GOD MAAKT VERSCHILLEND
“In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.” (Genesis 1:1-5)
“En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo. En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was. En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!” (Genesis 1:24-26)
Gods schepping is heel bijzonder. Wij mensen hebben de neiging alles gelijk te willen stellen, maar in de schepping is niets gelijk. In het denken over de schepping is ook niets gelijk. Er zijn veel theorieën over, zelfs over de dagen. Er wordt gezegd dat het dagen van 24 uur zijn geweest, zo als wij de dagen kennen. God is in staat om in de voor ons korte tijd van 24 uur veel te doen, maar als ik de hele Bijbelse geschiedenis doorneem, maakt God helemaal – volgens onze begrippen – geen haast. Na de zondeval belooft God redding en herstel, maar dat is nog steeds niet voltooid. Als we de beloften aan Abraham nagaan, zien we dat het honderden jaren duurt, voor het er iets op begint te lijken. Voor Hem is een dag gelijk aan duizend jaren en duizend jaren als een dag. Hij is de eeuwige en heeft dus alle tijd (Zijn eigen schepping) om Zijn plannen te maken en uit te voeren.
Opvallend is in het tweede gedeelte van bovenstaande aanhaling uit de Bijbel, dat God alle levende wezens maakte naar hun soort. De evolutietheorie wil ons wijsmaken dat er spontaan een begin van leven is ontstaan en dat alle soorten van leven daaruit ontstaan zijn. Er kan evolutie in een soort zijn, maar de soort blijft altijd de soort. Paarden blijven paarden en ezels blijven ezels, ze lijken wel wat op elkaar, maar de overgang van de ene soort naar de andere bestaat niet en is ook niet de bedoeling, want de schepping was volmaakt in al zijn soorten, God zag dat het goed was.
Zou het bij de mens anders zijn? In vers 26 gaat het over mensen in het meervoud. Er zijn veel verschillende soorten mensen met verschillende lichaamsbouw en verschillende kleur. Tegenwoordig moeten we geloven dat ze allemaal gelijk zijn. Moeten we een leugen geloven? Enige tijd geleden werd er gewoon gesproken over de verschillende rassen, maar zelfs het woord ‘ras’ valt onder een vorm van taboe.
In vers 27 wordt gesproken over ‘de mens’ en in Genesis 2 lezen we dat die mens op een bijzondere wijze gevormd werd, en God niet meer gewoon God genoemd wordt, maar HERE (JHWH), die in direct contact staat met de mens.
In Gods herstelplan gaat het over mensen en volken, die speciaal door JHWH zijn uitgezocht om Zijn plan uit te voeren en Zijn volk te zijn. Zij worden niet uitgezocht omdat zij zo bijzonder zijn, maar zij worden bijzonder omdat zij door JHWH uitgekozen zijn voor zijn herstelplan.
Die keuze is reeds bij de schepping begonnen. Uit Adam en Eva zijn geen Hottentotten, negers en mongolen voortgekomen. Blanken brengen blanken voort en mongolen brengen mongolen voort, dat is altijd zo geweest en dat verandert alleen met het mengen van de rassen.
De oneindige verscheidenheid in de schepping toont ons de grootheid van de Schepper. Geen twee eikenbomen zijn gelijk, maar er is nog nooit een eikenboom veranderd in een kastanjeboom.
De verschillen tussen de mensenrassen zijn niet langzamerhand ontstaan, zo werkt het nergens in de natuur, ze zijn door God zo geschapen en ze hebben allemaal een eigen doel en bestemming. De Bijbel bepaalt zich hoofdzakelijk tot het volk Israël. Andere volken komen slechts ter sprake in verband met Israël. Israël is Gods volk en wordt door JHWH gebruikt voor Zijn doel. Israël is uitgegroeid tot een menigte van volken, de van oorsprong protestants christelijke volken. De geschiedenis van Israël zit vol met afval van God en terugkeer tot de God der vaderen. Er wordt zo verschillend over gedacht en gesproken en de mensen hebben dan de neiging hun eigen kennis en opvattingen als de enig juiste te zien en de andere gedachten er over te verwerpen. Daaruit blijkt onze beperktheid. We kennen maar ten dele en zouden meer naar anderen moeten luisteren om onze kennis aan te vullen, want samen met alle heiligen zullen we ten volle kunnen verstaan, wat JHWH tot ons te zeggen heeft.
Als we meer uitgaan van de grote verscheidenheid in de schepping, de grote verschillen in opvattingen en denkwijzen van onze eigen medegelovigen en de opdracht van onze Schepper om onze naaste lief te hebben als onszelf, zou ons leven verrijkt worden met de contacten met de ander en luisterend naar elkaar zouden we niet uit elkaar gaan in talloze groepen, kerken en bewegingen, maar in ware eenheid elkaar tot steun zijn in het vele en verschillende werk, waartoe God ons roept.
We leven in een spannende tijd. In ons land lijkt het allemaal nog aardig goed te gaan en de volle aandacht wordt besteed aan ontspanning en sport. Kijken we verder in de wereld, dan zien we grote armoede bij miljoenen en zeer grote rijkdom bij enkelen, maar ook zien we oorlog, opstanden, vervolging en verdrukking onder vele volken. Ons volk is bijzonder in de gemeenschap van de volken. Wij geven veel voor de ontwikkeling van achtergebleven volken en helpen in vele landen, in verhouding meer dan alle andere Israël-volken. Dat is een goede zaak, maar onze invloed in de wereld zou nog veel belangrijker kunnen zijn, als we als Israëlvolk JHWH zouden dienen.
We zijn nu dikwijls een voorbeeld in de afval van God. Hierin voortgaan betekent onze ondergang. Als we als ware Schriftgelovigen ophouden elkaar te bestrijden, maar in dienende liefde met elkaar samenwerken in de dienst van JHWH, zal dat uitstralen naar het hele volk. Niet door kracht en geweld, maar door de Geest van God zal er verandering komen.
De satanische machten van onze tijd proberen het christelijk geloof en daarmee de Israëlvolken te vernietigen. Wij hoeven er niet tegen te strijden, maar wel weerstand bieden en dan zullen die machten op de vlucht slaan. Alle mensen zijn verschillend en hebben verschillende taken, dat geldt ook voor de volken en ons volk heeft een bijzondere taak in deze tijd.
G. van der Laan
WEDEROM, MIJN VOLK
Het boek Hosea over de lotgevallen
der beide Israëlvolken (8)
door H. Siliakus
DE BENAUWDHEID VAN JAKOB
Wij naderen het eind van de profetische lijn die in het boek Hosea is uitgezet en daarmee de ontknoping van het drama van de lotgevallen van de Israëlvolken. Nauwkeurige bestudering van het boek Hosea en van de andere profetische boeken van de Bijbel, zal ons tot het inzicht voeren dat wij na de bekering van Israël (en daarmee bedoelen we de tien stammen, dus niet de Joden) een nieuwe afval van het geloof en daarmee een tijd van grote benauwdheid hebben te verwachten, en daarna een hernieuwde bekering (nu samen met Juda).
Want de ene keer lezen wij over een bekering als gevolg van een soort ‘rijpingsproces’, een ‘ontwaken uit een geestelijke slaap’ (bv. in Hosea 2:6) en op een andere plaats lezen wij over een bekering in een tijd van grote nood, dus als gevolg van benauwdheid (bv. in Hosea 5:15). Het vredige van het ene tafereel laat zich moeilijk verenigen met de zware druk waarover in een ander tafereel wordt gesproken.
Verder blijkt uit een aantal passages dat, nadat Israël tot bekering zal zijn gekomen, het op een ogenblik een oorlog ingaat, die uitmondt in een tijd van grote benauwdheid. Lees Hosea 1:10-11 (de contouren van het hier bedoelde bondgenootschap zien we reeds in het huidige NAVO-bondgenootschap) en 11:10. De hier bedoelde oorlog zullen wij tevergeefs in de geschiedenisboeken zoeken, want hij ligt nog steeds in de toekomst.
De tekenen der tijden geven ons te verstaan: thans in de zeer nabije toekomst. Want geen enkele oorlog uit de geschiedenis van Westers Israël heeft tot nog toe voldaan aan de beschrijving die de Schrift geeft van deze grote profetische krijg. Eén van de belangrijkste vermeldingen over deze oorlog is, dat daarna massale geestelijke opwekkingen zullen plaats vinden over het ganse rond der aarde. Zie hiervoor ook Joël 2.
De belangrijkste beschrijving van de oorlog, die de oorzaak is van de tijd van benauwdheid vinden we in Ezechiël 38 en 39 de bekende ‘Russische hoofdstukken’ van Ezechiël. In Zacharia 12 en Joël 2 wordt over de zelfde oorlog gesproken en ook bij andere profeten vinden wij verwijzingen er naar.
Allereerst gaan wij naar Hosea 10:12-15:
“Zaai voor uzelf in gerechtigheid! Oogst in goedertierenheid! Ploeg voor uzelf ongeploegd land om! Het is tijd om de HEERE te zoeken, totdat Hij komt en het laat regenen: gerechtigheid over u. U hebt goddeloosheid geploegd, onrechtvaardigheid geoogst, leugenvrucht gegeten; want u hebt vertrouwd op uw weg, op uw grote aantal helden. Daarom zal er oorlogsgedruis tegen uw volk (eigenlijk uw volken) ontstaan, en al uw vestingen zullen verwoest worden, zoals Salman verwoesting aanrichtte bij Beth Arbel op de dag van strijd: moeders werden met de zonen verpletterd. Dat heeft Bethel u dus aangedaan vanwege uw mateloze slechtheid. In de dageraad is hij voorgoed omgebracht: de koning van Israël.”
De eerste indruk is als wij deze verzen lezen,dat het hier over het Oudtestamentisch koninkrijk Israël gaat in de laatste dagen van haar bestaan en over de invallen van de Assyriërs. Dat is ook zo, maar deze Oudtestamentische gebeurtenissen moeten beschouwd worden als verwijzingen naar de eindtijd. Zoals zo vaak in de profetie van het Oude Testament wordt hier namelijk als het ware ‘geruisloos’ overgegaan van de oude tijd naar de slotdagen van de huidige tijd. De aanwijzing hiervoor vinden wij in vers 12. Met name het laatste deel van dit vers, “totdat Hij komt en het laat regenen: gerechtigheid over u”, maakt duidelijk dat hier een overstap naar een verre tijd gemaakt wordt. Dit is immers nooit vervuld in de tijd van het Oude Testament.. Dit is evenmin vervuld in de tijd toen de Israëlvolken van het Westen tot het Christendom overgingen, want toen was er niet een dreiging die te vergelijken is met de Assyrische opmars in de nadagen van het koninkrijk Israël. Bovendien wordt hier gesproken van ‘regenen’, een profetisch ‘gidswoord’ dat altijd verwijst naar de uitstorting(en) van de heilige Geest in de eindtijd!
Israël zal in de Nieuwe Bedeling na de overgang tot het Christendom toch weer de HERE verlaten. Daarom zal er ‘een oorlogsgedruis ontstaan tegen uw volken’. Er staat in de oorspronkelijke tekst ‘volken’, maar slechts enkele vertalingen geven die meervoudsvorm. De oude Statenvertaling had ‘volken’, de Herziene Statenvertaling geeft ‘volk’. In de oude tijd was Israël maar één volk. Pas in de na-Bijbelse tijd is Israël uitgegroeid tot ‘een menigte van volken’, zoals God aan Abraham beloofd had (Genesis 17:5).
‘Een oorlogsgedruis’ zal er dus onder de Israëlvolken ontstaan in de eindtijd. Van Rusland, de Magog van de eindtijd (Ezechiël 38) zal een grote dreiging uitgaan. Dat was zo tijdens de ‘koude oorlog’, het leek niet door te gaan met de val van de Sovjet Unie, maar in deze tijd neemt de dreiging weer toe in de zogenaamde strijd tegen het terrorisme. Was het Westerse Israël de HEERE trouw gebleven dan zou voor hen Deut.32:30 gelden. Maar door de afval van het geloof wordt Israël weer opnieuw aan de vijanden overgeleverd.
Salman (Hosea 10:14) is zo goed als zeker Salmaneser V van Assyrië, die het tienstammenrijk Israël wegvoerde in ballingschap (2 Kon.17:3). Beth Arbel is een stad in het Overjordaanse, een gebied waarvan de meeste inwoners eerder werden weggevoerd. Maar dat gebeurde niet door deze Salmaneser, maar door Pul, dat is Tiglatpileser I (1 Kron.5:26). Beth Arbel was waarschijnlijk de enig overgebleven vesting aldaar, die pas viel vlak voor de algehele wegvoering van Israël.
Op gelijke wijze zullen de fortificaties, de sterke vestingen van het Westerse Israël (zeg maar Noordwest Europa en Noord Amerika in de eindtijd verwoest, ontmanteld, vernietigd worden door het nieuwe Assur, Rusland en zijn bondgenoten. Ook het laatste bolwerk zal vallen zodat de Russische overheersing onafwendbaar zal lijken. Gog zal niet alleen de Joodse staat in Palestina benauwen, maar ook West-Europa en Noord-Amerika (de ’kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen’ Ezech.38:13).
In deze grote benauwdheid zal het Westerse Israël terecht komen vanwege ‘Bethel’ (Hosea 10:15), de halfslachtige, wereldse godsdienst (de ‘kalverendienst’) en de grote afval van het geloof, die gepaard gaat met een ongekend grote toename van de ongerechtigheid (Hosea 10:13). Eerst komt de afval (vs.13), als gevolg daarvan de benauwdheid (vs.14) daarna de bekering en de beloofde opwekking (vs.12).
Bij de donkere uren die voor Israël (het ‘Christelijke’ Westen) aanbreken bepaalt ons Hosea 8:1-2:
“De bazuin aan uw mond! De vijand zweeft als een arend boven het huis van de HEERE, omdat zij Mijn verbond hebben overtreden en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen. Zij roepen tot Mij: Mijn God! Wij, Israël, kennen U!”
Hier worden wij er aan herinnerd, dat het God is, die alles in de hand heeft (zoals uit Ezech.38:4 ook duidelijk blijkt: “Ik zal haken in uw kaken slaan”). Het zal zo ver komen omdat de christelijke Israëlvolken diep in het moeras van de zonde zullen zijn weggezonden (en voor de Judeeërs van de Joodse staat: omdat zij nog altijd christus verwerpen).
De betreurenswaardige toestand waarin de christelijke Israëlvolken zich bevinden moet voor alles toegeschreven worden aan het falen van de kerk, de Gemeente van Christus. Openbaring 2 en 3 geeft ons een goed beeld hoe verwereldlijkt de kerk in deze dagen (de laatste dagen) is, afgezien van een kleine groep getrouwen.
De kern van de christelijke kerk bevindt zich in de christelijke Israëllanden van West Europa, Noord-Amerika enz. Maar de christenen in deze landen kunnen op het ogenblik in de leer gaan (in het algemeen gesproken) bij de christenen uit de heidenwereld, die nota bene eens door Westerse zendelingen met het evangelie in aanraking kwamen. “Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.” (Mat. 19:30)
Om dit alles komt Gods toorn opnieuw over Israël, maar in de eerste plaats over die falende en afvallige kerk in Israël (het is een feit waaraan niet voorbij kan worden gegaan, dat de geprofeteerde afval onder de christenen zich hoofdzakelijk manifesteert in de Israëllanden). Vandaar dat wij lezen in Hosea 8:1: “Hij zweeft als een arend boven het huis van de HEERE”. Voor het eerst is hier in Hosea sprake van het huis van de HEERE. Hiermee wordt de gemeente van Christus bedoeld (zie Ef.2:19-22), die onder de Israëlvolken dan zoveel leden zal tellen, maar die met deze Israëlvolken in haar kielzog, in het algemeen gesproken in een uiterst miserabele staat van afval zal verkeren.
God gebruikt dikwijls ‘vijanden’ om zijn volk te straffen en weer op het rechte spoor te brengen. Hier komt Hij om op te treden tegen Zijn ongehoorzame gemeente. Staat er niet geschreven dat Gods oordeel begint bij het huis van God? (1 Petrus 4:17). Christus gaat in deze tijd van Jakobs benauwdheid Zijn gemeente zuiveren en reinigen. “Hij zal zijn dorsvloer grondig reinigen” (Lukas 3:17). Dit zal de grote tempelreiniging van de eindtijd zijn. Een beschrijving van deze tijd van loutering, waardoor enerzijds velen zullen afvallen en anderzijds een minderheid van de gelovigen tot hernieuwde toewijding aan Christus zal komen, vinden we ook in Mal.3:1-6:
“Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mij de weg bereiden zal. Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent, de Engel van het verbond, in Wie u uw vreugde vindt. Zie, Hij komt, zegt de HEERE van de legermachten. Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen? Wie zal bij Zijn verschijning standhouden? Want Hij is als vuur van een edelsmid, en als zeep van de blekers. Hij zal zitten als iemand die zilver smelt en reinigt: Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver. Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid. Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem voor de HEERE aangenaam zijn, zoals in de dagen van oude tijden af, zoals in vroegere jaren. Ik zal naar u toe komen voor het oordeel. Ik zal een snelle Getuige zijn tegen de tovenaars, tegen de overspelers, tegen hen die valse eden afleggen en tegen hen die het loon van een dagloner met geweld inhouden, die het recht van weduwe, wees en vreemdeling ombuigen, en Mij niet vrezen, zegt de HEERE van de legermachten. Want Ík, de HEERE, ben niet veranderd, ú, kinderen van Jakob, bent daarom niet omgekomen.”
In de hernieuwde toewijding van deze minderheid kunnen wij het begin van de vorming van de Bruidsgemeente zien. Gelijktijdig met de oorlog in de wereld (de grote benauwdheid) zal dus de uiteindelijke reiniging van de gemeente plaats hebben.
Het in Hosea 1:8 bedoelde bazuingeschal zal hetzelfde zijn als dat van Joël 2: 1 en 15 en houdt een ernstige oproep tot bekering in en ‘geestelijke mobilisatie’. Overal in de Israëllanden zal in die dagen de boodschap van bekering met kracht gepredikt worden. Dit is het profetische Feest der Bazuinen, dat aan het Loofhuttenfeest (= de Spade Regen Opwekking) voorafgaat.
Van de grote dreiging die er dan zal zijn, lezen we ook in Joël 2:2-10, waar de legers van Gog en zijn bondgenoten worden beschreven.
“Blaas de bazuin in Sion, sla alarm op Mijn heilige berg, laat alle inwoners van het land sidderen, want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij! Het is een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken, ja, donkere wolken. Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt, verspreidt zich een groot en machtig volk, zoals er niet geweest is van oude tijden af, en er hierna niet meer zal zijn, jarenlang, van generatie op generatie. Ervóór verteert een vuur, en erachter verzengt een vlam; ervóór is het land als de hof van Eden, en erachter is het een woeste wildernis. Ook is er geen ontkomen aan.
Als het uiterlijk van paarden is zijn uiterlijk, en als ren paarden, zo rennen zij voort. Als het geluid van wagens springen zij over de toppen van de bergen, als het geluid van een vuurvlam die stoppels verteert, als een machtig volk opgesteld voor de strijd. Bij die aanblik krimpen de volken ineen, alle gezichten verschieten van kleur. Als helden rennen zij, als strijdbare mannen klimmen zij tegen de muren op; ieder gaat op zijn eigen weg en zij wijken niet van hun paden af. Zij verdringen elkaar niet, ieder gaat zijn eigen weg. Al stuiten zij op weerstand, zij zijn niet tegen te houden.
Zij stormen op de stad af, zij rennen op de muren, zij klimmen tegen de huizen op. Als een dief komen zij door de vensters binnen. Bij die aanblik siddert de aarde, beeft de hemel. Zon en maan worden in het zwart gehuld en de sterren trekken hun licht in.” (Joël 2:1-10)
Is dit bazuingeklank te vereenzelvigen met een of meerdere van de zeven bazuinen uit het boek Openbaring (8,9 en 10)? Neen, want noch in het boek Hosea, noch bij Joël is het bazuingeschal afkomstig uit de hemel zoals bij de bazuinen van het boek Openbarings. Deze laatste zullen pas later in de eindtijd weerklinken (vlak voor de grote verdrukking). De bazuinen van Hosea en Joël spreken van bekeringsprediking in de tijd van Jakobs benauwdheid.
Over het verloop van de oorlog van Gog, die tot een wereldoorlog zal uitgroeien, zullen we hier niet verder uitweiden. Het boek Hosea spreekt er niet over en ook verder in Gods Woord wordt er maar weinig over vermeld.
Het enige dat ons wordt verteld is dat de Russen zullen optrekken tegen de Joodse staat en dat vervolgens de westelijke volken (de Israëlvolken) en ook Saoedi Arabië zich met het conflict moeten bemoeien (Ez.38:13). Het gevolg zal zijn ‘bloed, vuur en rookzuilen’ over de gehele aarde (Joël 2:30).
Wij gaan nu direct naar het einde van die strijd. Door een rechtstreeks ingrijpen van God (Ez.38:18-23 en 39:6) zullen de Israëlvolken (alle 12 stammen) uit deze grote benauwdheid gered worden:
“Want zo zegt de HEERE: Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord, angst is er, geen vrede. …..Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.” (Jeremia 30:5 en 7)
De Russische macht zal vernietigd worden. Wat de Bijbel ons over deze grote oorlog vertelt, maakt duidelijk, dat zonder dit ingrijpen van God de Joodse staat en het Westen reddeloos verloren zouden zijn. Dit krachtdadig ingrijpen van God zal een kosmisch gebeuren zijn (Ez.38:20,22).
“Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen! De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen. ……... Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een alles wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn. Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.”
Het spreekt vanzelf, dat door deze gebeurtenissen de bewoners van de aarde zullen beven van angst. Over de paniek die dan over de hele wereld zal ontstaan lezen wij in Hosea 10:8b. Die panische angst wordt ook beschreven in Openbaring 6:15-17:
“En de koningen van de aarde, de groten, de rijken, de oversten over duizend, de machtigen en alle slaven en vrije mensen verborgen zich in de grotten en tussen de rotsen in de bergen. En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam. Want de grote dag van Zijn toorn is aangebroken en wie kan dan staande blijven?”
Toch is dit gebeuren en de benauwdheid die eraan vooraf gaat nog te beschouwen als een blijk van Gods genade. Want velen zullen in die tijd erkennen dat er nog een God in de hemel is en zullen zich bekeren:
“Want wanneer Uw oordelen over de aarde komen, leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is.” (Jesaja 26:9b)
En van de Israëlvolken zegt Jeremia 30:9:
“maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning David, Die Ik hun zal doen opstaan.” (Jeremia 30:9)
Dan is de tijd aangebroken van de hereniging van Israël en Juda. Dan zal de identiteit van de Tien Stammen niet langer verborgen zijn. We vinden dit beschreven in Ezechiël 37:15-28, waarmee we deze artikelen besluiten:
“Het woord van de HEERE kwam tot mij: En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen. Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden. Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u betekenen? Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.
En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn. Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke afgoden en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn. En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn. Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.” (Ezechiël 37:15-28)
DE WEDERKOMST
Inleiding
Als we spreken over de ‘wederkomst´ moeten we eerst kijken naar de eerste komst. Waarvoor kwam Hij en waarom moet Hij opnieuw komen? Was die eerste komst niet voldoende? Wat moest Hij doen? Belangrijk daarbij is de vraag: ‘Wie was Hij?’
Waarvoor kwam Jezus?
Meestal gaat men hierbij uit van de uitspraak van Johannes de Doper:
“De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen en hij zei: Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” (Joh.1:29).
Daarbij wordt dan voor het woord ‘wereld’ aangenomen dat het de hele aardbol met alle mensen bedoeld wordt. Verschillende vertalingen geven dit aan, maar als we naar het begin van Lucas 2 kijken, blijkt dat met de ‘wereld’ het Romeinse rijk bedoeld werd.
Slechts zelden wordt de aankondiging van Jezus geboorte aan Jozef en Maria gebruikt om aan te tonen waarvoor Jezus kwam. Wat Johannes de Doper later zegt is daarvan geen uitbreiding, maar gewoon een bevestiging.
Wat zegt de engel van God tegen Jozef als deze merkt dat zijn verloofde zwanger is?:
“Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom en zei: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, bij u te nemen, want wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest; en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Matth.1:20-21).
Zalig maken is redden of verlossen. Het woord ‘wereld’ dat Johannes de Doper gebruikt moeten we hiermee verklaren, het is Zijn wereld, Zijn volk.
Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden. Zijn volk is Israël, Wie is Hij dan?
In Exodus wordt Israël telkens weer Gods volk genoemd, het volk van JHWH en dat gaat zo de hele Bijbel door tot en met het Boek Openbaring.
Hier slechts één tekst uit 1 Sam.9:16-17 over de roeping van Saul tot koning.
“Morgen omstreeks deze tijd zal Ik een man uit het land van Benjamin naar u toe zenden; die moet u tot vorst zalven over Mijn volk Israël. Hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb naar Mijn volk omgezien, omdat hun geschreeuw om hulp tot Mij gekomen is. Toen Samuel Saul zag, gaf de HEERE hem te kennen: Zie, dit is de man van wie Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.”
Wanneer u via een concordantie alle teksten opzoekt, waarin JHWH spreekt over Israël als Mijn Volk, bent u lang bezig en na afloop overtuigd dat Israël het volk van JHWH is en dat Hij de Verlosser van Zijn volk is.
In dat licht moeten wij de boodschap van de engel aan Jozef bekijken. Hij, Jezus, zal Zijn Volk verlossen van hun zonden. JHWH zal Zijn volk verlossen en Jezus zal Zijn Volk verlossen.
Wie was Hij?
Als wij de Bijbel aanvaarden als het woord van God, en dat doen wij, is de conclusie dat Jezus en JHWH één en dezelfde zijn.
Jezus zegt dat ook zelf trouwens: “Ik en de Vader zijn één.” (Joh.10:30)
Er zijn Bijbelonderzoekers die deze eenheid niet aanvaarden. Dan is het Nieuwe Testament een grote leugen. We kunnen daar nu niet verder op ingaan.
Wat de engel zei tegen Jozef: “Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden”, slaat op de eerste komst, Zijn dood vernietigde de scheidbrief en opende de weg tot herstel.
Het gaat nu echter over de wederkomst!
Tegen Maria zegt de engel heel wat anders:
“En de engel zei tegen haar: Wees niet bevreesd, Maria, want u hebt genade gevonden bij God. En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.” (Luk.1:30-33)
Waarom moet Hij weerkomen?
Als we de evangeliën lezen komen we bijna niets van de vervulling van de voorzeggingen aan Maria tegen.
Hij kreeg de naam Jezus.
Hij werd de Zoon van God genoemd, maar noemde Zichzelf Zoon des mensen, zelfs toen de hogepriester Hem bezwoer te zeggen dat Hij de Zoon van God was.
“Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God. Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechter hand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel”. (Matth.26:63-64)
Van de rest van de woorden van de engel Gabriël is niets tot stand gekomen tijdens zijn eerste komst. Hij kreeg niet de troon van zijn vader David, Hij werd geen koning over het huis van Jakob (dat is het twaalfstammige Israël!) en Zijn Koninkrijk of Koningschap had zelfs nog niet een begin.
De engel Gabriël is niet zomaar een engel, maar een heel belangrijke. We lezen over hem bij Daniël en de aankondigingen van de geboorte van Johannes de Doper en de Here Jezus.
JHWH en de mens
In Genesis 1 lezen we over God, Elohim, in Genesis 2 lezen voor het eerst van HERE, JHWH, en dan staat er niet dat Elohim de mens schiep, maar dat JHWH de mens vormde uit het stof van de aardbodem en de levensadem in zijn neusgaten blies :
“toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.” (Genesis 2:7)
Daar is het directe contact tussen JHWH en de mens. Dat blijkt ook wanneer Eva door Nachash verleid is en Adam met haar meegaat in de ongehoorzaamheid.
“En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.” (Gen. 3:8)
“Van hen, de ongelovigen, geldt dat de god van deze eeuw hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.” (2 Cor.4:4)
JHWH wandelde in de hof, Adam en Eva hoorden Zijn stem en wisten – uit ervaring – dat Hij het was. Hij verscheen in menselijke gedaante. Zij waren naar Zijn beeld geschapen en Zijn beeld was dus een menselijke gestalte! Zo kenden zij Hem en zo sprak Hij met hen.
Zo vinden we Hem ook in contact met Abraham.
“Daarna verscheen de HEERE aan hem bij de eiken van Mamre, toen hij in de ingang van de tent zat en de dag heet werd. Hij sloeg zijn ogen op, en keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag, liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde.” (Gen.18:1-2)
Zo sprak Hij met Mozes:
“De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt”. (Exodus 33:11a)
JHWH toonde zich als mens aan wie Hij wilde. Hij had de mens geschapen, gevormd, naar Zijn beeld en dat beeld was er dus eerst. Zo wilde Hij zich laten zien in de schepping, aan Zijn kinderen, aan Zijn volk. Bij de profeten lezen we soms van Hem als het woord van JHWH, zo verscheen Hij aan hen. Ook wordt Hij dan wel de Engel van JHWH genoemd, maar in dat geval kan het ook een gewone hemelse boodschapper zijn, die in mensengedaante verschijnt.
Om Zijn volk Israël te kunnen verlossen moest Hij echt mens zijn en werd Hij als mens geboren met de naam Jezus, JHWH REDT.
Wat zegt Daniël?
“In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, had Daniël op zijn bed een droom en kreeg hij visioenen voor ogen. Toen schreef hij de droom op. De kern van de zaken omschreef hij als volgt: Daniël nam het woord en zei: ‘s Nachts in mijn visioen keek ik toe, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op, en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden. Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik keek toe totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op zijn voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven. En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het dier: Sta op, eet veel vlees. Daarna keek ik, en zie, er was nog een ander dier, als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven. Daarna keek ik toe in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die er vóór geweest waren. En het had tien horens. Terwijl ik op de horens bleef letten, zie, een andere, kleine, horen rees daartussen op. Drie van de eerdere horens werden voor hem uitgerukt. En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.
Ik keek toe totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen Zich neerzette. Zijn gewaad was wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon waren vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. Een rivier van vuur stroomde en ging voor Zijn aangezicht uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht.
Het gerechtshof hield zitting en de boeken werden geopend. Toen keek ik, vanwege het geluid van de grote woorden die de horen sprak. Ik keek toe totdat het dier gedood werd en zijn lichaam vernietigd werd, en aan het laaiend vuur werd prijsgegeven. Ook de rest van de dieren ontnam men hun heerschappij, want verlenging van het leven was hun gegeven tot een bepaald tijdstip en een bepaalde tijd.
Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen. Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.
Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn geest geraakt, en de visioenen die mij voor ogen kwamen, verschrikten mij. Ik kwam in de nabijheid van een van hen die daar stonden, en vroeg hem naar de juiste betekenis van dit alles. Hij vertelde die mij en liet mij de uitleg van deze zaken weten: Die grote dieren, die vier in getal zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde zullen opstaan. De heiligen van de Allerhoogste zullen echter het koningschap ontvangen. Zij zullen het koningschap in bezit nemen tot in eeuwigheid, ja, tot in der eeuwen eeuwigheid.
Toen wilde ik de ware betekenis weten van het vierde dier, dat verschilde van al de andere -uitzonderlijk schrikwekkend, zijn tanden waren van ijzer, zijn klauwen van brons, het at, verbrijzelde en de rest vertrapte het met zijn poten- en van de tien horens die op zijn kop zaten en van die andere, die oprees en waarvoor er drie afgevallen waren, namelijk die horen die ogen had en een mond vol grootspraak en waarvan de verschijning groter was dan die van zijn metgezellen. Ik had namelijk toegekeken en gezien dat die horen oorlog voerde tegen de heiligen en dat hij hen overwon, totdat de Oude van dagen kwam, de heiligen van de Allerhoogste recht verschaft werd en het tijdstip was bereikt dat de heiligen het koningschap in bezit namen. Hij zei het volgende: Het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van al de andere koninkrijken. Het zal heel de aarde verslinden, het zal haar vertrappen en haar verbrijzelen. En de tien horens duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen. Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. Daarna zal het gerechtshof zitting houden: men zal hem zijn heerschappij ontnemen, hem verdelgen en volledig vernietigen. Maar het koningschap en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn, en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen. Hier is het einde van deze woorden. Wat mij, Daniël, betreft -mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn gelaatskleur veranderde. Deze woorden bewaarde ik echter in mijn hart.” (Daniël 7:1-28)
Daniël 7 is een heel belangrijk hoofdstuk. Meestal worden de vier dieren, die Daniël te zien krijgt gelijkgesteld met de vier rijken die Nebukadnezar zag in zijn droom over het beeld en zo is het inderdaad wel te verklaren.
Die historisch juiste opvatting loopt echter vast in de tijd waarin wij leven. Alles is al gebeurd, dus, wat komt er nu? Staat de vervulling van de profetie nu stil?
Tussen de terugkeer van een deel van Juda na de Babylonische ballingschap naar het beloofde land en de komst van de Messias was er een periode waarin bijna geen profeten optraden. Een stille tijd op profetisch gebied. Beleven we dat nu weer?
Als we letten op de vele veranderingen op technisch, economisch, godsdienstig en politiek gebied van de laatste tientallen jaren, zien we dat er meer gebeurd is dan de eeuwen daarvoor.
Wat tot nog niet zo lang geleden vooral regionaal van belang was en zich wereldwijd concentreerde rondom de Westerse volken, die wij zien als de Israël volken, is nu veel meer globaal, wereldwijd, waarbij verscheidene andere landen een steeds grotere rol gaan spelen.
Denk aan China en India, maar ook in het nabije Oosten zijn volken tot grotere invloed gekomen. De Islam is geweldig in opkomst en het christelijk geloof in de westerse landen lijkt voortdurend minder te worden.
Daniël. die heel goed op de hoogte was van de betekenis van het beeld dat Nebukadnezar in zijn droom had gezien, is zwaar onder de indruk van wat hij in zijn visioen heeft gezien. Dat had niet alleen betrekking op de vier rijken van het beeld van Nebukadnezar, maar reikt verder tot de eindtijd en heeft dan meer te maken met Israël en de wederkomst.
Vier punten zijn hier in verband met ons onderwerp van belang:
1 de Oude van Dagen
2 Iemand als een mensenzoon
3 De heiligen van de Allerhoogste
4 Het volk van de heiligen van de Allerhoogste
Die vier staan in verband met het Koningschap en het komende Koninkrijk van God.
We beginnen met de Oude van Dagen. Als er een verklaring gegeven wordt, is dat meestal God zelf. God is echter geen oude van dagen, maar de Eeuwige, die zich aan de mens en speciaal aan Israël openbaart als JHWH. Hij is de eeuwige Koning. Hij verklaart aan Samuel, als het volk vraagt om een koning zoals de andere volken hebben:
“Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel. En Samuel bad tot de HEERE. Maar de HEERE zei tegen Samuel: Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn. Overeenkomstig alles wat zij Mij aangedaan hebben, vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte geleid heb tot deze dag toe, door Mij te verlaten en andere goden te dienen, doen zij nu ook u aan. Welnu, luister naar hun stem, maar waarschuw hen nadrukkelijk en maak hun de handelwijze bekend van de koning die over hen zal regeren.” (1 Samuël 8:6-9)
JHWH verscheen in mensengedaante aan de mens en sprak zo met Adam en Eva, Abraham, Mozes en de profeten. Hij bleef daarbij God, al was zijn heerlijkheid niet zichtbaar.
In Jezus verscheen hij als echt mens, zonder zijn Goddelijkheid. Als de mens Jezus werd Hij de Zoon van God genoemd door anderen. Hij noemde zichzelf de zoon van de mens, daar vestigde Hij sterk de aandacht op, dus daar moeten wij ook op letten en rekening mee houden.
JHWH God kan niet oud worden, maar JHWH Jezus, de mens, wel. In Openbaring zien we ook telkens een combinatie van de twee. In het eerste hoofdstuk van Openbaring kunnen we reeds zien dat de Oude van Dagen Jezus is.
“En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij had gesproken. En toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaren. En te midden van de zeven kandelaren zag ik Iemand Die op de Zoon des mensen leek, gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en uit Zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen.” (Openb. 1:12-18)
Hier is duidelijk te zien dat Jezus en de Oude van Dagen een en dezelfde Persoon zijn (zie pag.4)
Wie is dan de tweede persoon, iemand als een mensenzoon?
Het is heel goed te begrijpen, dat men bij de interpretatie van Daniël 7 is uitgegaan van ‘Iemand als een mensenzoon’ van Jezus, en dus een andere verklaring heeft gegeven van de ‘Oude van Dagen’.
Er zijn verschillende teksten die ons op weg kunnen helpen.
“Dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft tot Israël en tot Juda. Want zo zegt de HEERE: Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord, angst is er, geen vrede. Vraag toch en zie of een man baren kan? Waarom heb Ik dan iedere man gezien met zijn handen op zijn heupen als een barende vrouw, en waarom zijn alle gezichten lijkbleek weggetrokken? Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden. Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen, maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning David, Die Ik hun zal doen opstaan.” (Jeremia 30:4-9}
“En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn. Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke afgoden en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn. En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.” (Ezechiël 37:21-25 HSV)
“Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HEERE, hun God, zoeken en David, hun koning. Zij zullen zich in diep ontzag tot de HEERE en Zijn goedheid wenden, in later tijd.” (Hosea 3:5)
Er is telkens sprake van JHWH als God en David als Koning. Er is veel gedacht dat hier met David de Here Jezus bedoeld wordt, onder anderen in de kanttekeningen bij de Statenvertaling
Twee dingen vallen op bij deze teksten. Het gaat over de eindtijd, de tijd van Jakobs benauwdheid en over het herstel van Israël.
Het is ook de tijd van het oordeel over de volken, waarvan vooral sprake is in Mattheüs 25.
“Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen aan Zijn rechter hand zetten, maar de bokken aan Zijn linker hand.” (Mattheüs 25:31-33)
Het gaat hier niet over het persoonlijk oordeel, maar over het oordeel over de volken. Ook dit gedeelte wijst weer naar Jezus als de Oude van Dagen.
Als we weer even terugkeren naar Daniël 7 hebben we nog twee punten over:
3 De heiligen van de Allerhoogste en
4 Het volk van de heiligen van de Allerhoogste.
Bij de verklaring van het visioen van Daniël wordt nauwelijks nog over de Oude van Dagen en de Mensenzoon gesproken, maar gaat het meer over de heiligen en het volk van de heiligen.
Heilig betekent ‘apart gezet’. De heiligen zijn hier nauw verbonden aan een volk en in de Bijbel is er maar één door God apart gezet volk: Israël.
De ‘heiligen’ waarvan hier sprake is behoren tot dat volk, we zouden hen kunnen noemen de gemeente van Israël. In het Oude Testament is daarvan reeds sprake en Daniël krijgt daarvoor ook geen verklaring, hij begrijpt dat wel zonder nadere uitleg.
Het woord ‘gemeente komt in het Oude Testament 83 maal voor en betekent daar dan de gemeenschap van Israël die samenkomt voor een bepaald doel.
In het Nieuwe Testament komen we het woord 75 maal tegen en is dan een groep gelovigen uit Israël, al wordt de naam Israël er niet bij genoemd. Israël is na de scheidbrief de naam Israël kwijtgeraakt, maar als we het Nieuwe Testament lezen en weten hoe de nakomelingen van Israël in de verstrooiing naar het noorden en westen zijn getrokken, kunnen we opmerken dat het ook in het Nieuwe Testament om Israël gaat, al leeft dit volk voort onder andere namen en zonder zich van de eigen identiteit bewust te zijn.
Als we teruggaan naar Daniël zien we dat de Oude van Dagen gericht houdt.
Ik keek toe totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen Zich neerzette. Zijn gewaad was wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon waren vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. Een rivier van vuur stroomde en ging voor Zijn aangezicht uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht.
Het gerechtshof hield zitting en de boeken werden geopend.
In Openbaring lazen we:
En te midden van de zeven kandelaren zag ik Iemand Die op de Zoon des mensen leek, gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam
En Jezus zelf zei:
“Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken bijeengebracht worden,
Deze teksten geven aan wat we reeds gezegd hebben, dat de Oude van Dagen, Jezus, komt in heerlijkheid om de volken de oordelen.
Daniël laat zien dat dit plaats vindt na een periode waarin het slecht gaat met Israël en de heiligen van de Allerhoogste:
Het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van al de andere koninkrijken. Het zal heel de aarde verslinden, het zal haar vertrappen en haar verbrijzelen. En de tien horens duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen. Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. Daarna zal het gerechtshof zitting houden: men zal hem zijn heerschappij ontnemen, hem verdelgen en volledig vernietigen.
Daniël geeft aan dat dit niet hetzelfde rijk is als het eindrijk van de droom van Nebukadnezar, hoewel het veel overeenkomsten heeft. Er zit dan een herstel in van het oude Romeinse Rijk maar op wereldwijde schaal met al de kenmerken van het Babylonische systeem.
Jeremia noemt die periode een tijd van benauwdheid van Israël.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.
Waar de naam Jakob genoemd wordt geeft dat aan dat het om alle stammen van Israël gaat en uit het verband met de andere teksten heeft dit te maken met de eindtijd, voor de wederkomst van Jezus, de Messias.
Als we nu letten op de tijd waarin wij leven, zien we dat deze alle kenmerken heeft die door Daniël zijn gegeven en ook in Openbaring naar voren komen.
Paulus geeft nog een bijzonderheid aan voor deze tijd:
“Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is,” (2 Thessalonicen 2:3)
Het woord ‘afval’ vinden we ook nog in de Klaagliederen en kan hiermee in verband gebracht worden.
“Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt in het midden van de volken!” (Klaagliederen 3:45)
De grote macht en het aanzien van de Israëlvolken is gekomen aan het eind van de strafperiode en ten gevolge van de Reformatie. De volken gingen God dienen en hielden in hun wetgeving rekening met de Goddelijke wetten.
De zegen die op het houden van de wet is beloofd hebben we ervaren. De Israëlvolken kregen de heerschappij over een groot deel van de wereld en hebben daar ook het evangelie bekend gemaakt. In het koloniale tijdperk kwam er vrede en ontwikkeling onder vele niet-Israël volken. Tegenwoordig wijst men meestal op de verkeerde dingen die er ook gebeurd zijn. Men trok er op uit om te verdienen en dat ging soms wel ten koste van de bevolking, maar er is ook veel goeds tot stand gekomen.
Het is bij Israël altijd zo geweest dat in tijden van voorspoed men dacht dat het eigen verdienste was en men God er niet voor nodig had. Als men God buiten beschouwing liet en Gods wetten ging vervangen door eigen leefregels, ging het altijd minder goed en in tijd van nood kwam er dan bekering tot stand.
Na bekering volgt herstel, dat is ook een goddelijke wet, maar bekering komt alleen als men overtuigd is van zonde. Zonde is overtreding van Gods leefregels of wetten.
Die wetten van God zijn net zo logisch als de natuurwetten van de zwaartekracht enz. In de wetenschap zoekt men naar de grenzen van ons kunnen, maar ook naar de wetten die in de natuur een rol spelen. Als we naar de weerberichten luisteren horen we van hoge en lage druk en de windrichting die daarvan het gevolg is en de regen of droogte die daardoor kan ontstaan.
Veel van die natuurwetten kan men door onderzoek vinden en dan voor de ontwikkeling verder toepassen. Die wetten veranderen gaat echter niet.
Wat de mens zelf kan vinden is niet in de Bijbel opgetekend. Wat er wel staat zijn de wetten voor het leven. Bij dieren zijn die ingeschapen, zij doen automatisch wat zij moeten doen, het hoeft hun niet geleerd te worden. Hooguit leren de jongen iets van de ouden door naar hun voorbeeld te kijken en passen ze zich aan de omstandigheden aan. Een hogere ontwikkeling is niet mogelijk. Wij kunnen dieren trainen in een bepaalde ontwikkeling, maar zichzelf ontwikkelen is er niet bij.
Bij de mens is dat anders en toch zien we daar ook grote verschillen. Na de Reformatie, de terugkeer naar het Woord van God, zien we een sterke ontwikkeling vooral in de Protestants Christelijke volken, de Israël volken.
Daarop is voorspoed gevolgd. We waren reeds een belangrijke zeevarende mogendheid voor het einde van de tachtigjarige oorlog. Dat is een echt Zebulon kenmerk.
Nu zijn we echter op een totaal verkeerde weg. We hebben een regering en een parlement dat meent telkens maar weer nieuwe wetten en regels te moeten vaststellen. De regering wil overal zeggenschap over hebben en de mensen schuiven de verantwoordelijkheid af op de regering. We hebben allemaal rechten, maar we horen weinig over plichten.
Er zijn nog kleine groepen, die zich medeverantwoordelijk voelen voor ons volk. Er zijn gebedsgroepen en er wordt veel gedaan voor gelovigen in andere landen.
In de Islamitische wereld zien we een steeds sterkere vervolging van de christenen. Die moeten dikwijls in het geheim samenkomen en als ze al een kerkgebouw hebben, lopen ze de kans dat het wordt verbrand of vernield. Vele gelovigen zitten gevangen. De overgang van de Islam tot het christendom is een doodzonde. Velen zijn dan ook in het geheim christen. In de communistische landen is het net zo. In China zijn er wat mogelijkheden, maar in Noord Korea is het christen zijn ook levensgevaarlijk.
Toch lukt het niet het geloof uit te roeien met geweld. Een oude uitdrukking zegt het zo: Het bloed der martelaren is het zaad van de kerk.
De aanval op het geloof en de gelovigen in de westerse landen is veel subtieler. De Joden die in de Bijbel de synagoge van de satan worden genoemd, omdat ze geen Judahieten of Israëlieten zijn, infiltreren met de oude satanische methode van het twijfel zaaien en daarna het ontkennen van de Bijbelse waarheden. Het is van belang de dingen waarmee we in aanraking komen te onderzoeken en te controleren.
Het is vaak moeilijk nieuwe opvattingen bekend te maken, omdat die opvattingen allereerst getoetst worden aan de eigen opvattingen. Lijken ze daar een beetje van af te wijken, dan wil men er niets meer van horen. Velen die Israël gezien hebben en hun zienswijze aan anderen willen uitleggen ervaren dan weerstand.
Wij kunnen er van getuigen, maar wij kunnen niemand overtuigen. Dat is het werk van God en het blijkt, dat degenen die zelf veel vragen hebben en daar onderzoek naar doen door Gods Geest kunnen worden overtuigd.
Voor ons is de Israël waarheid zo duidelijk en de Bijbel is daardoor voor ons veel meer gaan leven, maar we komen er door apart te staan, zelfs in onze eigen Israël beweging. Er zijn zoveel verschillende opvattingen over talloze onderwerpen.
Hoeveel tijd ligt er tussen Genesis 1 vers 1 en vers 2? Waar lag het paradijs? Waarheen trokken Adam en Eva uit het paradijs? Was de zondvloed in een bepaald gebied of over de gehele aardbol? Over al deze onderwerpen wordt verschillend gedacht en men verkettert dan graag iemand die er anders over denkt.
Denk er om, wij Israëlieten denken veel over de dingen na!
U moet niets geloven omdat ik het zeg, u hoeft niets te aanvaarden van wat ik zeg!
God wil van ons geen robots maken en zelfs geen mensen die allemaal gelijk denken. Hij heeft ons geschapen naar Zijn beeld en Hij wil ons vervullen met Zijn Geest (dat is Hij zelf!) om ons te ontwikkelen volgens Zijn plan. Hij heeft voor ieder van ons een eigen plan!
Daarbij geeft Hij de opdracht de onderlinge liefde te bevorderen. Hebt u een hekel aan een bepaalde persoon? Kunt u iemand niet uitstaan? Misschien hebt u daar alle reden voor, maar is dat Gods bedoeling met uw leven, nu we dicht bij de wederkomst leven?
Met mijn familie kan ik moeilijk over mijn geloof praten, maar zij weten wel dat ik gelovig ben. Ik heb vrienden die grote problemen met elkaar hebben. Hun verschillende opvattingen zijn mij bekend en weet u, bij verschillende opvattingen hebben dikwijls beide partijen gedeeltelijk gelijk en misschien wel helemaal!
Verwacht u de wederkomst? Zou uw opvatting hierover verschil maken voor de wederkomst? De Bijbel spreekt er over en dus zal het gebeuren, of u het gelooft of niet.
Het is zo mooi dat we bij het einde van Jezus leven en bij zijn opstanding en hemelvaart telkens twee getuigen zien. Zij verschenen op de berg der verheerlijking, zij waren bij het lege graf en ze stonden bij de Galilese mannen die met (denk ik) met open mond naar boven bleven kijken toen Jezus was opgevaren en met een wolk was verdwenen. Wat zeiden ze? (Ik denk dat het telkens dezelfde mannen waren, de twee getuigen!)
“En nadat Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij, terwijl Hij van hen wegging, hun ogen naar de hemel gericht hielden, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleding, die ook zeiden: Galilese mannen, waarom staat u omhoog te kijken naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze terug komen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.” (Handelingen 1:9-11)
Wanneer die wederkomst plaats vindt weet ik niet. Sommigen zeggen: dit of dat moet eerst nog gebeuren. Misschien hebben ze gelijk, maar de dingen kunnen tegenwoordig zo snel gebeuren, dat het niet veel uitmaakt.
Gelooft u dat Jezus spoedig zal terugkomen? Als u het niet gelooft, zult u gewoon door leven zoals u gewend bent.
Als u het wel gelooft, bent u er dan klaar voor? Bereidt u zich er op voor?
Misschien bent u erg gekwetst of zelfs beledigd door anderen. U moet niet wachten tot de ander zich bekeert, maar u kunt en mag met de liefde van Jezus de Messias, naar de ander kijken. Doet het u wat, als de ander het niet gelooft of er naar uw mening verkeerd over denkt?
G. van der Laan
WAT IS ER VAN KAÏN GEWORDEN?
door pastor
Bertrand L.Comparet
(Opm. redacteur: In dit artikel verwijst de auteur naar de Ariërs. Ongelukkigerwijs wordt tegenwoordig deze naam, door het misbruik van de nazi’s, als politiek incorrect beschouwd. Een substituut hiervoor is de term Indo-Europeanen, wat hetzelfde betekent; nl. de Kaukasische rassen).
'Wat is er van Kaïn geworden en waar ging hij heen?' is een vraag die speelt in de gedachten van gelovigen zowel als ongelovigen. In de Bijbel kan Kaïn niet lang gevolgd worden. Toch is hij onmiskenbaar een historische figuur over wie men zeker zoveel buiten als in de Bijbel zelf te weten kan komen.
Laat niemand u vertellen dat de Oude Testament-figuren mythen zijn. Dat zijn ze niet. Ze maken deel uit van de geschiedenis. De Bijbel zegt dat Adam en Eva uit de hof van Eden werden verbannen in OOSTELIJKE richting. De Cherubim stonden op wacht in het oosten van de hof om hun mogelijke terugkeer te voorkomen. Het is ook duidelijk dat ze naar het oosten gingen, zoals we leren uit het verhaal van Noach en de Zondvloed.
Adams migratie brachten hem en Eva uiteindelijk naar het Tarim Bekken, wat tegenwoordig Singkiang heet in het uiterste zuidwestelijke deel van China. De migratie kostte ongetwijfeld veel tijd want het was een lange weg te voet, maar ze hadden in die dagen de tijd, Adam leefde meer dan 900 jaar.
In het gebied waar zij zich vestigden werden twee kinderen geboren, Kaïn en Abel. Genesis 3:15 legt het thema van de gehele Bijbel vast en al het resterende is een ontwikkeling van dat thema.
Het is ook de geschiedenis van ons Israëlvolk. Uiteindelijk riep God Adam, Eva en Satan bij zich om hen rekenschap te vragen van hun wandaden. En denk nu niet dat Satan een over de grond kronkelende slang was, want dat is niet wat het Hebreeuws zegt. Het woord 'nachash' (naw-khawsh) heeft de grond-betekenis van 'tovenaar' of 'magiër'.
Arische (Eng.Aryan) Voorouders op de Zijde Route
Politieke correctheid heeft onlangs een klap in het gezicht gekregen door een aantal archeologische ontdekkingen in het Oosten, die aantoonden dat de stichters van menige Oosterse beschaving, zo vereerd door trendy New Age-types, die minachting hebben voor alles wat Europees en blank is, in feite qua ras Ariërs waren. Een bekend voorbeeld is het land Iran, dat de naam heeft aangenomen van haar oorspronkelijke veroveraars. Tot 1978 was een van de vele officiële titels van de SHAH 'Heer van de Ariërs' (Aryans).
Het is al heel lang bekend dat rond de 1ste eeuw AD het noordwestelijke deel van China werd bewoond door een Kaukasisch volk, dat een taal sprak die door geleerden 'Tocharisch' werd genoemd. In het eerste deel van de vorige eeuw ontdekten Franse en Duitse archeologen, die in de noordwestelijke provincies aan het graven waren, extensief beschreven manuscripten in deze taal en toen zij zo gezegd de code kraakten, zagen zij tot hun stomme verbazing de overeenkomsten tussen de door hen veronderstelde, geïsoleerde Oosterse taal en de Oud-Germaanse en Keltische talen.
Nu heeft het PC Academisch en Wetenschappelijk Establishment, dat de geschiedenis wil herschrijven om die 'Afrocentrisch' te maken en zich te ontdoen van de 'dode blanke Europese manspersonen', ook nog eens een schop onder hun achterste gekregen van de waarheid. Recente opgravingen in het Tarim Bekken in de provincie Xinjiang hebben meer dan honderd natuurlijk gemummificeerde lichamen blootgelegd van mensen die daar leefden tussen 4000 en 2400 jaar geleden. Dit wijst erop dat de onverwachte Arische inval in Azië in feite veel vroeger en veel extensiever was dan men daarvoor geloofde. De lichamen waren door het droge klimaat verbazingwekkend goed geconserveerd en volgens de New York Times: "....konden de archeologen nauwelijks geloven wat ze zagen". De mummies hadden vrij lange neuzen en dito schedels, blond en rood haar, dunne lippen, diepliggende ogen en andere onmiskenbaar Arische gelaatskenmerken.
Dr.Victor Mair van de Universiteit van Pennsylvania zei: "Omdat de Kaukasoïde lichamen van het Tarim Bekken bijna zeker representatief zijn voor de Indo-Europese familie en omdat zij dateren van een tijdsperiode vroeg genoeg om bij te dragen aan de expansie van de Indo-Europese volken vanuit hun thuisland, denk ik dat zij een cruciale rol zullen spelen in de vaststelling waar dat geweest zou kunnen zijn".
Een van de mummies van een tienjarig meisje met blond haar en blauwe ogen, gevonden in een grot, is gewoon een toeristische attractie geworden in Beijing. Ze kreeg de bijnaam 'The Lady of Tarim' en ze wordt tentoongesteld voor menigten museumbezoekers in de Chinese hoofdstad. Kennelijk was ze een prinses of een of andere priesteres zo'n drieduizend jaar geleden, want ze was begraven in fijn geborduurde gewaden van wol en leer, tezamen met mooie juwelen, kruikjes en ornamenten van goud, zilver, jade en onyx. Haar stoffelijke resten verkeren in zo'n goede staat dat het lijkt of het meisje ligt te slapen.
"Diffusionisme kan nu weer ernstig genomen worden", grinnikte een historius van Harvard, Michael Puett. Diffusionisme is de theorie dat de ogenschijnlijk moderne beschavingen van het Midden- en Verre Oosten van de oude wereld allemaal hebben geprofiteerd van het contact met Arische migranten, kooplieden, rondtrekkende stammen etc. en veel opstaken van hun kennis en eigenschappen. Deze theorie kan heel wat verklaren met betrekking tot de geschiedenis, van de Indo-Europese wortels van de Hindoestaanse taal, van de Quetzalcoatl legende van de Azteken, van de geheimzinnige ruïnes van Zimbabwe. Diffusionisme werd de laatste twintig jaar vervangen door het nieuwe Politiek Correct dogma van de 'onafhankelijke uitvinding'. Men beweert dat er helemaal geen contact bestond tussen Blanke en Aziatische of pre-Columbiaanse beschavingen en als dat er wel was, was het slechts omdat alle blanken 'imperialistische uitbuiters' zijn.
De PC-theorie leert dat alles in de oude niet-blanke samenleving werd uitgevonden door de inboorlingen, alles zonder uitzondering, geen ideeën of invloeden van Europese contacten, al helemaal niets goeds en heilzaams als er al contact was met een blanke, dat er natuurlijk niet was omdat de blanken niet die wereldverkennende hotshots waren die ze verondersteld worden te zijn; zo, dat is dat! Ik denk dat wij Leif Ericson en Magelhaen e.a. hebben verzonnen. Lach niet! Wij hebben dergelijke enormiteiten gehoord, in ernst naar voren gebracht door 'Afrocentrische geschiedkundigen'.
Volgens de 'onafhankelijke uitvinding' theorie sluit de lijst van dingen die niet-blanken onafhankelijk hebben uitgevonden ook de tientallen Aziatische dialecten in van Hindu tot Punjabi tot Uighur, allemaal duidelijk gebaseerd op een gemeenschappelijke Arische grondtaal - Puur toeval, zeggen de PC profs! De landbouwtechnieken van de Azteken en Inca's zoals de wisseling van gewassen en terrasbebouwing, zo gelijkvormig aan Romeinse en Europese middeleeuwse gewoonten - Och, zeggen de intellectuele gangsters van het liberalisme, de Indianen bedachten het zelf!
De Maya pyramides, kalender en astronomie, bijna kopieën van Griekse en Egyptische kennis; allemaal producten van de briljante Maya-beschaving alleen, volgens de officiële gedachtegang. Dat diezelfde Maya's een voorkeur hadden voor kannibalisme en kinderoffers door ze in de heilige bronnen te verdrinken, wordt gemakshalve genegeerd.
De blauwe ogen en het gebroken Welsh van de Missouri Mandan Indianen; de Keltisch lijkende megalieten en de ronde stenen torens van New England; de ruïnes van de Vikingen in l'Anse Aux Meadow in Newfoundland; de rune-inscripties op Dighton Rock Connecticut en de Kensington steen in Minnesota; de stenen ruïnes van Zimbabwe, zo volkomen anders dan wat ooit is gevonden in donker Afrika en wat nergens zo op lijkt als op een Keltisch fort uit het bronzen tijdperk; de Arische trekken van de standbeelden op Easter Island...
Volgens de linkervleugel van het Academisch establishment: 'NOOIT leerden niet-blanken iets van contact tussen Derde Wereld-culturen en de Arische mens'. Hoe de PC Academici die honderden blondharige en blauwogige mummies van China zullen wegredeneren is me een raadsel, maar wij kunnen er zeker van zijn dat ze hun best zullen doen. Uiterlijk zoals het onze, de Kinderen van de Zon, werd ook in die vroege dagen aangetroffen.
De mummies van Xinjiang
In de droge heuvels van deze provincie in Centraal Azië hebben archeologen meer dan honderd lichamen opgegraven die zeker 4000 jaar oud zijn. Verbazingwekkend goed geconserveerd - en Kaukasisch! Eén blik op de lichamen was genoeg om Victor Mair diep te raken. In 1987 leidde Mair, hoogleraar Chinees aan de Universiteit van Pennsylvania, een groep door een museum van de Chinese stad Urumqi in de provincie Xinjiang in Centraal Azië, toen hij afdwaalde en bij vergissing een halfduistere en nieuw ingerichte kamer binnenstapte. Daar, onder glas, lagen de net ontdekte lichamen van een familie, man, vrouw en een kind van een jaar of twee, drie. Alledrie gekleed in lange, donkerrode wollen mantels en vilten laarzen. "Ook nu nog voel ik de koude rillingen als ik terugdenk aan die ontmoeting" zegt Mair. De Chinezen vertelden dat ze 3000 jaar oud waren, toch zagen de lichamen eruit alsof ze de dag daarvoor begraven waren. Maar de echte schok kwam toen Mair van dichtbij hun gezichten bekeek. In tegenstelling tot de meeste Centraal Aziatische mensen, hadden deze lichamen duidelijk Kaukasische, of Europese gelaatstrekken - blond haar, lange neuzen, diepliggende ogen en langvormige schedels. "Ik was overdonderd", herinnert Mair zich. "Ofschoon ik werd verondersteld een toeristische groep te begeleiden, ik kon gewoon niet die kamer verlaten".
"De vragen bleven aan mij knagen: Wie waren deze mensen. Hoe kwamen ze hier terecht in zo'n vroege tijd?" De lichamen die Mair zag die dag, waren slechts een paar van de meer dan honderd die de Chinese archeologen de laatste zestien jaar hadden opgegraven. Allemaal verbazingwekkend goed bewaard gebleven. Ze kwamen van vier verschillende grote begraafplaatsen, verspreid tussen de droge uitlopers van de Tian Shan (Hemelse Bergen) in noordwest China en de rand van de Taklimaken Woestijn, zo'n 150 mijl zuidelijker.
Alles bij elkaar vormen deze lichamen, daterend van 2000 - 300 BC belangrijke aanvullingen op de wereldcatalogus van prehistorische mummies.
In tegenstelling tot de ongeveer even oude mummies van Egypte, waren de mummies van Xinjiang geen edelen of heersers; zij waren niet begraven in pyramides of andersoortige monumenten, noch waren zij onderworpen geweest aan goed doordachte mummificatie-methodes. Zij zijn bewaard gebleven enkel en alleen omdat ze waren begraven in de dorre, steenachtige woestijn, waar de dagtemperatuur dikwijls boven de 100ºF stijgt. In die hitte verdroogden de lichamen snel, waarbij haren, huid en andere weefsels grotendeels intact bleven. Waar kwamen deze ogenschijnlijke Kaukasiërs nu precies vandaan en wat voerde hen naar de verre woestijn-oases van Centraal Azië?
Elk antwoord op deze vraag zal waarschijnlijk een breed opgezet debat uitlokken over de rol die buitenstaanders speelden in de opkomst van de Chinese beschaving. Zover terug als de 2de eeuw BC verwijzen Chinese teksten naar vreemdelingen, Yuezhi en Wusun genoemd, die leefden bij China's uiterst westerse grenzen. De teksten maken duidelijk dat deze mensen beschouwd werden als lastige 'barbaren'.
Tot kortgeleden hebben wetenschappers geprobeerd bewijs van contact of vroege handel tussen China en het Westen te verdonkeremanen met betrekking tot de ontwikkeling van Chinese beschaving als een uitsluitend binnenlandse zaak, zonder invloeden van buitenaf; inderdaad, dit denkbeeld is nog altijd uiterst prettig voor het huidige Chinese regime. Toch begonnen enkele archeologen zich af te vragen of deze veronderstelde barbaren misschien verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor het introduceren in China van zulke fundamentele dingen als het wiel en de eerste metalen objecten.
Wie precies deze buitenstaanders waren, welke taal zij spraken en waar ze vandaan kwamen, is echter een puzzel. Geen wonder dus dat de geleerden de ontdekking van de blonde mummies zien als een sensationele nieuwe aanwijzing. Ofschoon Mair geïntrigeerd was door de mummies, het politieke klimaat van de jaren '80 (het bloedbad op het Tiananman Plein vond plaats in 1989) stond er garant voor dat elke benadering van de Chinese archeologische autoriteiten beladen zou zijn met moeilijkheden. Dus legde hij het raadsel naast zich neer en keerde terug naar zijn belangrijkste studieterrein, het vertalen en analyseren van oude Chinese teksten.
Toen, in September 1991, de ontdekking op 5000 voet. Foto's van het lichaam van de 'Iceman', gedroogd door de wind en daarna bedekt door een gletsjer, herinnerde Mair aan de uitgedroogde mummies in het Urumqi museum en hij vroeg zich af of de wetenschappelijke detectiemethodes die op dat moment werden toegepast op de "Iceman', inclusief DNA-analyse van de geconserveerde resten, niet ook het raadsel van Xinjiang zouden kunnen oplossen.
Toen China wat ontvankelijker was geworden ten aanzien van buitenlandse onderzoekers, besloot Mair een gezamenlijk onderzoek op touw te zetten. Hiervoor nam hij contact op met Xinjiangs leidinggevende archeoloog Wang Binghua, die de eerste mummies had gevonden in 1978. Vóór het werk van Wang in de regio waren aanwijzingen van vroege nederzettingen zo goed als onbekend. Eind 1970 evenwel was Wang een systematisch onderzoek begonnen naar oude vindplaatsen in de noordoost-hoek van de provincie Xinjiang. Hij wist dat oude volken hun nederzettingen zouden hebben gebouwd langs een stroom om over voldoende water te kunnen beschikken, zegt Mair. Toen hij zo'n stroom volgde vanaf de bron in de Tian Shan zou Wang de plaatselijke bewoners hebben gevraagd of zij ooit gebroken kruiken of kommen hadden gevonden of houten voorwerpen of dergelijke. Uiteindelijk vertelde een oudere man hem over een plek, die de plaatselijke bewoners 'Qizilchoqa' noemen, ofwel 'Rood heuveltje'. Hier werden de eerste mummies opgedolven. Dit was ook het eerste kavel dat Mair de zomer daarvoor met zijn medewerker, Paolo Francolacci, een antropologisch geneticus aan de Universiteit van Sassari in Italië, had bezocht.
Om Qizilchoqa te bereiken moesten ze een lange en inspannende reis maken vanaf Urumqi naar het oosten. Anderhalve dag lang hobbelden Mair, Wang en hun collega's in de door vier wielen aangedreven landkruisers over onverharde, met keien bezaaide wegen van de ene oase naar de andere. Een deel van de reis ging over de Zijde Route, de oude handelsroute die geleidelijk ontstond in de 2de eeuw BC en die China met het Westen verbond. Uiteindelijk bereikten zij het dorp Wupu. Geiten stoven weg toen de auto's voorzichtig hun weg zochten door de smalle straatjes. Vlak bij het dorp was een breed groen ravijn en nadat de onderzoekers hun weg er doorheen hadden gebaand, kwam de zanderige helling van het Rode heuveltje plotseling in zicht. "Het was niet erg indrukwekkend", herinnert Mair zich, "ongeveer twintig acres** op een lichte helling en omgeven door prikkeldraad. Er is een stenen schuurtje waar gereedschap wordt bewaard en de bezoekende archeologen overnachtten. Door de ondiepe gelaagdheid in het zand kon je de graven lokaliseren".
Terwijl Mair toekeek, begon Wangs team verschillende lichamen op te graven, die tevoren waren herbegraven vanwege gebrek aan adequate opslagmogelijkheden in het Urumqi museum. Mair behoefde niet lang te wachten; net een paar voet onder het zand troffen de archeologen rommelig matwerk aan en houten blokken die een grafkamer van lemen stenen bedekten. Mair was verbaasd bij het zien van de blokken, ze zagen eruit alsof ze net waren gehakt. Toen kwam de eerste mummie uit de ongeveer zes voet diepe groeve. Voor Mair was het bijna net zo'n emotioneel geladen moment als die eerste ontmoeting in het museum. "Als je zo dicht bij die zo goed geconserveerde lichamen staat, dan heb je een gevoel van intieme en persoonlijke nabijheid" zegt hij. "Het is bijna bovennatuurlijk, je hebt het gevoel dat op een of andere manier het leven is doorgegaan, ook al kijk je naar een uitgedroogd lichaam". Mair en Francalacci brachten de dag door met het onderzoeken van de lichamen, waarbij Francalacci weefselmonsters nam om de genetische oorsprong te kunnen bepalen. "Hij nam kleine monsters van lichaamsdelen die nooit ergens aan waren blootgesteld", zegt Mair. "gewoonlijk van de binnenkant van dijen en armen". We namen ook een paar ribben mee die gemakkelijk af te breken zijn, omdat botten het DNA beter bewaren dan spier- of huidweefsel.
Francalacci droeg een gezichtsmasker en rubber handschoenen om besmetting van de monsters met huidcellen, die zijn eigen DNA zouden bevatten, te vermijden. De monsters werden in verzamelpotten gedaan, verzegeld en van een etiket voorzien. Mair maakte een fotografisch en geschreven verslag van de collectie. Tot dusver zijn honderddertien graven in Qizilchoqa gedolven, waarschijnlijk blijft er eenzelfde aantal over om nog onderzocht te worden. Gebaseerd op koolstof-14 datering door de Chinezen en de manier van beschildering van de kruiken, gevonden bij de lichamen, lijken alle mummies hier van ongeveer 1200 BC te dateren. De meeste lagen op hun rug met opgetrokken knieën - een positie om de lichamen te laten passen in de kleine grafkamers. Ze zijn volledig gekleed in helder gekleurde wollen materialen, vilten en leren laarzen en soms leren jassen. De mannen hebben in het algemeen lichtbruin of blond haar, terwijl de vrouwen lange vlechten dragen, één meisje heeft blauwe tatoeëringen op haar polsen. Behalve aardewerk waren er de eenvoudige gebruiksvoorwerpen voor het leven van alledag; houten kammen, naalden van been, klossen om garen te spinnen, haken, bellen, stukjes brood en andere offergaven. De kunstvoorwerpen voorzien ons van nog meer bewijzen dat dit niet grafplaatsen zijn van de rijken. Trouwens, graven van aristocraten, beladen met kostbare bronzen voorwerpen, zouden lang geleden al leeggeroofd zijn.
Wordt vervolgd