze zijn voortkomen uit de nalatenschap van Jawan en tegen deze Jawanieten heeft Brutus gevochten. Hij heeft ze verslagen. En in de hoofdstad van de Jawanieten sticht Brutus zijn hoofdstad, die later bekend zou worden als Londen. U ziet hoe de Danieten onder leiding van Brutus de Trojaan, hun weg hebben gevonden tot in Engeland. Dit is erg interessant!
We zien dat in de tijd van de Assyrische inval in Israël, er een groep Danieten wegvluchtte, noordwaarts naar de eilanden, zoals Cyprus en andere eilanden en daar vinden we een man die hen verder wegvoerde, rechtstreeks naar Ierland. Deze Danieten komen in Ierland en treffen daar de Furiëns aan, een bloeddorstig groep van mensen en dit volk komt uit het land van de Farao. De geschiedschrijvers zijn het er over eens, dat zij Efraïmieten waren, die ook voor de exodus uit Egypte vertrokken waren en zich vestigden in Ierland. Nu hebben we mensen uit de stam Dan en uit Efraïm.
Deze werden aangevuld met Judeeërs, die op hun beurt ook weer voor de Assyriërs gevlucht waren, waar zij als eersten landden op de Miliete eilanden. Cadilius, de Judeeër, vertrekt met een grote groep van dat eiland en gaat naar het Noorden van Spanje, waar zij enige jaren verblijven, maar later gaan zij verder naar Ierland, waar de drie stammen elkaar ontmoeten. Dit geschiedt in 600 v.Chr. Delen van Dan, Efraïm en Juda, zij waren maar een vertegenwoordigend gedeelte. In het Zuiden van Ierland woonde een gemengde gemeenschap van Chamieten en Jafethieten en dit is zo tot aan vandaag.
Dus de groepen in het Zuiden van Ierland zijn onzuiver, maar de in het Noorden levende groepen bestaan uit zuivere Israëlieten. Deze Noord-Ieren stonden toen bekend als de Kelten. De naam Kelten kan men terugvoeren naar Chaldeeën en zo komen we weer terug bij de voorgeschiedenis van de Foeniciërs. Hier begint de Keltische geschiedenis van Europa. Komende uit Efraïm en Juda.
De Keltische geschiedenis in een notendop
Ondanks het feit, dat er verschillende historici zijn en waren, die een geheel andere theorie opgebouwd hebben, is nog steeds de gangbare mening, dat het oorsprongsgebied van de Kelten Midden Duitsland en Oost Frankrijk is. Een stelling, die echter nooit bewezen is en gemakshalve maar door velen overgenomen wordt.
Toch lijkt het me een vreemde zaak, dat een volk als de Kelten met zo n typische en unieke cultuur, zomaar uit het >niets= ergens in Midden Europa ontstaat.
In ieder geval is er voor het eerst echt sprake van de Kelten in ongeveer 700 v. Chr. in Oostenrijk met hun belangrijke cultuurcentrum Hallstatt. De naar dit plaatsje in het Salzkammergut genoemde Hallstatt cultuur (700-500 v.Chr.), kenmerkt zich door twee belangbelangrijke industrievormen: zoutmijnbouw en ijzerverwerking.
Verder leefde men hoofdzakelijk van de akkerbouw en de veeteelt.
Typisch voor deze periode zijn ook de tamelijk lange ijzeren zwaarden.
Door genoemde industrieën, ontwikkelden zich al spoedig een sociale differentiatie van de bevolking: boeren, ambachtslieden, mijnwerkers, handelaars, etc. Typisch is ook de dodencultus. De doden werden onder grafheuvels op een wagen bijgezet. De vorstengraven zijn vaak extra uitgerust met prachtige voorwerpen, zoals de bekende vaas, die gevonden is in Mont Lassoix Vix in Frankrijk. Het hoogtepunt van de Keltische expansie vond echter tijdens de LaTène-periode plaats. Deze La Tène cultuur genoemd naar een belangrijke vindplaats in Zwitserland, was van ongeveer 450 v.Chr. tot het jaar een en heeft zich ontwikkeld uit de Hallstatt-cultuur. De La Tène periode wordt meestal onderverdeeld in drie tijdvakken.
1. 450 - 300 v.Chr.
2. 300 - 150 v.Chr.
3. 150 - begin van onze jaartelling
Typisch voor deze periode is de halsring, de >torques=
Tijdens de eerste periode (450-300 v.Chr.) stonden de Kelten op het toppunt van hun macht. Hun gebied strekte zich van Ierland tot Klein-Azië uit. Men moet zich dit grote Keltische rijk niet voorstellen als een hechte militaire eenheid. Het kan beter vergeleken worden met een soort stammenbond. Het enige wat hen samenbond was de religie en de taal. Slechts in tijden van gevaar was er enige militaire samenwerking.
Beide culturen zijn culturen uit de ijzertijd. Als de klassieke schrijvers, vooral Caesar, Tacitus en Plinus de Oudere over de Kelten gaan schrijven, zijn de Kelten al lang niet meer op het toppunt van hun macht.
Vanaf de 5de eeuw v.Chr. deden de Germanen zich gelden in Midden Europa en de Kelten in Zuid Duitsland werden verdreven naar het Iberisch Schiereiland. Hier vermengden ze zich met de Iberiërs tot de Keltiberiërs.
In de 5de en 4de eeuw begonnen ook de Keltische invallen in Italië, waarbij ze in 390 v.Chr. het Capitool in Rome veroverden. Na betaling van losgeld door de Romeinen, trokken de Kelten zich terug. Ze werden teruggedreven tot de Povlakte, waar ze zich vestigden (Gallia Cisalpina).
Andere Keltische stammen hadden zich ten Oosten van de Adriatische Zee gevestigd, waaruit ze verder naar de Balkan trokken en een verbond sloten met Alexander de Grote. Vandaar trokken ze naar Klein Azië, waar ze het rijk der Galaten stichtten (3de eeuw v. Chr.). Hun afstammelingen zijn bekend door de brief van de apostel Paulus aan de Galaten (±50 na Chr.) Ook Rome en Carthago gingen druk uitoefenen op de Kelten.
Na 200 v.Chr. deden de Romeinen zich gelden in zuidoost Frankrijk en in die tijd onderwierp Hannibal Spanje.
Een van de laatste stuiptrekkingen van het grote Keltische Rijk was de ABello Gallico@ (58-50 v.Chr.), waarin Caesar tenslotte geheel Gallië en Brittannië (behalve Schotland) veroverde. Ierland werd niet geromaniseerd en hier bleef de Keltische cultuur ook het langst bewaard.
Nu komen we bij het ballingschaptijdperk
Belangrijk om te weten is: duizenden Israëlieten verlieten hun land vóór de ballingschappen als gevolg van de bevolkingsaanwas in het te kleine Palestina en later vluchtten zij voor Assyrië en Babylon. Maar het is ook zo, dat het natuurlijke gebeuren van een volk, het fysische gebeuren, het gevolg is van het geestelijk afstand doen van God, want geestelijk verval van Israël wekt volken en natiën tegen Israël op, om Zijn volk tot de orde te roepen. Ons volk staat momenteel ook onder zo=n straf, dat is te zien aan de overstroming door vreemdelingen. Zo heeft God destijds Tiglath Pilezer van de Assyriërs en daarna Salmanesér en Sanherib van Babylon, twee grote rijken opgeroepen als instrument in Zijn hand, om Israël tot de orde te roepen.
Tiglath Pilezer begon in 745 v.Chr. met de inname van Palestina en het wegvoeren van het tien stammenrijk naar Assyrië , dit proces is later voort gezet door Salmaneser en door Sargon II, zodat het gehele Noordelijke Rijk uit Palestina verwijderd was. Waar werden zij heengebracht? Lees 2 Koningen 17:6.
AIn het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden.@
Hoe werden zij genoemd na hun wegvoering? Niet met de naam Israël, maar met de naam van Israëls goddeloze koning Omri. Beth-Omri, Bit Humria. Bit-Kumri, dat is: het huis van Omri. De naam Israël heeft opgehouden te bestaan voor het volk der tien stammen. Het is geworden tot Lo-Ammi: niet meer Mijn volk. (Hosea 1:9).
In de dagen, waarin Israël nog in Palestina woonde, droeg het reeds verschillende namen. Het was o.m. bekend onder de namen: huis van Izaäk (Amos 7:16) en huis van Omri. Izaäk was de naam, vóór de geboorte van Izaäk gegeven, als naam van de nakomelingschap, waarin het Verbond zou worden bevestigd. Omri was Israëls koning, die de Ainzettingen van Omri@ in de plaats stelde van de Wetten van Mozes (Micha 6:16). Omri was de stichter van Samaria, de hoofdstad van het noordelijke koninkrijk Israël, dat der tien stammen, het huis Israël.
Wat van groot belang blijft is het volgende: hoewel Israël zwaar gezondigd heeft en daarom is weggevoerd, is er aan hun genen niets veranderd en ook aan Gods beloften aan Abraham, Isaäk en Jakob wordt door God niet getornd. Want ook tijdens hun ballingschap, hebben zij zich, waar zij terecht kwamen weer opgewerkt tot een leidersvolk en hun stempel op die samenleving gedrukt, want dat zit in hun Goddelijke genen. Zo zijn die verbannen Israëlieten niet lang in Medië gebleven, ze spanden samen met de Babyloniërs tegen hun gezamenlijke overheerser de Assyriërs. En het lukte hen samen om dit rijk omver te werpen, ze verwoestten Ninevé en dan komt er een prachtig gedeelte. God wekt volken op, om zijn volk tot de orde te roepen, maar dan gebruikt God Zijn volk als een oorlogshamer, om dat volk weer te verslaan. Het boek Daniël geeft daar een mooie opsomming van in het beeld dat aan Daniël getoond word.
We mogen wel even in herinnering brengen hoe Nebukadnezar, koning van Babylon, in een droom een groot beeld zag, dat door de profeet Daniël (hfdst. 2) wordt beschreven als hebbend een hoofd van goud, zijn borst en armen van zilver, zijn buik en dijen van koper, zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer, deels van leem. Verder lezen wij in Daniël 2 dat er zonder mensenhanden een steen werd afgehouwen die dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem sloeg en het beeld vermaalde.
De door Daniël aan Nebukadnezar gegeven uitlegging geeft aan, dat Nebukadnezar, koning van het Babylonische Rijk, dat gouden hoofd is. Na hem zullen er achtereenvolgens drie rijken komen en ten onder gaan. Men is het er in het algemeen over eens, dat het tweede Rijk het Medo Perzische Rijk en het derde het Grieks Macedonische Rijk is, terwijl de historie aanwijst, dat met het vierde Rijk het Romeinse Rijk is bedoeld. Met het uitleggen van deze droom wordt aangetoond hoe dit zal uitgevoerd worden door vier Rijken. Tot de tijd van het einde van de wereldheerschappij, die berust op het Babelsysteem van wetten, die gegrond zijn op geweld. Maar dan zegt Daniëls uitlegging verder in Daniël 2:44.
AMaar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid@.
Dit Koninkrijk is o.i. de Azonder Mensenhanden afgehouwen steen@, het stenen Koninkrijk, het vijfde Koninkrijk, Israël. God heeft zijn strijdhamer Israël al lang in gebruik gehad, zoals we later zullen zien.
In de omgeving van het Pamierplato vinden wij de Scythen, die waren oorspronkelijk afkomstig uit verschillende volken, zoals de Tiranische, Mongoolse, Jafetitische en Chamitische volken. Zij met elkaar vormden het Scythische volk, een behoorlijk door elkaar gemengde menigte. Zij domineerden dit gebied. Toen de leden van het Huis van Isaäk, die achtergebleven waren en later nadat de andere stammen op weg waren, kwamen zij naar het Pamierplato. Daar mengden zij zich onder de Scythen en weer zien wij dat zij het leiderschap overnamen en die volken als slaven werden gebruikt. Later werden de verloren stammen onder de Scythen gerangschikt.
Hier volgt een aanhaling van de bekende geschiedschrijver Herodotus, die spreekt van de tijd, waarin Ezra de tocht naar Arsareth maakt. ADe Scythen trokken op van voorbij de Eufraat over de Armenische rivier de Araxes@.
Het verhaal door Herodotus van de migratie is gegeven, is derhalve identiek aan dat van Ezra. De Behistun‑inscriptie noemt hen in de Perzische en Susische vormen van AIsraël@, de Scythen. Hoewel met Scythen niet uitsluitend Israël is bedoeld, daar deze naam is gegeven aan verschillende zwervende volken in West Azië en Oost Europa, is op de rots van Behistun ongetwijfeld AIsraël@ bedoeld.
Herodotus zegt verder dat de Scythen, dus Israël, na over de Araxes te zijn getrokken in Zuid Rusland aankwamen, dat naar hen AScythië@ werd genoemd. Deze opmars moest leiden door de passen van de Kaukasus en een deel stak over naar het schiereiland ADe Krim@, waar zij lange tijd verbleven en hun naam aan dit schiereiland gaven. Zij waren bekend onder de naam Khumri (zie Omri), bij oude Griekse en Latijnse schrijvers aangeduid als Kumroi, Cumri, Cimry, Cimmeri, Cambri, en andere varianten. Vandaar de ACimmerische Zee@, een oude naam van de Zwarte Zee en de Krim. Herodotus zegt van hen dat de Khumry of Kumry die in zijn dagen op het Cimmerische schiereiland woonden Awaren gekomen van Medië, doch dat dit laatste land niet het land van hun geboorte was@.
De naam Scythen kan terug vertaald worden als Ade gevangene van Isaäk@of Ade ontsnapte van Isaäk@. Dus in het kielzog van Israël trokken vreemden mee, deels om te werken, deels om bescherming, vandaar de verzamelnaam Scythen. Later kwamen zij in klein Azië, waar de Danieten verbleven, na eerst nog oorlog gevoerd te hebben met de oorspronkelijke bevolking..
De Parthen
De naam Parthen is belangrijk: het is zoals bij Brts(= verbond), waarmee men hetzelfde kan toepassen, zodat de naam Parthen ook kan luiden als Amensen van het verbond@. Na de Mediërs, zijn dit de mensen die de opstand in Assyrië begonnen en daar hebben overwonnen.
De Parthen trokken, onmiddellijk op tegen de Perzen, weer werd Gods Volk als strijdhamer gebruikt om de vijanden van Israël te vernietigen. 301 v.Chr. vernietigden de Parthen het Perzische rijk. Daarna trokken zij noordoostwaarts, tot achter de Aral, waar zij de Massageten stichtten. Hun naam betekent: roemrijke zwervers, hier komen we weer bij de zwervers-gedachten.
Massageten of ook wel Getae genoemd, vestigden zich in het Aral gebied. Hun embleem of wapenschild was een stier. En Efraïm had dit als wapen. Dus de hoofdstam der Massageten werd gevormd door Efraïmieten. Stier in het Hebreeuws betekent ook engel of éénhoorn. Zij komen via Rusland en dwars door Europa in Engeland terecht en staan dan bekend als Angelen/engelen. Zij hebben ook bekend gestaan als Sacae en een andere naam die weer is van afgeleid is Teutonen. De Saksers en de Gothen behoren tot dezelfde familie, deze zijn afstammelingen van het Huis van Isaäk. Nu hebben we ze allemaal bij elkaar: eerst de Scythen = Sacae, die zich later als Gothen vestigden en de weggedreven Cimmerians, die weer als Kelten bekend gestaan hebben. Maar vlak voor de aankomst van de Angelen gebeurt er iets wonderlijks: een groep Judeeërs uit Babylon zijn ook bevrijd en zijn als een kleine groep teruggekeerd naar Palestina. Voor de geschiedschrijver uit die tijd waren zij de laagst geplaatsten van Juda, die terug gekeerd zijn. Zij zijn later sterk verbasterd met de Edomieten, waar het moderne jodendom uit is voortgekomen.
Teutonen en Kelten
Wij gaan nu weer terug naar de plaats waar we het volk Israël als hoofdmoot achterlieten, namelijk de Kaukasus pas tussen de Zwarte en de Kaspische Zee. Daar staat de wieg van onze Europese naties. De naar het Westen trekkende Israëlieten, duiken dan in de geschiedenis op als het Arische of Indo Europese ras. Op deze Indo Europese stam groeien twee takken: de Kelten en de Teutonen.
De Kelten waren de eersten die zich afscheidden om een eigen rijk te vestigen. Zij bezetten Zuidwest Europa van Noord Spanje tot de rivier de Rijn en over het Kanaal tot de Britse eilanden.
De Teutoonse ofwel Germaanse tak, zo door de Kelten genoemd, trok niet direct naar Centraal Europa, maar naar wat wij nu kennen als de Scandinavische landen. Hoe lang zij daar verbleven, weten wij niet. In ieder geval splitste deze Teutoonse tak zich weer. Een klein deel bleef in Scandinavië en het grootste deel begon zijn lange trektocht naar Centraal Europa, waar zij in de vierde eeuw voor Christus verschenen. Nadat zij hun broeders, de Kelten, Zuid- en Westwaarts hadden verdreven, bleven zij daar eindelijk wonen en vertakten zich daar in de volkeren zoals wij die nu kennen.
Duitsland werd het hart en de spil van Europa. De andere Teutoonse volken leven daar omheen, o.a. in delen van Hongarije, Italië, Spanje, Frankrijk, Zwitserland, België, Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland en de Britse eilanden. Miljoenen Duitsers leven in Oost Europa, waarvan velen in Rusland. Hun voorouders trokken een eeuw geleden daarheen. Ook mogen wij de USA, Canada, Australië, Nieuw Zeeland en Zuid Afrika niet vergeten. Al deze volken behoren tot het Teutoons-Keltische volk. De talen die deze volken spreken, hebben eenzelfde grammaticale structuur en een groot aantal woorden is afgeleid van dezelfde stam. Een duidelijk verschil met de buiten Europese talen. De op deze wijze geïdentificeerde volken, hebben de belangrijkste rol gespeeld in de hele menselijke geschiedenis.
Slot volgt
VERDER KIJKEN DAN DE NEUS LANG IS
door
B.Vermaat
AWelzalig is de men die wijsheid vindt en de mens die het begrip verkrijgt@ Spreuken 3:13
Als we onze Bijbel bestuderen zullen we dikwijls een passage of een vers tegenkomen dat op het eerste gezicht nogal verwarrend is wat betreft de betekenis of wat de schrijver probeerde mede te delen. Het is mijn eigen ervaring op zulke momenten om wat verder te graven in het Woord met behulp van verschillende vertalingen en in geval van het Nieuwe Testament het gebruik van de Emphatic Diaglott, die een woord-voor-woord-vertaling van de originele Griekse tekst in het Engels is. Ofschoon de KJV/NBG mijn persoonlijke voorkeur heeft, beschouw ik die niet als onfeilbaar in zijn vertaling en bij het lezen van andere vertalingen zijn veel vragen betreffende Gods Woord opgehelderd.
Dit alles gezegd hebbend, zou ik nu willen kijken naar Handelingen der Apostelen 17:22-31 en in het bijzonder naar vers 26:
AEn Paulus, voor de Areopagus staande, zeide: Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt; want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: AAN EEN ONBEKENDE GOD. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u. De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit één bloed alle naties der mensen gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht. Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht. God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen, overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man (Jezus), die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken@.
Het woord >geslacht= zoals gebruikt in de verzen 28 en 29 is van het Griekse woord >genos=, waarmee >ras= bedoeld wordt. Dit verwijst naar het scheppingswerk van God toen Hij de mens maakte naar zijn gelijkenis. Gen.1:26-27
Dat brengt mij dan naar het 26ste vers van Handelingen 17, mijn voornaamste argument van deze tekst. Als wij het eerste gedeelte van het vers lezen, namelijk: ... “ Hij heeft uit één bloed het gehele menselijke geslacht gemaakt...@ krijgen wij de indruk dat Paulus hier zegt dat in feite alle mensen van Adam afstammen, een gedachte die de hoofdstroom in het christendom nog altijd aanhangt. Toch, ondanks wat Genesis 1:26 en Genesis 2:5-7 betreft, geloven velen tegenwoordig dat er pre-Adamitische mensen hebben bestaan. Als dit het geval is, hoe zou de verklaring van één bloed op alle rassen van toepassing kunnen zijn?
Een ander argument is dat na de vloed alle rassen door Noach en zijn zonen zijn ontstaan. De Bijbel verklaart: KJV- AThese are the generations of Noah. Noah was a just man, and perfect in his generations@; NBG - ADit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man@; Friese Vert. - ADit is Noächs skiednis. Noäch wier in riuchtfeardich, opriucht man yn syn slachten@.
De Bijbel zegt dus dat Noach volmaakt was in zijn generaties, wat betekent dat hij van puur Adamitisch bloed was.
In Genesis 11, beginnend bij vers 10, vinden we de generaties van Noachs zoon Sem uit wie de Hebreeën voortkwamen en daaruit volgend de Kaukasische volken. Dat zou betekenen dat uit de twee andere zonen, Cham en Jafet, alle andere rassen voortkwamen. Als wij akkoord gaan met deze redenering, dan moeten wij in feite geloven in evolutie eerder dan in schepping, want als zonen van Noach waren Cham en Jafet ook van onvervalst Adamitisch bloed. Dus de idee dat alle rassen uit één geslacht voortkomen schijnt niet te kloppen.
Laten we nu een opnieuw kijken naar de hele passage die ik citeerde aan het begin van dit artikel. Paulus spreekt hier tegen de Grieken, die overigens afstamden van de verstrooide en in afgoderij vervallen Israëlieten, die talrijke goden dienden. Hij leerde de Grieken dat er maar één God is, de Schepper van hemel en aarde en van de hele mensheid. Volgens informatie die ik in mijn bezit heb, komt het woord >bloed=, zoals gevonden in vers 26, in de meeste manuscripten niet voor. Dus als we het woord >bloed= eruit laten, zoals dat het geval is in de Ferrar Fenton vertaling en ook in de Emphatic Diaglott en de NBG, ontdekken we een totaal andere kant van dit vers 26. Ferrar Fenton zegt: AOmdat hij door Eén ieder ras van mensen maakte@. In de Diaglott lezen wij: AEn maakte uit Eén iedere natie van mensen@. In beide gevallen wordt het woord >één= met een hoofdletter geschreven, wat op God wijst. In het Grieks zijn deze woorden verwisselbaar, gebruikt als logische conclusie, dus in de grond betekenen en zeggen ze hetzelfde.
Dit brengt mij naar de >Ene= en daarvoor gaan we naar het Evangelie naar Johannes, waar we lezen:
AIn den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is@. Johannes 1:1-3
Wij weten allemaal dat het vleesgeworden Woord niemand anders is dan Jezus Christus. Als we met dit in gedachten naar vers 26 kijken, is het duidelijk dat Paulus bedoelde dat alle naties waren gemaakt door Eén, die niemand anders is dan JHWH, de God in het Oude Testament, of Jezus Christus in het Nieuwe Testament, want zij zijn een en dezelfde.
Mocht u de bewuste tekst verwarrend gevonden hebben dan hoop ik dat deze kleine verhandeling u een groter begrip heeft bijgebracht van Handelingen 17:26. Zoals Paulus zegt in I Thessalonicenzen 5:21 -
A...toetst alles en behoudt het goede@
Uit: Thy Kingdom Come
vert/toev. Tj.Wijsman-Everaarts
De Arabische volken in profetisch licht
door J. den Admirant
Dit onderwerp is fundamenteel vanaf het allereerste moment van haar bestaan, en in toenemende mate actueel. De hoofdgedachte is, dat de Arabische volken niet dienen benaderd te worden vanuit de islam, maar vanuit hun nationale identiteit, vanuit hun wortels dus. En die liggen in de tent van Abraham. Daarom gaan we in vogelvlucht de profetische lijn van de Schriften door met betrekking tot de Arabische volken. (1).
Vervolgens worden, op basis van de Schriftgegevens, een aantal handvaten gegeven om een nederige, en liefdevolle ontmoeting met Arabieren te bevorderen. (2) Tenslotte zullen wij zien, welk totaal ander licht de profetie werpt op de toekomst van Israël en de volken. En hoe grondig onze stellingneming in dezen wellicht dient veranderd te worden.(3)
1. Profetisch licht op de Arabische volken
Net als voor het juiste zicht op Israël en Juda in samenhang met de andere volken, dienen wij ook wat de Arabische volken betreft te rade te gaan bij de bron: het boek Genesis!
Genesis als uitgangspunt
De Arabische volken zijn grotendeels nakomelingen van de twaalf zonen van Ismaël (Genesis 25:12-18), en de zes zonen van Ketura (Genesis 25:1-5). Al deze nakomelingen waren natuurlijke nazaten van Abraham. Ismaël, dé stamvader van de Arabische volken, was een zoon van Abraham en Hagar, en Ketura was de latere vrouw van Abraham, na de dood van Sara. Hun gezamenlijke nazaten vormen in hoofdzaak de Arabische volken, waarbij Ismaël en diens zonen de toon aangeven. De oorspronkelijke titel van het uitermate fundamentele en leerzame boek van Jenö Sebök, ‘Vrouwen van Abraham’ geeft precies aan, vanuit welk gezichtspunt wij de situatie in het Midden-Oosten dienen te bekijken. Het geestelijke conflict dat daarin een rol speelt, is absoluut onverklaarbaar en onbegrijpelijk als wij het geestelijk conflict tussen Ismaël en Izak niet verstaan.
De openbaring van de ‘Engel des HEREN’ aan Hagar
Teveel is in het benaderen van de relatie Izak en Ismaël het accent eenzijdig gelegd op de jaloezie van Ismaël, en het weggestuurd worden uit de tent van Abraham op aandringen van Sara en uiteindelijk van God Zelf! Woorden als ‘hij zal een wilde ezel van een mens zijn’ en ‘zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem’ hebben de woorden die er op volgen ‘en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen’ te negatief geladen. Wij dienen een paar dingen goed te beseffen. In de eerste plaats ontving Hagar tweemaal een openbaring van de ‘Engel des HEREN’. Dat was niemand minder dan…de Zoon van God zelf! De Zoon die eeuwen later uit het geslacht van Juda vlees (mens) werd, heeft Zich aan de moeder van de twaalf zonen van Ismaël geopenbaard.
De ‘Engel des HEREN’ en de ‘Engel van God’
Niet alleen het indrukwekkende feit dat de ‘Engel des HEREN’ Zich hoogstpersoonlijk aan Hagar geopenbaard heeft, maar ook de inhoud van die openbaring is zeer fundamenteel. God spreekt haar aan op haar positie, als slavin van Sara. Het niet erkennen en het zich niet onderwerpen aan de positie die God aan Hagar gaf, heeft eeuwen later tot gevolg gehad, dat een andere geest een onderwerping (islam) oplegde, te vuur en te zwaard aan de Arabische volken en aan miljoenen anderen. Maar dat zou in Abrahams tijd nog eeuwen duren. Wat is er in die tussen liggende vierentwintig eeuwen gebeurd? Zijn de woorden van de Zoon van God loze woorden gebleken? Heeft Hij niet, zowel tijdens Hagars vlucht in haar zwangerschap als na haar definitieve verdrijving uit Abrahams tent, tot haar gesproken? Goed, er is een ogenschijnlijk klein verschil tussen het eerste en het tweede spreken van de Zoon van God tot Hagar. De eerste maal wordt Hij tot viermaal toe de ‘Engel des HEREN’ (‘Malach Jahwe’) genoemd(Gen. 16:7,9,10,11). Dat is de verbondsnaam! Ismaël en Hagar, en trouwens het hele personeel van op de markt in Haran gekochte slaven maakten deel uit van het verbond van God met Abraham. Alle manspersonen waren besneden, ook Ismaël. Maar zodra Hagar met Ismaël uit de tent van Abraham worden weggestuurd, heet het dat ‘de Engel van God’ (‘Malach Elohiem’) tot Hagar sprak (Gen. 21:17). Zij staat dan buiten het verbond, en daarom is het niet ‘de Engel des HEREN’ maar ‘de Engel van God’ die tot Hagar profetisch spreekt. Heel sterk komt die tegenstelling tot uiting als wij Genesis 21 vers 17 naast Genesis 22: 11 leggen. In het eerste geval spreekt de ‘Engel van God’ vanuit de hemel tot Hagar, en in het tweede geval spreekt de ‘Engel des HEREN’ vanuit de hemel tot Abraham, op de berg Moria. Intussen is het wel een en dezelfde persoon, de Zoon van God, die rechtstreeks uit de hemel tot Hagar evengoed als tot Abraham spreekt!
Gods deernis met Hagar en Ismaël
De inhoud van de openbaring van de Zoon van God aan Hagar is grotendeels positief. Dat hij een ‘wilde ezel van een mens’ zal zijn heeft betrekking op het feit dat de Arabische volken zich eeuwenlang in de woestijn zullen weten te handhaven. Zij wonen grotendeels nog op de plek waar zij duizenden jaren geleden hun oorsprong hadden! Hij zal zich tegenover aanvallende woestijnvolken weten te staande te houden. Evenals Jakob tot twaalf zonen en twaalf volken uitgroeide, zijn er ook twaalf stammen en volken uit Ismaël voortgekomen. Het is alsof God de Arabieren de eeuwen door confronteert met broer Izak en zijn nageslacht. En dat niet om hem door Izak te vernederen, maar om via Izak gezegend te worden. De nazaten van Ismaël zijn altijd in de woestijn rond Israël blijven wonen. ‘Tegenover hun broeders’ is veel positiever bedoeld dan het lijkt!
De tweede maal dat God tot Hagar spreekt, na haar vertrek uit Abrahams tent, openbaart Hij een minstens even grote liefde tot Hagar en haar nageslacht. Hij troost haar, heeft ‘de stem van de jongen gehoord daar waar hij is’, en opent haar ogen voor een waterbron. Het hartstochtelijke gebed van Abraham, ‘och, mocht Ismaël voor Uw aangezicht leven!’ (Gen. 17:18) wordt hier zeker verhoord. ‘God was met de jongen’. (Gen. 21:20). En levend in de onmiddellijke omgeving van Israël zullen beide broeders elkaar nog menigmaal tot zegen zijn!
Ismaël, opgevoed in de vreze des HEREN
Wanneer wij ons realiseren dat er 24 eeuwen zitten tussen Abraham en Mohammed, komt de vraag boven: het kan toch niet zo zijn, dat de invloed van de Godvrezende opvoeding die Ismaël genoot in de tent van Abraham bij het verlaten daarvan ophield? Naar een antwoord zoekend, stuitte ik op het magistrale boek van Tony Malouf, ‘Arabs in the shadow of Israël’dat in 2003 verscheen. Ik heb van dit verheugende en troostrijke boek dankbaar gebruikt gemaakt. Belangrijke dingen die Jenö Sebök al aangeeft in zijn boek ‘Vrouwen van Abraham’, ofwel: Wat drijft de islamisten? vinden hier een bredere uitwerking.
Job, een Arabische Sheik
Het is opmerkelijk dat toen het Evangelie ook onder de Arabische volken velen bereikte, juist het boek Job in diverse vertalingen in het Arabisch verscheen. Althans, diverse versies zijn bekend. Het boek Job is heel oud. De Joodse Schriftgeleerde Abraham ben Meir Ibn Ezra geloofde ‘dat Mozes het boek Job schreef, en het schijnt mij toe dat het een vertaald boek is, daardoor is het moeilijk uit te leggen, zoals elk vertaald boek’.[1] Verschillende geleerden beschouwen Job als een Arabische sjeik. Dat blijkt uit zijn woongebied. Hij was een seminomade. Enerzijds had hij hele grote kudden, die het deels in de woestijn konden uithouden (kamelen), maar als het om schapen, runderen en geiten ging beslist weidegrond nodig hadden. Bovendien had hij ook veel akkerland in bezit. Dat is mede een aanwijzing voor Jobs woonplaats, op de grens van de Arabische woestijn en het gebied van Edom. Zijn vrienden kwamen trouwens ook uit Edom.
Is het niet enorm indrukwekkend, als wij beseffen wat een diepe liefde tot en ontzag voor God in Jobs huis woonde? En als wij vervolgens bedenken dat Job wel niet tot Israël maar wel tot Abrahams nageslacht behoorde? Het nageslacht van Hagar en Ketura had haar vreze des HEREN niet vaarwel gezegd. Hoe trouw en hartstochtelijk waakte Job over het geestelijk welzijn van zijn zeven zonen en drie dochters. Het wekelijkse offer van verzoening dat hij voor hen bracht na hun gemeenschappelijke feestmaal die de zoons om beurten organiseerden, wordt nadrukkelijk aan het begin van het boek Job vermeld. Het onderstreepte het getuigenis van zijn leven dat hij was ‘Godvrezen, oprecht, vroom en wijkend van het kwaad’. Hoeveel christenen in Nederland zijn er te vinden die zo’n zware beproeving als Job doormaakte, glansrijk zullen doorstaan? Zonder het ontzag voor en de liefde tot God vaarwel te zeggen? Is het geen geweldige gedachte, te bedenken dat het getuigenis van een niet-Israëliet geen tweederangs plekje kreeg, maar een volwaardige plaats heeft ontvangen in het geheel van de Schriften?
Salomo en de oosterse wereld
De tijd van Salomo was een miniatuur vrederijk. Hijzelf maar ook zijn koninkrijk hadden de trekken van de Messias. Salomo stond met vele oosterse wijzen in verbinding. Zowel uit Egypte, Edom als uit de Arabische wereld. Het is beslist niet nodig, de bruid uit het Hooglied van Salomo tot een Arabische vrouw te verklaren. Men heeft dit geopperd, onder meer op grond van de vergelijking aan het begin: ‘Ik ben zwart, doch bekoorlijk, als de tenten van Kedar, als de gordijnen van Salomo’. Ook al wijst de vergelijking met ‘de tenten van Kedar’ (Kedar was een van Ismaëls zonen) niet op haar Arabische afkomst, het doet in elk geval vriendelijk aan naar de Arabische wereld toe, ‘Kedar’ vergelijkenderwijs ten tonele te voeren. Feit is wel dat veel Hebreeuwse woorden uit Hooglied in het Arabisch bijna gelijk klinken. Dat hoeft ons niet te verwonderen, want Hebreeuws en Arabisch zijn broer en zus. Als wij bedenken dat Ismaël in de tent van Abraham groot is geworden, en dus dezelfde taal sprak, is het logisch dat in later tijd de taal van de Arabieren niet meer afwijkt van het Hebreeuws dan het Duits van het Nederlands.[2]
Spreuken 30 en 31 van Arabische herkomst?
In de 19de eeuw kwam de gedachte op, dat het Hebreeuwse woord ‘massa’ dat in het eerste vers van Spreuken 30 en 31 genoemd wordt, niet vertaald dient te worden als ‘boodschap’, ‘Godsspraak’ of ‘profetie’ maar een eigennaam is. En wel de naam van een Noord-Arabische stam, genoemd naar een van de zonen van Ismaël, Massa (Gen. 25:14). De vertaling van Spreuken 30 vers 1 wordt dan: ‘De woorden van Agur, de zoon van Jakeh, van de stam (het land) van Massa’.
Als deze andere vertaling van ‘massa’ juist is, betekent dit dat woorden van Arabische wijzen zijn opgenomen in de Schriften. Dat tekent de verhouding van liefdevolle broederschap tussen Izak en Ismaël in Salomo’s tijd. Het betekent ook een erkenning van het feit dat deze Arabische wijzen de God van Israël erkenden en dienden. Wij zullen straks nog terugkomen op de inhoud van het eerste gedeelte van Spreuken 30 en 31. In elk geval vormt het een bewijs voor de hoofdgedachte die Tony Malouf vertolkt, dat de zonen van Ismaël ‘ten aanschouwen van hun broeders’ woonden. In tijden van bloei en grote geestelijke zegen van Israël deelden zij in die zegen! Zeker als zij broer Izak als hun meerdere erkenden. Dan ging in vervulling: ‘Ik zal zegenen die u zegenen’. Die belofte geldt voor alle geslachten van de aardbodem, maar zeker voor Israëls broedervolken. Het hemd is nader dan de rok.
Arabische stammen tijdens Israëls verval
Het ligt voor de hand dat in tijden dat Israël haar geestelijk verval beleefde, de relatie Israël en de Arabieren niet die zegenrijke broederschap uitstraalde als in Salomo’s tijd. Hoe groot is Israëls verantwoordelijkheid voor de volken, van meet af aan! Verwaarlozing van de boodschap van Israëls profeten zou heel grote en ernstige gevolgen hebben. Een ervan is dat er zo ruimte werd gemaakt voor de valse profeet. Hosea schijnt daar in hoofdstuk 9 vers 6-8 al op te doelen. Niemand minder dan de Joodse, Middeleeuwse Schriftgeleerde Maimonides wees op de betekenis van deze verzen in zijn ‘brief aan Teman’. Hij zag in deze verzen een aankondiging van Mohammed.[3] Dat maakt een nauwkeurige lezing van deze verzen hoogst belangwekkend.
Laten wij goed lezen wat er staat:
‘Gekomen zijn de dagen van de bezoeking, gekomen zijn de dagen van de vergelding, Israël zal het ervaren. Dwaas is de profeet, waanzinnig (mesjoche) de man des geestes, wegens de grootte uwer ongerechtigheid en omdat er grote vijandschap is. De wachter over Efraïm bij mijn God, de profeet – een strik van een vogelvanger is op al zijn wegen, vijandschap in het huis van zijn God. Zij hebben diep verdorven gehandeld, als in de dagen van Gibea; hij zal hun ongerechtigheid gedachtig zijn, hun zonden bezoeken’.
De dagen zijn aangebroken –voorzegt Hosea – dat Efraïms zonden gestraft zullen worden. De ‘tijden der vergelding’ gaan in. Wat is Efraïms grootste zonde geweest? Dat zij de stem van de profeten, en daarmee van God zelf in de wind hebben geslagen, hun eigen wegen zijn gegaan, de afgoden gediend hebben. Daarom is de straf uitermate opvoedkundig. Als Efraïm de stem van de profetie veracht, dan zullen zij –zoals Amos voorzei – ‘zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten, om het woord des HEREN te zoeken, maar vinden zullen zij het niet’. Toen zij zeer bevoorrecht waren door de vele profeten die God keer op keer met een boodschap op Israël afstuurde, sloegen zij er geen acht op. Nu zij in ballingschap zijn en de stem van de profetie missen, gaan zij op zoek naar Gods Woord…en vinden het niet. Hosea gaat nog een stap verder. Niet alleen zullen zij geen ware profeet meer vinden, God zal hen zelfs….een dwaze en waanzinnige profeet geven. Dat heeft Efraïm te danken aan het feit dat voor de profeet die God Efraïm gaf strik op strik op zijn wegen gespannen werden, en hij in het huis van God niets dan vijandschap ontmoette. Het verwaarlozen van de echte profeten schept ruimte voor de valse profeet. Efraïm heeft (net als Juda) schuld aan de opkomst van de islam! De islam is de giftige plant die gegroeid is op de afvalbelt van Jodendom en Christendom. De verwaarlozing van de profeten, en met name van Israëls grootste profeet, Jezus, schiep een vacuüm waarin de valse profeet welig kon tieren.
Dat was dan het profetisch licht dat de Schriften op de schaduwzijden van Israël en daarmee van de Arabische volken laat vallen. Maar de lichtzijden winnen het absoluut. Wij haasten ons, nog iets te zeggen over de tijd dat Israël zich verheugt in het licht van het Evangelie.
De Arabieren in het licht van het Evangelie
Wat is het gevolg voor de Arabische volken als de Zon der gerechtigheid opgaat over Israël? De magistrale dingen die Jesaja voorzegt over de deelname van de Arabieren in het koninkrijk van priesters dat aan Israël hersteld wordt, bewaren wij voor ons laatste punt. Maar ook in de tijd van de eerste komst van de Messias komen de Arabieren ruimschoots in beeld. Dat begint al bij Jezus’ geboorte. Ik heb begrepen dat Collins een verbinding legt tussen de Wijzen uit het Oosten en de verloren tien stammen, en met name over de Parthen spreekt. Tony Malouf breekt een lans voor de Arabieren in deze geschiedenis en hij heeft daar mijns inziens overtuigende argumenten voor. In de eerste plaats wijst de uitdrukking ‘uit het Oosten’ in de Schriften altijd op de Arabische woestijn ten oosten van Israël. De volken uit Babylonië of Assyrië worden nooit met het Oosten maar altijd met het Noorden aangeduid. Abram jaagt de volken die Sodom, Gomorra en de andere steden aanvielen tot boven Damaskus na. In noordelijke richting dus. Deze volken worden niet als komend uit het Osten aangeduid. Maar wanneer Ketura en haar nageslacht door Abraham nog bij zijn leven worden weggezonden lezen wij dat dit gebeurde ‘oostwaarts, naar het Oosterland’ (Gen. 25:5). De volken die het veldgewas op Israëls akkers zeven jaar achtereen vernielden waren ‘Midjan, Amalek en de stammen van het Oosten’. (Richt. 6:3). Eerst worden zij als ‘Midjan’ aangeduid, later als Ismaëlieten. (Richt. 8: 24). Voor de Arabische afkomst van Job pleit dat hij genoemd wordt Job ‘de rijkste van alle bewoners van het Oosten’. (Job 1:3).
In de tweede plaats zijn de specerijen die zij meebrengen, goud, wierook en mirre.[4] De Ismaëlieten die Jozef mee nemen naar Egypte, brengen als koopwaar balsem en hars naar Egypte. Herodotus schreef vijf eeuwen voor christus al: ‘Arabië is het meest zuidelijk van alle bewoonde landen: en dit is het enige land dat wierook en mirre en kassia en kaneel en balsemhars levert. Al deze producten, behalve mirre zijn moeilijk te krijgen voor de Arabieren’. De aardrijkskundige Strabo verdeelt het land van Arabia in vijf gedeelten, twee daarvan zijn mirre-producerende en wierook-producerende streken’. Zuid-Arabië gold als het specerijen-producerende land bij uitstek.’daarom vormden twee van de drie giften die de astrologen aan Christus aanboden een primaire bron voor de economische macht en rijkdom van het land Arabië gedurende een lange tijdsperiode’. [5] Ook om het derde product dat de astrologen aan Jezus gaven, goud, stond Arabië bekend. De koningin van Sheba, uit Zuid Arabië komend, bood Salomo ‘honderd twintig talenten goud, zeer veel specerijen en edelgesteente aan’ (1 Kon. 10:10). David profeteerde al van Salomo’s regering: ‘en men zal hem geven van het goud van Sheba’ (Ps. 72:10,15). De nieuwe berijming geeft deze zin terecht weer als: ‘’Leve de koning in ons midden, geef hem Arabisch goud’.
De derde aanwijzing dat wij bij de ‘Wijzen’ aan Arabische vorsten mogen denken vinden wij in Jesaja 60:6,7. Hoewel vooral betrokken op de offers van goud en wierook die de zonen van Ismaël en Ketura –de Arabieren– in Jeruzalem en de tempel zullen brengen tijdens het Messiaanse koninkrijk, mogen wij in de offers van de Wijzen toch zeker een voorvervulling zien van deze profetie.
Arabieren in de hoogtepunten van Israëls historie
Tony Malouf wijst tenslotte nog op het opmerkelijke feit dat het steeds Arabieren zijn die op de kruispunten van Israëls geschiedenis een rol spelen. [6] Jozef wordt vooruit gezonden naar Egypte om straks heel het nageslacht van Jakob en de hele oosterse wereld van de hongerdood te redden. Het zijn Ismaëlitische kooplui die een schakel vormen in het geheel, zij brengen Jozef veilig naar Egypte.
Wanneer Mozes vlucht voor zijn leven, vindt hij jarenlang bij een Midianitische priester, Jethro, een veilig onderkomen. Hij trouwt zelfs met diens dochter, Zippora. Mozes had een Arabische vrouw!
Het bezoek van de koningin van Sheba –een Zuid-Arabisch land- vormt zeker het hoogtepunt in de internationale invloed die Salomo verspreidde. Vanwege ‘de roep in verband met de Naam des HEREN’ maakt zij de lange reis naar Israël.
Als Jozef en Maria met het kind Jezus moeten vluchten voor hun leven naar Egypte zijn het Arabische stamvorsten die de reis naar, het verblijf in en de terugreis uit Egypte financieel mogelijk maken door hun overvloedige giften aan goud, wierook en mirre.
2. Handreiking voor een liefdevolle ontmoeting met Arabieren
Wanneer wij al deze Schriftgegevens op ons laten inwerken, dringt de vraag zich aan ons op: wat betekent dit inzicht in de profetische betekenis van de Arabieren voor ons denken over en onze eventuele ontmoeting met Arabieren? In het kort willen wij hier in een paar praktische richtlijnen een handreiking geven.
1. Treedt de Arabieren niet met uw vooringenomen kennis over hen tegemoet, maar vanuit Gods Openbaring aan Hagar.
2. Vanuit Gods spreken tot Hagar leert u met liefde en verwachting en respect naar de Arabieren te kijken. U ziet hen niet zoals zij zijn geworden door de islam maar zoals ze zijn bedoeld vanuit Gods openbaring en plan.
3. Bidt dat God u liefde en inzicht geeft vanuit Zijn Woord in de ontmoeting met Arabieren. Laat hen weten, hoe zeer Gods ontferming uitging naar hun voormoeder Hagar, en naar het hulpgeroep van haar zoon, Ismaël.
4. Vertel hen dat het boek Job in de Bijbel een dik boek is. En dat Job, hoewel van Arabische afkomst, een eervolle plaats in Israëls Bijbel gekregen heeft.
5. De Bijbelse Job worstelt met God als met een Vriend! Er zit een geweldige ontwikkeling in het boek Job. Het bevat geen star Godsbeeld. De starre theologie van de vrienden gaat omver. Wat zou het geweldig zijn, als Arabieren ontdekten hoe dichtbij God is. Eerst schreeuwt Job het uit: ‘Want Hij [God] is niet als ik, een mens, die ik zou kunnen antwoorden: Laten wij tezamen ten gerichte gaan. Was er maar een scheidsrechter tussen ons [d.w.z. tussen God en mij] die zijn hand op ons beiden zou kunnen leggen…’ (Job 9:32,33). Enkele hoofdstukken verder heeft hij, al worstelend, die scheidsrechter gevonden. Hij zegt: ‘Maar ook nu, mijn Getuige in de hemel is getrouw, mijn Pleitbezorger in den hoge. Ook al bespotten mij mijn vrienden, nochtans richt zich mijn oog schreiend op God, opdat Hij de mens recht doe tegenover God, en recht doe tussen de mens en zijn naaste’. (Job 16:19-21). Deze Pleitbezorger is God, die voor Job tegenover God pleit. Ook hier komt de Zoon van God als Middelaar in beeld! En nog weer even verder spuit het er uit: ‘want ik weet, mijn Losser leeft….’. Een losser was een bloedverwant. De Zoon van God wordt mens. Daarin ligt de oplossing!
6. De openbaring van de Zoon loopt als een gouden draad door alles heen. In Spreuken 30 vers 1-4 stelt een Arabische stamvorst van Massa zich heel nederig op. Hij erkent, niets te weten. Hij vraagt als het ware bij Israël om wijsheid: ‘Wie klom op ten hemel en daalde weer neder, wie heeft de wind in zijn vuist verzameld? Wie heeft de wateren samengebonden in zijn kleed, wie heeft al de einden der aarde vastgesteld? Hoe is zijn Naam en hoe de Naam van Zijn Zoon? Gij weet het toch’. Is het niet wonderbaarlijk dat een Arabisch stamvorst in een gedeelte dat in het Wijsheidsboek Spreuken is opgenomen, aan Israël om opheldering vraagt aangaande Hem, Die alles schiep en degene door wie Hij alles schiep, de Zoon?
7. Kan de vreugde en diepe verwondering over Gods plan met Israël en de volken, waarbij de Arabische volken het dichtst bij Israël staan, ons niet aanmoedigen om in alle nederigheid, en biddend om openbaring met Jezus’ ogen naar Arabieren te kijken?
8. Is het ons wel eens opgevallen dat bij de opsomming van de talen waarin de Galilese volgelingen van Jezus van Gods grote daden getuigden na de uitstorting van de Heilige Geest Joden en Arabieren vlak bij elkaar staan? (Hand. 2:11). Toevallig?
3. Israël en de Arabieren in het Messiaanse koninkrijk
In Jesaja 60 lezen wij, hoe ten tijde dat de duisternis de aarde bedekt, juist over Israël het licht opgaat. Een woord dat merkwaardigerwijs door verschillende buitenlandse Godsmannen een aantal jaren geleden over Nederland is uitgesproken!
Volken zullen zich over Israëls stralende opgang verheugen. De volken zullen meehelpen, om Israël thuis te brengen. Let wel, als God Zijn volk herstelt, brengt Hij alle stammen thuis, verzamelt de verdrevenen van Israël en Juda. Dat betekent niet dat de huidige situatie in Israël geen voorbode is van die tijd, maar de algehele vervulling is het nog niet. Wel een voorvervulling, want het betekent toch wel iets dat, om maar iets te noemen, in de Messiaanse gemeente in Haifa, op de Karmel, Joden en Arabieren eenparig in één gemeente broederlijk samen zijn!
De volgelingen van Jezus in Israël geven het goede voorbeeld. Zij zijn eerstelingen en halen de kastanjes uit het vuur. Laten wij niet te snel zeggen: ‘kunnen zij hun afkomst uit een van de stammen van Israël aantonen?’ Want dat riekt naar hoogmoed.
En bovendien: wie kaatst moet de bal verwachten: ‘Kunt u uw afkomst van Israël met de stukken aantonen?’ Er is veel in beweging. En het terug zijn van een aantal afstammelingen uit Israël, vermengd met Jodengenoten, is toch minstens een teken van hoop. Jeruzalem staat als een huis, door Britten in 1917 van de Turken bevrijd. God doet geen half werk. Als Hij A zegt, zegt Hij ook B!
Maar er staat veel meer op stapel. Jesaja vervolgt in hoofdstuk 60 vers 5 e.v. dat ‘het vermogen der volken’ tot Israël zal komen. De Arabische volken hebben heel wat olierijkdommen. En juist zij worden met name genoemd. ‘Een menigte van kamelen zullen u overdekken’. De kameel is karakteristiek voor de Arabische woestijnvolken. ‘Jonge kamelen uit Midjan en Efa. Uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij allen aanbrengen en de roemrijke daden des HEREN blijde verkondigen’.
Midjan was een zoon van Abraham en Ketura, Efa was een zoon van Midjan. Zij vertegenwoordigen, net als Seba, de ene tak van de Arabische volken. ‘Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajoth zullen zich u ten dienste stellen’. Kedar was de tweede zoon, en Nebajoth de eerstgeboren zoon van Ismaël (Gen. 25:14). De andere en omvangrijkste tak van de Arabische volken. ‘Zij zullen –zegt Jesaja– als een welgevallig offer op Mijn altaar komen en aan Mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen’. (Jes. 60:7).
Deze profetie overziende, mede in verband met andere profetieën in de Bijbel, verstaan wij dat in het Messiaans koninkrijk de Arabieren zij aan zij met Israël zullen staan. Zij zullen hun rijkdommen investeren in de aanbidding van de ene God van Abraham, Izak en Jakob.
Welke invloed heeft dit profetisch inzicht op de Arabische volken op ons?
Het blijkt altijd mogelijk dat mensen kennis nemen van dit inzicht op Israël en de Arabische volken en er toch niet echt door veranderen. Hoe dat komt? Tja, je eigen inzichten prijsgeven en van je hoogte afkomen om naast die ander te gaan staan vraagt bekering, radicale ommekeer en een afleggen van alles wat van het vlees is. Pas als wij de vraag stellen van de Joodse hoorders na de uitstorting van de Heilige Geest: ‘wat moeten wij doen, mannenbroeders?’ zullen wij bereid zijn onze trots en eigen waan af te leggen en Jezus aan te doen. Zo alleen komen wij dichter tot het hart van wie ook, zeker ook van Arabieren.
In de Hebreeuwse vertaling van Filippenzen 2 vers 5 staat zo mooi: ‘Laat uw hart zo zijn als het hart van Jezus de Messias…’. Als dat gebeurt, stromen wij over van liefde. Voor Jood en Griek, voor Israël en Juda, en voor alle volken. De Arabische volken voorop! Wij laten ons dan niet langer intimideren door de islam. Wij bekijken onze moslimlandgenoten dan ook niet als indringers, zo van: ‘wat doen die lui hier?’.
Hebben wij niet een geweldige opdracht: ‘Gaat heen, maakt alle volken tot Mijn discipelen….’? Die andere volken zijn onder ons. Of onze regering in het verleden verstandig gehandeld heeft of niet, zij zijn er. Wellicht speelde diep weggestopte schaamte voor ons verleden een rol om het immigratiebeleid jarenlang zo ruim aan te pakken. Maar wat voor zin heeft het, daarover te mokken? Waar is de schuldbelijdenis, de verootmoediging? Zijn wij bang voor de islam? Wat doen wij dan met het woord van Johannes: ‘Hij Die in u is, is meerder dan die in de wereld woont’? (1 Joh. 4:4). Kan Jezus niet tegen Mohammed op? Is de islam sterker dan het Evangelie? Is de Jihad, de ‘heilige oorlog’ van de islam krachtiger dan ‘de oorlogen des HEREN’? Heeft een moslim meer te zeggen dan een gelovig christen? Veel zogenaamde christelijke reacties doen zielig aan, werpen een smet op Gods Naam, doen te kort aan Jezus’ Overwinning door kruis en opstanding, miskennen de levende hoop van de profeten en missen de liefde die wij vanuit Gods openbaring voor welk volk of welke medemens ook mogen hebben.
Ons rest slechts één ding: een andere houding aannemen. Niet vanuit verwerping, angst, of kennis van de islam tegen de Arabieren aankijken, maar vanuit het Evangelie. Hoeveel moslims komen vandaag niet in vele zogenaamde gesloten landen tot geloof in Jezus? De Heiland kan het desnoods zonder ons. Er komen ook veel moslims rechtstreeks door Openbaring tot geloof. Maar het behaagt God bijvoorbeeld om het werk van Trans World Radio en Open Doors, de Arabische wereldzending etc. krachtig te gebruiken. Laten wij onze gebeden, onze harten en onze stem paren in het koor van gelovigen dat de overwinning van Jezus en de komst van Zijn koninkrijk proclameert!
[1] Tony Malouf, Arabs in the shadow of Israel’, hfdst. 6, not 43, blz. 274, uitg.
[2] In de 19e eeuw maakte een taalgeleerde, dr. J.G. Wetzstein, een vergelijking tussen het Hooglied en een Arabisch liefdeslied, waarbij de geliefden elkaar eveneens wederzijds bezongen. Hoewel het Hooglied daar met kop en schouder boven uitsteekt, biedt het toch schoon vergelijkingsmateriaal. In de 19e eeuw maakte een taalgeleerde een vergelijking tussen het Hooglied en een Arabisch liefdeslied, waarbij de geliefden elkaar eveneens wederzijds bezongen. Hoewel het Hooglied daar met kop en schouder boven uitsteekt, biedt het toch schoon vergelijkingsmateriaal. Het artikel van Wetzstein is als aanhangsel opgenomen achter het commentaar van F.Delitzsch op het boek Hooglied, Comm. On the Old testament by C.F. Keil en F.Delitzsch, deel VI, uitg. William B. Eerdmans publishing Company, Grand Rapids, hedrukt in 1978, blz. 162-176.
[3] Yair Davidy, Ephraim, blz.28-31, uitg.Brit-Am, Russel-Davis Publishers, Shiloh/Jerusalem/Hebron/Susia, 1995
[4] Al in Genesis 2 wordt van het land Havila gezegd: ‘het goud van dit land is goed; daar is de balsemhars en de steen chrysopraas’. (Gen. 2:11-13).
[5] Tony Malouf, a.w. blz. 108,109